Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek helpt klinische professionals om het uiterste uit hun psychodiagnostische onderzoeksmateriaal te halen. Het leert ze om de resultaten van persoonlijkheidsdiagnostiek optimaal te integreren en te interpreteren. Daarbij geeft het boek antwoord op vragen als: welke betekenis moet je toekennen aan psychische klachten en symptomen? En hoe kun je de resultaten van persoonlijkheidsdiagnostiek in een individuele context plaatsen? Zo krijgt de psychodiagnosticus een helder beeld van de veerkracht én de kwetsbaarheid van de cliënt.

In Persoonlijkheidsdiagnostiek in de klinische praktijk wordt persoonlijkheidsonderzoek bij cliënten met psychopathologie voor het eerst behandeld uit het perspectief van de psychodiagnosticus zelf. De theoriegestuurde methodische visie en werkwijze worden in dit nieuwe standaardwerk geïllustreerd met casuïstiek, waarbij er ook aandacht is voor de belangrijkste valkuilen. De beslisbomen en stappenplannen ondersteunen de lezer bij zijn dagelijkse diagnostische werkzaamheden.

Het boek is bestemd voor professionals werkzaam in de GGZ, zoals gz-psychologen, psychotherapeuten, klinisch psychologen, psychiaters en zij die daartoe in opleiding zijn.

Wim Snellen is expert op het gebied van de persoonlijkheidsdiagnostiek. Hij werkte ruim veertig jaar als klinisch psycholoog in de psychiatrie en heeft uitgebreide ervaring met het geven van cursussen, supervisie en onderwijs in dit vakgebied.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Betekenis en belang van persoonlijkheidsdiagnostiek

Voor een goede behandeling is het belangrijk de persoonlijkheidskenmerken van een cliënt te bepalen. Zo kun je de klachten en symptomen inbedden in de persoonlijkheidstrekken en -structuur. Het werpt meer licht op de wijze waarop cliënten hun problemen beleven, de manier waarop zij hun frustraties relationeel hanteren en intrapsychisch reguleren. Ook kun je als je een goed beeld hebt van de persoonlijkheidskenmerken beter voorspellen hoe de cliënt zal reageren op specifieke behandelinterventies. Voor zo’n geïndividualiseerde benaderingswijze van het psychodiagnostisch materiaal is een combinatie van zelfrapportagemethoden en indirecte/impliciete meetmethoden nodig, om de draagkracht ook op diepliggender en dus minder zichtbare niveaus te kunnen bepalen. Dit hoofdstuk behandelt een interpretatiekader en bakent het gebied van de persoonlijkheidsdiagnostiek af. Een multimodelmatige benadering maakt het functioneren binnen de verschillende componenten en domeinen waaruit de psychische structuur is opgebouwd inzichtelijk. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving hiervan.
W. M. Snellen

2. Voorwaarden voor en inhoud van adequate persoonlijkheidsdiagnostiek

De dynamische theoriegestuurde persoonlijkheidsdiagnostiek gebruikt theoretische en klinische concepten uit diverse persoonlijkheidsmodellen. Door ze samen te gebruiken, is het mogelijk een geïntegreerde visie te vormen van iemands specifieke persoonlijkheidspathologie en de manier waarop een cliënt in staat is negatieve emoties te reguleren. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste persoonlijkheidskenmerken, dimensies en structuren uit de persoonlijkheidsmodellen die een diagnosticus kan inzetten. Op basis van beschrijvingen van de hiërarchisch geordende domeinen van persoonlijkheidsfunctioneren – zoals structurele psychische kwetsbaarheid, problematische traits, ontwikkelingsfactoren, copingmechanismen, zelfbeeld en psychische symptomen van een cliënt – ontstaat een individueel persoonlijkheidsprofiel. Voor een goede beschrijvende klinische diagnose moeten de kenmerken van fundamentele basiseigenschappen (traits) en uiteenlopende dynamische entiteiten zowel onderscheiden als geïntegreerd worden. Dit hoofdstuk besteedt aandacht aan de samenhang tussen deze pathologische domeinen en de adaptieve vermogens in het persoonlijkheidsfunctioneren. Deze samenhang geeft een visie waarmee de diagnosticus de resultaten op de diverse persoonlijkheidsinstrumenten kan interpreteren.
W. M. Snellen

3. Individuele uitkomsten en interpretatiestrategieën

De dynamische theoriegestuurde persoonlijkheidsdiagnostiek kenmerkt zich door verschillende klinische instrumenten te gebruiken en betekenis toe te kennen aan de relaties tussen de bijbehorende onderzoeksresultaten. Deze werkwijze vertaalt de testuitslagen naar een gedifferentieerde en voor de praktijk belangrijke klinische visie. Het doel van persoonlijkheidsdiagnostiek is de interacties tussen de domeinen – traits, vroege en latere persoonlijkheidsontwikkeling, toestandsbeeld, mogelijke disfuncties en klachten – zichtbaar te maken in het onderzoeksmateriaal. Maar hoe doe je dat? Dit hoofdstuk beschrijft de (gehypothetiseerde) relaties tussen persoonlijkheidstrekken, -structuren en -dynamiek en uitslagen op diverse diagnostische methoden en technieken. Dat geldt ook voor de problemen die men hierbij in de klinische praktijk als diagnosticus kan tegenkomen. Zo hebben ogenschijnlijk kleine nuances in de uitkomsten soms onevenredig grote consequenties voor beschrijvende diagnoses. Met de geëxpliciteerde theoriegestuurde interpretatiesystematiek is het mogelijk de waargenomen onderzoeksresultaten van betekenis te voorzien. Zij biedt een context waarbinnen de diagnosticus de verschillende uitkomsten kan beoordelen.
W. M. Snellen

4. Theoriegestuurde interpretatie van persoonlijkheidsvragenlijsten

Om diverse persoonlijkheidsdomeinen in kaart te brengen, is het noodzakelijk meerdere diagnostische methoden en technieken tegelijkertijd in te zetten. Hiertoe behoren ook persoonlijkheidsvragenlijsten. Dit geldt vooral voor de MMPI-2 die als bottom-up geconstrueerde vragenlijst veel voordelen biedt voor de functionele diagnostiek. In de klinische praktijk is het wezenlijk dat de diagnosticus onderscheid maakt tussen de handleidingbeschrijvingen en de betekenissen die de theoriegestuurde interpretatiewerkwijze aan de uitkomsten van de scoreprofielen toekent. Zo kan de constructvaliditeit worden verruimd. Alleen dan kan de onderzoeker conclusies trekken ten aanzien van structurele aspecten van het persoonlijkheidsfunctioneren. Maar hoe pas je een multimodelmatige interpretatiestrategie toe? Dat wordt in dit hoofdstuk voor de klinische toepassing van met name de MMPI-2 , als meest gebruikte algemene psychopathologiescreener, uitgelegd. De vraag is hoe de voornaamste basistraits zichtbaar gemaakt kunnen worden in de klinische schalen. Een andere vraag is hoe combinaties van scores hierop verwijzen naar coverte structuren en eigenschappen.
W. M. Snellen

5. Aanvullende schalen persoonlijkheidsvragenlijst MMPI-2

De aanvullende schalen van de MMPI-2 helpen de diagnosticus de interpretaties te verfijnen en te verdiepen. In dit hoofdstuk staat een uiteenzetting van de diverse scoreconfiguraties van de validiteits-, sub-, inhouds- en een aantal supplementaire schalen. Met name van belang is de presentatie van nieuwe inzichten hierin. Klinische evidentie heeft hieraan de grootste bijdrage geleverd. Dit brengt een forse verhoging van de klinisch toegevoegde waarde van de MMPI-2 met zich mee.
W. M. Snellen

6. Opvallende uitkomsten op persoonlijkheidsvragenlijsten

De grootste uitdaging voor een diagnosticus is een rode draad te rijgen door de diverse uitkomsten op de persoonlijkheidsvragenlijsten. Welke volgorde in het interpretatieproces kan het beste worden aangehouden en waarop moet worden gelet bij het aaneensmeden van de uitkomsten? Wat te doen wanneer scorecombinaties binnen of tussen instrumenten inconsistent zijn samengesteld? Zicht hierop bevordert een geïndividualiseerde visie op de draagkracht, coping en aangrijpingspunt voor behandeling. Voor de diagnosticus is de beoordeling van interacties tussen traits, ontwikkelings- en situatieve factoren essentieel voor een goed begrip van het klinische beeld. Aan de hand van een DTP-interpretatiemethode van de onderzoeksresultaten kan de diagnosticus proberen hypotheses op te stellen over het relatieve aandeel van ieder domein in het klinische beeld. In dit hoofdstuk zal deze werkwijze nader toegelicht worden voor met name het onderkennen van state-invloeden in het diagnostisch materiaal.
W. M. Snellen

7. Projectieve technieken

De inzet van projectieve methoden en technieken is langere tijd van ondergeschikt belang bevonden. Bij juist gebruik kan projectief materiaal in een persoonlijkheidsonderzoek de diagnosticus echter van een rijkdom aan gegevens voor de klinische praktijk voorzien, die anders onderbelicht zou blijven. Voor goede persoonlijkheidsdiagnostiek dient de diagnosticus de verbale narratieven en geschreven aanvullingen van de cliënt zelf niet alleen op hun inhoud maar vooral op hun formele en procesmatige kenmerken te analyseren. De onderzoeker kan hiermee conclusies uit de persoonlijkheidsvragenlijsten ondersteunen, aanvullen en verdiepen. Ook maakt deze werkwijze wetenschappelijk onderzoek mogelijk. Om het projectief materiaal goed te kunnen gebruiken is het noodzakelijk dat de beoordelaar de letterlijk weergegeven responsen minutieus analyseert. Deze analyse heeft ook als voordeel dat deze de kwaliteit van objectrelaties kan bepalen. De verdiepende waarde voor persoonlijkheidsdiagnostiek zal in dit hoofdstuk aan de hand van de meest toegepaste projectieve methoden, de TAT en de ZAT, worden toegelicht.
W. M. Snellen

8. Het klinisch interview in de persoonlijkheidsdiagnostiek

Naast projectieve technieken en vragenlijsten, is het voor de diagnosticus raadzaam het klinisch interview in te zetten in de persoonlijkheidsdiagnostiek. Tijdens de interviews toetst de diagnosticus niet alleen de vermogens van de cliënt om confrontaties te verdragen, maar ook hoe het niveau van psychisch functioneren zich houdt onder druk. Hoe gaat dat in zijn werk en waar moet je op letten bij de praktische uitvoering? Dit hoofdstuk behandelt het structurele interview en hoe de diagnosticus goede voorwaarden voor een optimaal proces hiervoor creëert. Ook komen de niet-onaanzienlijke moeilijkheden die de diagnosticus hierbij kan ondervinden aan de orde. Om de diagnosticus te helpen bij een goede praktische uitvoering ervan zijn in dit hoofdstuk tips en praktische voorbeelden opgenomen. Bijzondere aandacht is er voor het reguleren van het spanningsniveau tijdens het interviewproces en hoe de diagnosticus voorkomt te worden ingezogen in de interactiepatronen met de cliënt.
W. M. Snellen

9. Inconsistente en problematische resultaten bij persoonlijkheidsonderzoek

Bij persoonlijkheidsonderzoek lukt het de diagnosticus in de alledaagse praktijk vaak niet goed om de uitkomsten tussen en binnen de verschillende methoden en technieken goed op elkaar af te stemmen. De resultaten kunnen bijvoorbeeld inconsistent zijn, elkaar tegenspreken en allerlei hybride, atypische schommelingen vertonen. Het is al lastig om deze inconsistenties te onderkennen en op waarde te schatten, laat staan er de juiste conclusies aan te verbinden. De manier waarop de verschillende uitkomsten op de diverse toegepaste methoden en technieken worden gewogen, is essentieel voor de DTP-interpretatiewerkwijze. Wat telt het meest en waarom? Meestal wijzen atypische uitslagen op complicerende persoonlijkheidseigenschappen die het klinisch beeld doorkruisen. Dit hoofdstuk presenteert een stappenplan ter ondersteuning bij het interpreteren van de diverse instrumenten. Dit hulpmiddel biedt de diagnosticus houvast voor het opstellen van hypotheses over de betekenis van inconsistente resultaten.
W. M. Snellen

10. Casushoofdstuk

Dit hoofdstuk behandelt vier boeiende en complexe casussen die een klinisch diagnosticus in de praktijk van alledag kan tegenkomen. Per casus worden de verschillende stappen in het interpretatieproces van de diagnosticus besproken. Simpele persoonlijkheidsdiagnostiek bestaat niet. Al bij afname van slechts enkele tests zijn zoveel combinaties van scores op de dimensies en schalen mogelijk dat er steeds een uniek patroon ontstaat. Uiteindelijk ontvouwt zich voor de diagnosticus een geïndividualiseerd persoonlijkheidsprofiel met een gedetailleerd en genuanceerd zicht op het psychisch en persoonlijkheidsfunctioneren van de cliënt binnen verschillende domeinen en levensgebieden. Bijna als vanzelf volgt dan voor de clinicus een mening over aard en intensiteit van de te indiceren interventies op de interface van diagnostiek en behandeling.
W. M. Snellen

11. Teruggave en indicatiestelling

Wanneer de diagnosticus het plaatje van de persoonlijkheid rond heeft, volgt de terugkoppeling van de resultaten aan de cliënt en de behandelaar/verwijzer. In het hoofdstuk is een lijst van praktische aanbevelingen (do’s en dont’s) opgenomen die een goed terugkoppelingsproces bevorderen. Het voeren van een teruggavegesprek vergt namelijk aparte vaardigheden. Tijdens het teruggavegesprek komt vaak veel naar voren van de in het onderzoeksverslag beschreven dynamiek in het directe contact tussen de diagnosticus en de cliënt. Hierna is tot slot zowel de indicatiestelling voor behandeling als het indicatiestellingsproces zelf onderwerp van aandacht. Psychodiagnostisch onderzoek levert zicht op allerlei gunstige en behandelcomplicerende factoren die belangrijk zijn voor de vaststelling van het behandelbeleid. Het helpt het juiste niveau te bepalen waarop behandelinterventies het beste kunnen aangrijpen. Uitwerking hiervan vindt plaats aan het einde van dit hoofdstuk.
W. M. Snellen

Nawerk

Meer informatie