Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is een naslagwerk op het gebied van pijnrevalidatie. Als pijn niet weg te nemen is, moeten patiënten ondersteund worden op hun weg naar beter functio­neren. Het boek is onmisbaar voor profes­sionals in de eerste-, tweede- en derde­lijnszorg die werken met patiënten met (chronische) pijn, zoals fysiotherapeuten, oefentherapeuten, ergotherapeuten, psy­chologen, huisartsen, revalidatieartsen en andere medisch specialisten.

Handboek pijnrevalidatie laat zien dat pijn een ervaring is die beïnvloed wordt door biologische, psychologische en sociale factoren. U leest over de neurofysiologie, neuropsychologie, psychologie en epidemiologie van chronische pijn, over de gevolgen voor het individu en omgeving, diagnostiek, meetinstrumenten, over behandeldoelen en –methoden en over de ketenzorg voor patiënten met chronische pijn. In deze hoofdstukken leest u dat beter functio­neren met pijn voor iedereen anders is. Daarom is goede samenwerking tussen de verschillende zorgspecialisaties van groot belang om de passende zorg te vinden voor elke patiënt.

De redactie bestaat uit experts op het gebied van pijnrevalidatie. Jeanine Verbunt is hoogleraar revalidatiegeneeskunde aan de Universiteit van Maastricht. Zij is daarnaast verbonden aan de Adelante Zorggroep en schreef eerder Gra­ded Exposure, een cognitief gedragsmatige aanpak van chronische pijn. Karlein Schreurs is hoogleraar in de psychologie bij chronische pijn en vermoeidheid aan de Universiteit Twente en verbonden aan Roessingh revalidatiecentrum. Revalidatieartsen Loes Swaan van Rijndam Revalidatie en Rita Schiphorst Preuper verbonden aan de afdeling revalidatiegeneeskunde van het UMCG en Beatrixoord zijn beiden als revalidatiearts gespecialiseerd in de behandeling van patiënten met chronische pijn. Samen met een groep van ruim 30 deskundigen uit Nederland en België schreven zij dit Hand­boek Pijnrevalidatie.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Het probleem chronische pijn

Voorwerk

1. Neurofysiologie bij pijn

Samenvatting
In dit eerste hoofdstuk staan twee aspecten van pijn centraal: de onderliggende pijnfysiologische en de pijnpsychologische mechanismen. Dit hoofdstuk omvat de definitie van pijn, de neurofysiologie van acute en chronische pijn, de invloed van coping, gedachten, percepties, emoties en cognities op pijn, en de invloed van stress en slaapdeprivatie op pijn. Binnen de neurofysiologie van acute pijn belichten we het perifere zenuwstelsel (neuronen, axonen en de actiepotentiaal), het centrale zenuwstelsel (het ruggenmerg, de dorsale hoorn, ascenderende en descenderende banen, en de verwerking op hersenniveau), het mechanisme achter nociceptieve inhibitie en facilitatie, en hoe en waarom perifere sensitisatie tot stand komt. Bij de neurofysiologie van chronische pijn gaan we in op de mechanismen achter chronische pijn en centrale sensitisatie, waaronder windup, disfunctionele nociceptieve inhibitie en overactieve nociceptieve facilitatie, sensitisatie op hersenniveau en de invloed van gliacellen. Dit alles zou moeten leiden tot een summiere kennis van de neurofysiologie en neuropsychologie van chronische pijn, die de basis zal vormen voor de rest van dit boek, waarin de revalidatie voor de patiënt met chronische pijn centraal staat.
A. Malfliet, J. Nijs

2. Psychologie bij pijn

Samenvatting
Psychologische factoren spelen een grote rol bij de kwetsbaarheid voor en het blijven bestaan van chronische pijnklachten en beïnvloeden pijnbeleving en het functioneren van patiënten met chronische pijn. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe onveilige hechting kan leiden tot disfunctionele coping met pijn en tot gebrekkig mentaliseren, wat pijnrevalidatie kan belemmeren. Depressie, angst, woede en boosheid en een gebrek aan positieve emoties kunnen voorafgaan aan pijnklachten, maar kunnen ook de pijn en het functioneren negatief beïnvloeden. Daarnaast zijn cognities als de taxatie van pijn, zelf-effectiviteit en ziektepercepties van belang. Een groot deel van het hoofdstuk is gewijd aan leertheoretische inzichten die verklaringen bieden en waarop cognitief gedragsmatige behandelingen zijn gebaseerd. Achtereenvolgens komen aan bod: operante conditionering, die de theoretische basis vormt voor graded activity; klassieke conditionering, die de theoretische onderlegger is voor exposure in vivo en relational frame theory waarop acceptance and commitment theory is gebaseerd.
K. M. G. Schreurs, I. Timmers, J. de Jong

3. Epidemiologie van pijn

Samenvatting
Epidemiologisch onderzoek naar chronische pijn laat zien dat pijnklachten zeer veel voorkomen, op alle leeftijden en in alle lagen van de bevolking. Vrouwen hebben vaker klachten dan mannen. De lange duur en het wisselende beloop van sommige pijnklachten maken het meten van pijn lastig. Binnen onderzoek wordt eveneens nog weinig gebruikgemaakt van hoe pijn over de levensloop gekarakteriseerd kan worden. Chronische pijn is multifactorieel: zeer veel factoren kunnen bijdragen aan de pijn, zoals leefgewoonten (bijvoorbeeld roken), werk (zoals veelvuldig tillen) en psychosociale factoren zoals stress en copingstrategieën. De grote gevolgen voor het individu (zoals een grote diversiteit aan beperkingen in dagelijkse activiteiten en participatie) en voor de maatschappij (zoals verzuim en beroep op zorgvoorzieningen) maken chronische pijn een groot volksgezondheidsprobleem, maar dit is weinig ‘zichtbaar’. De enorme ‘ziekte-last’ van chronische pijn benadrukt de roep om innovatie op het terrein van preventie, behandeling en onderzoek.
H. S. J. Picavet, T. Westendorp

4. De dagelijkse gevolgen van pijn

Samenvatting
De gevolgen van chronische pijn voor het dagelijks leven betreffen zowel het dagelijks handelen, alsook de innerlijke beleving. De pijn en beperkingen kunnen leiden tot een gevoel van vervreemding van zichzelf, het lichaam en de wereld. De patiënt maakt dan een rouwproces door. Aanvankelijk wordt dit proces gekenmerkt door veel verzet tegen de pijn en beperkingen. In het gedrag wordt dit, naast het zoeken naar een medische oplossing, veelal zichtbaar door het negeren van de pijn en overschrijding van de grenzen van het lichaam, of juist door het vermijden van de pijn en inactiviteit uit angst voor mogelijke schade. Verlieservaringen en heftige externe en interne conflicten kunnen het dagelijks leven kenmerken. In een latere fase wordt geleidelijk steeds meer onderkend dat terugkeer naar het leven van vóór de pijn niet mogelijk is. In het dagelijks handelen wordt nu minder gezocht naar een medische oplossing en meer naar een andere maatschappelijke invulling van belangrijk geachte levenswaarden. Afhankelijk van de mate van acceptatie van de nieuwe realiteit kan men zo komen tot een nieuwe invulling van het dagelijks leven die niet meer als kunstmatig wordt ervaren, maar als een bevredigende nieuwe levensrichting.
L. J. Slot, I. L. Thomassen-Hilgersom

Diagnostiek

Voorwerk

5. Multifactoriële analyse in de eerstelijn

Samenvatting
In de eerstelijnsgezondheidszorg is de huisarts het eerste aanspreekpunt voor de patiënt met chronische pijn. De huisarts stelt in zo’n situatie allereerst vast of er een somatische oorzaak is die de klachten kan verklaren. Indien er sprake is van chronische pijn, dan brengt de huisarts op basis van een multifactoriële analyse het pijnprobleem in kaart. Een biopsychosociaal perspectief is daarbij van belang. Vervolgens kiest de huisarts de meest passende behandelroute voor iedere individuele patiënt. Deze varieert in de eerstelijn van educatie door de huisarts alleen, ondersteuning door de praktijkondersteuner GGZ (POH-GGZ), tot eerstelijnsbehandeling bij een fysiotherapeut of oefentherapeut of een gezondheidszorgpsycholoog (GZ-psycholoog) in de generalistische basis-GGZ. Wanneer de huisarts op basis van zijn inventarisatie vermoedt dat het gaat om matig complexe problematiek, zou hij volgens de zorgstandaard idealiter moeten kunnen verwijzen naar een multidisciplinair team in de eerstelijn. De leden van het team delen dezelfde biopsychosociale visie en zijn allen deskundig op het gebied van chronische pijn. Het team verricht brede multidisciplinaire diagnostiek, geeft pijneducatie en behandelt bij voorkeur in de eerstelijn, in nauwe samenwerking met de tweedelijn. Bij hoog-complexe problematiek verwijst dit team gericht naar de tweede of derdelijn.
D. Keizer, J. Reitsma- Lutjes, J. A. Verbunt

6. Multifactoriële analyse in de medisch-specialistische revalidatie

Samenvatting
Als een patiënt met chronische pijn wordt verwezen naar de revalidatiearts dan kan er sprake zijn van laag complexe of hoog complexe problematiek. Interdisciplinaire behandeling in de medisch-specialistische revalidatie (MSR) is alleen geïndiceerd bij hoog-complexe problematiek. Bij de vaststelling van de mate van complexiteit van het pijnprobleem maakt de revalidatiearts gebruik van verwijsinformatie (correspondentie, eerder verrichte diagnostiek), neemt een uitgebreide anamnese af, eventueel gecombineerd met korte vragenlijsten, verricht lichamelijk onderzoek en laat zo nodig zelf aanvullende diagnostiek verrichten. Als er voldoende informatie is verzameld, begint het proces van analyse. Voor analyse wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘vlaggen’, waarbij de aanwezigheid van rode vlaggen kan wijzen op onderliggende (ernstige) somatische problematiek en de overige vlaggen (geel, oranje, blauw, zwart) te beschouwen zijn als prognostisch relevante factoren. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het exploreren van predisponerende, uitlokkende en onderhoudende factoren als hulpmiddel bij de analyse, waarbij met name de laatste van groot belang zijn voor het bepalen van mogelijke aangrijpingspunten van behandeling. Zo komt de revalidatiearts tot een indicatiestelling voor een interventie en aangrijpingspunten voor behandeling. In dit hoofdstuk worden de predisponerende, uitlokkende en onderhoudende factoren besproken. Onderhoudende factoren kunnen biomedisch, psychologisch en/of sociaal zijn en al deze worden factoren worden uitgebreid toegelicht. Er wordt speciaal aandacht geschonken aan de mogelijk negatieve beïnvloeding door medewerkers uit het (para en peri-)medische circuit.
J. L. Swaan, H. R. Schiphorst Preuper, R. J. E. M. Smeets

7. De complexiteit van het pijnprobleem

Samenvatting
Chronische pijn is een complex gezondheidsprobleem omdat verschillende factoren bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van de klachten en beperkingen. Patiënten met complexe gezondheidsproblemen consumeren meer zorg en hebben minder goede behandelresultaten. Om een patiënt met chronische pijn de juiste zorg op de juiste plek te kunnen aanbieden, is een inschatting van de aard en de ernst van aanwezige problematiek noodzakelijk. Een valide indeling in de mate van complexiteit ontbreekt tot op heden. Diverse factoren, zoals fysieke en mentale comorbiditeit en/of psychosociale problematiek, dragen bij aan de mate van complexiteit. Echter, de traditionele indeling in WPN-niveaus en ook andere classificatiesystemen zijn nog onvoldoende valide gebleken. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op definities en vormen van complexiteit en factoren die de mate van complexiteit mede bepalen.
A. J. A. Köke, A. M. Boonstra

8. Revalidatie en psychiatrie bij patiënten met chronische pijn

Samenvatting
Mensen met chronische pijn hebben vaker psychiatrische problematiek en mensen met psychiatrische problematiek hebben vaker chronische pijn dan mensen in de algemene bevolking. Pijn en beperkingen kunnen psychische klachten veroorzaken en psychiatrische kwetsbaarheid bemoeilijkt het vinden van nieuwe balans in gewijzigde omstandigheden, zoals bij pijn. Psychiatrische problematiek heeft vaak invloed op de beleving van en het omgaan met pijn en verhoogt het risico op een chronisch beloop. Omdat de combinatie van chronische pijn met PTSS veel voorkomt, wordt hieraan speciale aandacht geschonken. Of de behandeling binnen de psychiatrie of binnen de revalidatiegeneeskunde moet worden gezocht, hangt af van behandeldoelen/hulpvraag, de ernst van de somatische klachten en beperkingen, de ernst en stabiliteit van de psychiatrische klachten en het mentaliserend vermogen van de patiënt. Aandacht voor psychische factoren is altijd verweven met de revalidatiebehandeling. Bij ernstige psychiatrische problematiek die revalidatiebehandeling bemoeilijkt, kan het nodig zijn om in eerste instantie een specifieke psychiatrische behandeling te laten plaatsvinden.
C. H. Lunter, A. M. Boonstra

Verbeteren van participatie

Voorwerk

9. Sociale rollen

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt beschreven welke gevolgen chronische pijn kan hebben op iemands sociale rollen. Het hebben van chronische pijn beïnvloedt ook de interactie met anderen. We bespreken de partnerrelatie, gezinsrelaties en relaties met vrienden, zowel vanuit het perspectief van de degene met pijn als van de omgeving en de interactie tussen beiden. Hierbij wordt aandacht besteed aan de verschillende leeftijdsfasen. De patiënt heeft eigen copingstrategieën in relatie tot de pijn en tegelijkertijd ontstaat er met de omgeving een gezamenlijke coping waarin onderlinge gedragingen, gevoelens en gedachten zich ontwikkelen tot een patroon. Als degene met pijn gaat revalideren en geleidelijk anders leert omgaan met de pijn, vraagt dat een flexibiliteit van de omgeving om zich aan te passen zodat er een nieuwe dynamiek in de onderlinge verhoudingen kan ontstaan. Hoe het herstel van sociale rollen verloopt, is afhankelijk van uiteenlopende factoren die we met voorbeelden uit de praktijk behandelen.
J. L. Swaan, M. de Craen

10. Arbeid

Samenvatting
Mensen met chronische pijn hebben een verminderde arbeidsparticipatie. Revalidatie kan een positieve invloed hebben op het arbeidsvermogen en -participatie. In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen ingegaan op de gevolgen van chronische pijn voor arbeidsparticipatie, de evidentie voor revalidatiebehandelingen die zijn gericht op het verbeteren van arbeidsparticipatie, wetenschappelijk uitdagingen en uitgangspunten voor een effectieve behandeling. Specifieke arbeidsgerelateerde onderdelen van de sociale context worden besproken. Relevante wetgeving wordt kort behandeld, waarbij er wordt voornamelijk verwezen naar actuele websites. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijving van ketenpartners.
M. F. Reneman, T. Beemster

11. School

Samenvatting
Pijn heeft veel gevolgen voor het dagelijks leven van de kinderen/jongeren. Ten aanzien van het functioneren op school is bekend dat pijn leidt tot meer schoolverzuim, een lager niveau van presteren en een slechter sociaal functioneren. In dit hoofdstuk wordt een visie gegeven op de behandeling die gericht is op een optimale terugkeer naar school. Hierbij is het van belang om het schoolfunctioneren in brede zin in kaart te brengen en aandacht te hebben voor factoren die mee kunnen spelen bij kind, ouders en school. Adviezen ten aanzien van opbouw en communicatie worden gegeven. De taken en rollen van partners in de keten met betrekking tot de terugkeer naar school worden besproken.
S. C. Remerie, T. Westendorp

12. Vrije tijd en sport

Samenvatting
Bewegen is gezond. Echter, patiënten met chronische pijn ervaren vaak problemen met het uitvoeren van vrijetijdsactiviteiten waaronder sport en bewegen. Mensen vinden vrije tijd belangrijk; het draagt bij aan geluk, helpt stress te verminderen en het vermindert de negatieve beleving van pijn. Bij gezonde personen en bij bepaalde patiënten met chronische pijn heeft bewegen een pijndempend effect, wat wordt verklaard door activatie van het endogene pijndempende systeem. Echter, bij andere patiënten met chronische pijn blijkt dat bewegen juist eerder en meer pijn genereert. Stimuleer mensen met chronische pijn tot een actieve leefstijl met voldoende herstelmomenten. Stem de vorm en de inhoud van deze actieve leefstijl af op de wensen en behoeftes van de patiënt en vermijd verboden ten aanzien van bewegen. Een behandeling op maat is onontbeerlijk, waarbij de nadruk ligt op het (weer) vinden en uitvoeren van de voor de patiënt belangrijke vrijetijdsactiviteiten en het stimuleren van een duurzame actieve levensstijl.
P. de Haan, R. Soer, B. F. Evers

Klinimetrie

Voorwerk

13. Klinimetrie bij volwassenen

Samenvatting
Meetinstrumenten kunnen gebruikt worden om de verschillende biopsychosociale factoren die bijdragen aan het ontstaan of in stand houden van chronische pijn zo goed mogelijk in kaart te brengen. De uitkomsten van meetinstrumenten dragen niet alleen bij aan een goede communicatie tussen patiënt en behandelteam, maar ook aan de communicatie tussen de behandelaars onderling. Impliciete aannames of gedachten worden zichtbaar gemaakt. Dit leidt tot een transparante analyse van het pijnprobleem en maakt keuzes voor een bepaald behandelbeleid inzichtelijk. Er bestaan veel soorten meetinstrumenten die ingezet kunnen worden op het gebied van diagnostiek, het bepalen van een prognose voor wat betreft het behandelsucces en ter evaluatie van behandelresultaten. Bij het kiezen van een meetinstrument is het steeds van belang dat eerst de vraag gesteld wordt wat men wil weten en met welk doel. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op geschikte meetinstrumenten die inzetbaar zijn bij volwassen patiënten met chronische pijn.
A. J. A. Köke, M. F. Reneman, K. M. G. Schreurs

14. Klinimetrie bij kinderen en adolescenten

Samenvatting
Meetinstrumenten kunnen worden gebruikt om de impact van de chronische pijn bij kinderen en jongeren in kaart te brengen, voor het opstellen van een behandelplan en om te beoordelen of de behandeling vooruitgang heeft geboekt. Het beoordelen van de pijnproblematiek vereist een multidimensionale benadering. Naast het in kaart brengen van de pijnintensiteit, wordt er gekeken naar de gevolgen op fysiek, psychisch en sociaal gebied. Voor het meten van de pijnintensiteit bestaan observatiemethoden en zelfrapportage. Fysiek functioneren kan worden getoetst door het meten van de ervaren beperkingen en de mate van lichamelijke activiteit. Emotioneel functioneren is een belangrijke prognostische factor. Bovendien hebben kinderen met chronische pijn meer last van depressieve en angstige gevoelens en negatieve gedachten over de pijn (catastroferen). Al deze aspecten hebben invloed op de manier hoe de jongeren met hun pijnklachten omgaan en uiteindelijk op de kwaliteit van leven. Deze sociale en psychische factoren worden gemeten met behulp van zelfrapportage. In dit hoofdstuk komt het meten van deze verschillende facetten aan bod.
J. Verbunt, J. F. van Hoorn, M. Goossens

Behandelmethoden

Voorwerk

15. Pijneducatie: de eerste stap in de behandeling

Samenvatting
Veel chronische pijnklachten kunnen worden verklaard vanuit aanpassingen binnen ons centrale zenuwstelsel. Deze aanpassingen kunnen leiden tot een toegenomen pijngevoeligheid; centrale sensitisatie. Zoals alle patiënten, zoeken ook patiënten met chronische pijn duidelijkheid over de oorzaak van hun klachten. De pijn kan toenemen door het niet krijgen van een goede uitleg en door het hebben van verkeerde of bedreigende gedachten over pijnklachten. Daarom is pijneducatie, zo wijst onderzoek uit, een belangrijk onderdeel van de behandeling van patiënten met pijn. In dit hoofdstuk wordt de wijze waarop deze educatie kan worden gegeven besproken.
C. P. van Wilgen, S. C. Remerie

16. Graded activity

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt graded activity (GA) als onderdeel van een gedragsgeoriënteerde aanpak bij chronische pijn beschreven. De theoretische achtergrond en wetenschappelijke evidentie worden kort besproken. Aan de hand van een casus wordt de toepassing van de behandelprincipes uitgelegd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een startfase – met anamnese, lichamelijk onderzoek, educatie en basislijnmeting – een behandelfase, gericht op het optimaliseren van het activiteitenpatroon, en de generalisatiefase, gericht op het blijven toepassen in de eigen omgeving. Aandacht voor het lichaamsbewustzijn binnen de aanpak met GA wordt in een aparte paragraaf besproken. Bij het bespreken van GA in de zorgketen bij chronische pijn wordt kort ingegaan op toepassing in een mono- en multidisciplinaire behandelsetting, op het combineren van GA met oefentherapie gericht op het verbeteren van functies van het bewegingsapparaat en op de toepassing van GA in de arbeidsre-integratie.
M. J. Geilen, L. W. Wennemars

17. Exposure in vivo

Samenvatting
Aan pijn gerelateerde angst kan een belangrijke rol spelen in het ontstaan en het blijven bestaan van een chronisch pijnprobleem. ‘Exposure in vivo’-therapie richt zich op het reduceren van deze angst, met als doel de toename van participatie en de afname van ervaren beperkingen. In dit hoofdstuk wordt deze therapievorm uitgebreid besproken. Eerst wordt er ingegaan op de achterliggende theorie, waarna de praktijk aan bod komt aan de hand van drie stappen: (1) afname van de PHODA (photograph series of daily activities), om verwachte schadelijkheid van activiteiten en/of bewegingen in kaart te brengen, alsook om meer inzicht te verkrijgen in catastrofale gedachten en angsten daaromtrent, (2) educatie, waarin er aandacht is voor de neurofysiologie achter pijn en pijngewaarwording, alsook voor het vreesvermijdingsmodel, en (3) Exposure in vivo met gedragsexperimenten, waarbij de patiënt wordt blootgesteld aan situaties die angst oproepen en er gedragsexperimenten worden uitgevoerd om catastrofale cognities uit te dagen. Tot slot worden verscheidene manieren besproken om de behandeling te optimaliseren.
J. de Jong, I. Timmers

18. Acceptance and commitment therapy

Samenvatting
Pijn hoort bij het leven. Wanneer pogingen om pijn te controleren of te bestrijden niet of niet afdoende slagen, maakt dit verdrietig, machteloos en opstandig. Dit leidt op den duur tot meer klachten en beperkingen. Bovendien komen patiënten in hun gevecht met de steeds terugkerende pijn dikwijls niet meer toe aan dat wat het leven voor hen de moeite waard maakt. In acceptance and commitment therapy (ACT) richten patiënten zich hier weer op, stoppen ze het gevecht tegen de pijn en merken dat dit ruimte geeft om te doen waar het in hun leven om draait. ACT is gebaseerd op de relational frame theory (RFT). Dit is een ontwikkeling binnen de psychologische leertheorieën die de verbale vermogens van mensen centraal stelt. In dit hoofdstuk gaan we in op de wetenschappelijke evidentie voor ACT, leggen we het klinische model van ACT uit, illustreren we een aantal oefeningen aan de hand van een casus en geven tips en valkuilen bij de toepassing van ACT.
K. M. G. Schreurs, B. van Baalen, P. H. T. G. Heuts

19. Terugvalpreventie

Samenvatting
Wanneer patiënten na een succesvol doorlopen revalidatie opnieuw beperkingen ervaren en een verminderde participatie, dan spreken we van een terugval. Voor de patiënt lijkt een toename van pijn vaak een trigger, maar als behandelaar vraagt men zich af welke verandering heeft geleid tot een terugval in gedrag zoals vóór de revalidatie. Al tijdens de behandeling is het belangrijk de patiënt voor te bereiden op een mogelijke terugval. Wanneer de patiënt op de hoogte is van factoren die een terugval kunnen veroorzaken, herkent hij deze mogelijk. Een terugvalpreventieplan kan de patiënt helpen informatie uit de behandeling terug te halen, waarmee een terugval in beperkingen en participatie snel kan worden tegengegaan. Bij voorkeur door de patiënt zelf, maar er kan ook naar een terugvalpreventieplan verwezen worden door de huisarts, revalidatiearts of behandelaar (afhankelijk van bij wie de patiënt zich met zijn terugval meldt). Indien de patiënt er niet uitkomt met het vooraf opgestelde terugvalpreventieplan, wordt een analyse gemaakt van de belangrijkste verandering. Op grond daarvan kan een advies worden gedaan: enkele behandelingen ter opfrissing van het geleerde in de eerstelijn wanneer dat mogelijk is, of in de revalidatiesetting indien een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is.
M. den Hollander, B. M. W. Wassink

20. Medicatie

Samenvatting
Dit hoofdstuk heeft tot doel om een overzicht te geven van veelgebruikte geneesmiddelen bij de behandeling van chronische pijn. De inhoud is in de eerste plaats gericht op artsen, maar is ook voor andere behandelaars zinvol, omdat zij te maken krijgen met patiënten die medicatie gebruiken. Invasieve pijnbehandeling blijft buiten beschouwing. In tegenstelling tot de behandeling van acute nociceptieve pijn is er weinig bewijs voor de effectiviteit van medicatie bij chronische pijn, met name op de lange termijn. We maken onderscheid in analgetica en co-analgetica. In de eerste categorie worden paracetamol, NSAID’s, tramadol en opioïden beschreven. Steeds meer onderzoeken tonen vooral de nadelen en gevaren aan van langdurig gebruik van opioïden bij niet-oncologische pijn. Bij de co-analgetica komen antidepressiva aan bod, zoals de tricyclische antidepressiva (TCA’s) en de selective serotonin reuptake inhibitors (SSRI’s) en serotonin and noradrenalin reuptake inhibitors (SNRI’s). Daarnaast behandelen we anti-epileptica (zoals de gabapentoïden) en bespreken we kort enkele andere middelen, zoals ketamine, capsaïcine en cannabis.
J. L. Swaan, M. J. M. M. Giezeman

De organisatie van zorg

Voorwerk

21. Transmurale zorgmodellen: eerste verkenningen

Samenvatting
In de gezondheidszorg zijn veel (peri- en para)medische behandelaars die zich richten op de behandeling van patiënten met chronische pijn. Echter, de zorg is momenteel versnipperd en onvoldoende op elkaar afgestemd, waardoor mogelijk ondoelmatige en ook onnodig dure zorg wordt aangeboden. Dit leidt tot frustratie bij patiënten en hulpverleners. Dit kan worden ondervangen door samen te werken, met als doel de patiënt op de juiste plek de juiste zorg aan te bieden. In de Zorgstandaard chronische pijn wordt richting gegeven aan de visie ten aanzien van pijn en op de inrichting van de zorg om de samenwerking te bevorderen. In de zorgstandaard wordt een ‘stepped care’-model beschreven, waarin de integrale behandeling op maat wordt ingepast op basis van de ernst van de klachten, de mogelijkheden van de patiënt en de ervaringen met eerdere behandelingen. Hierdoor ontstaat een netwerk van zorgverleners betrokken bij patiënten met chronische pijn. In dit hoofdstuk worden voorbeelden van samenwerkingsvormen beschreven. Ook worden knelpunten beschreven die deze samenwerking belemmeren.
I. P. J. Huijnen, D. Keizer, C. M. van Gestel

22. Kwaliteitsbeleid

Samenvatting
Om de kwaliteit van zorg te meten worden indicatoren gebruikt. Dit hoofdstuk gaat over indicatoren voor kwaliteit en over kwaliteitsbeleid voor revalidatiezorg voor patiënten met chronische pijn, zowel vanuit beroepsverenigingen als vanuit patiëntenperspectief. Achtereenvolgens wordt ingegaan op kenmerken van goede indicatoren, soorten indicatoren (proces, structuur, uitkomst) en de werkwijze voor het bepalen van indicatoren. Indicatoren staan niet op zichzelf, maar zijn ingebed in kwaliteitsbeleid. Vanuit de beroepsverenigingen zijn richtlijnen en standaarden die richting geven aan het kwaliteitsbeleid. De visie van de patiënt op kwaliteit van zorg is uiteraard van groot belang; de patiënt staat centraal in de zorg en de mening van de patiënt over de kwaliteit van zorg op het gebied van pijnrevalidatie is dan ook essentieel.
J. A. Verbunt, M. F. Reneman, I. L. Thomassen-Hilgersom

Nawerk

Meer informatie