Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Het Handboek Stem-Spraak-Taalpathologie verscheen tussen 1997 en 2007 gefaseerd in losse afleveringen. Daarin werd alle kennis op het gebied van de stem-, spraak- en taalpathologie vanuit verschillende disciplines samengebracht. Het Handboek is bestemd voor iedereen die klinisch-praktisch of meer theoretisch is geïnteresseerd, of vanuit een ander vakgebied hiermee in aanraking komt. Voor logopedisten, artsen, linguïsten, spraak- en taalpathologen, audiologen, pedagogen en psychologen in Nederland en België is het Handboek een onmisbare vraagbaak.

Deel 13 is geheel gewijd aan Perifere articulatiestoornissen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Fonetische articulatiestoornissen

juni 2001
Sprekers van een taal maken gebruik van een set van klanken om te kunnen communiceren. Het Nederlands kent ongeveer 35 verschillende klanken. Bij de verwerving van de moedertaalleert een kind elk van die klanken in de loop der tijd correct produceren. Bovendien leert het deze klanken ook combineren tot betekenisvolle syllaben en woorden. Sommige kinderen blijken echter problemen te ondervinden bij het correct leren produceren en/of gebruiken van de moedertaalklanken. Dergelijke problemen bij de verwerving van spraakklanken noemt men heel algemeen articulatiestoornissen.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

De orthodontische behandeling van schisispatiënten

oktober 2006
In dit katern over de orthodontische behandeling van schisispatiënten worden, na een inleidende paragraaf over schisisteams in het algemeen (par. 2), in chronologische volgorde de verschillende vormen van orthodontische behandeling besproken (par. 3.1 t/m 3.5), die in afzonderlijke leeftijdsfasen bij schisispatiënten kunnen plaatsvinden. Bovendien wordt gewezen op de interactie van de orthodontische problematiek met de logopedische vraagstellingen. Voor meer algemene informatie over ontwikkeling en groei van schedel, gelaat en gebit wordt verwezen naar katern A4.1 in dit Handboek.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Craniofaciale afwijkingen en articulatiestoornissen

oktober 2006
Kinderen met een gespleten lip en verhemelte kunnen resonantie-, articulatie-, stem- en taalstoornissen vertonen met mogelijk een belangrijke impact op de algemene spraakverstaanbaarheid. Articulatie blijkt, meer dan resonantie, een directe invloed te hebben op de algemene spraakverstaanbaarheid (De Bodt e.a., 2002). Prevalentiecijfers betreffende de aanwezigheid van articulatiestoornissen bij kinderen met schisis zijn schaars en zijn met grote voorzichtigheid te interpreteren, gezien de diversiteit aan methodologische concepten. Tabel 1 toont het percentage articulatiestoornissen bij kinderen en adolescenten met schisis.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Spraakverwerving van baby’s en peuters met een schisis

mei 2003
Schisis is een aangeboren afwijking die in Nederland jaarlijks bij ongeveer 350 baby's voorkomt. Er zijn drie hoofdvormen van schisis: een lip- en of kaakspleet, een complete spleet in lip, kaak en gehemelte, of een geïsoleerde gehemeltespleet. Kinderen die met een complete spleet of met een geïsoleerde gehemeltespleet worden geboren, hebben vaker spraak- en taalproblemen dan kinderen met alleen een lip- of kaakspleet. In de eerste drie jaar van het leven van een kind wordt de basis gelegd voor de spraak- en taalvaardigheid. In dit hoofdstuk wordt de spraakverwerving van baby's en peuters met een schisis vanaf hun geboorte tot hun derde jaar besproken aan de hand van gegevens uit internationale literatuur en wetenschappelijke bevindingen uit eigen werk. Tevens wordt ingegaan op de problemen die kinderen met een schisis kunnen ondervinden bij de spraak- en taalontwikkeling en worden er aandachtspunten in de hulpverlening genoemd.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Aangeboren afwijkingen van het spraakorgaan

maart 2002
Het spraakorgaan wordt onderverdeeld in drie verschillende systemen: a het articulatorisch systeem, b het fonatiesysteem en c het respiratoir systeem. Het articulatorische systeem omvat de mond- en keelholte; met het fonatiesysteem worden hoofdzakelijk de stembanden en larynx bedoeld; het respiratoir systeem verwijst naar de respiratoire tractus distaal van de larynx.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Schisis en veluminsufficiëntie – anatomische aspecten

december 2004
Een schisis is een splijting van de lip, de kaak of het gehemelte of een combinatie hiervan. Er bestaat een grote variatie in de verschijningsvorm. De afwijking kan beperkt zijn tot een kleine indeuking in het lippenrood en zo uitgebreid zijn dat de spleet, enkel- of dubbelzijdig, loopt van lip tot huig. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 400 kinderen geboren met schisis (Spauwen, 2000; hoofdstuk A4.1 in dit handboek). Een spleet in het gehemelte heeft tot gevolg dat er geen organische scheiding kan worden aangebracht tussen mond en mondkeelholte (oropharynx) en neus en neuskeelholte (nasopharynx); dit heeft vrijwel altijd een nadelig gevolg op de spraak. Hierover gaat het in dit hoofdstuk. Velofaryngeale afsluiting is ook nodig voor het verwerken van voedsel (slikken), stemgeven, ademen en tevens voor blazen en fluiten en tot op zekere hoogte ook voor de beluchting van het middenoor (Spauwen e.a., 1987; Conley e.a., 1997).
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

De invloed van ingrepen aan de spraakorganen op het spreken

maart 2000
Organische afwijkingen van de spraakorganen leiden vaak tot gestoorde spraak, maar meestal zijn deze stoornissen wisselend in ernst. Infecties van het gebit bijvoorbeeld kunnen bij het spreken hinderlijk zijn. Een peritonsillair abces kan trismus veroorzaken. Deze is vaak zo hevig dat de articulatie zo kaakgeklemd is dat er geen verstaanbare spraak geproduceerd wordt. Keelpijn kan de articulatie bemoeilijken. Bovengenoemde ziektebeelden zijn in de Westerse wereld meestal van korte duur omdat er goede therapie voorhanden is. Ernstiger zijn aandoeningen die een blijvende beschadiging van de spraakorganen veroorzaken. Verlammingen van spieren in de mond–keelholte door beschadiging van zenuwen zijn hiervan een voorbeeld. Zo kan bij oorontsteking de nervus facialis aangetast worden, deze zenuw innerveert de mimische spieren in het gezicht en een deel van de spieren in de mond–keelholte.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Bepalende factoren voor articulatieontwikkeling

maart 2006
Articulatie betreft het sluitstuk van het spreekproces, het spreken dankzij de spraakmotoriek. Na de ideeformatie, het ophalen van woorden uit het lexicon, het formuleren ervan in een adequate grammatica en fonologie, wordt de taal omgezet in een fonetisch plan en worden de articulatieorganen aangestuurd (Levelt, 1989). De spraakmotoriek behoort tot de meest complexe motorische activiteiten van het menselijk lichaam. De Nederlandse taal kent veertig verschillende spraakklanken. Er zijn ongeveer honderd spieren nodig om te spreken en een spreker die vloeiend spreekt, uit ongeveer vijftien spraakklanken per seconde.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Syndromen met kenmerken op het vlak van spraak en taal

oktober 2006
Spraak- en taalproblemen bij kinderen kunnen deel uitmaken van een syndromenbeeld. Maar ze kunnen ook gepaard gaan met andere symptomen, die al dan niet een genetische basis hebben. In dat laatste geval ligt de oorzaak in een afwijking van een gen, in niet-genetische factoren (exogeen; milieu) of in een combinatie van beide. Het onderzoek naar de oorzaak van spraak- en taalstoornissen verloopt langzaam door zijn ingewikkeldheid (Beemer, 2006). Het is belangrijk om deze syndromen te (onder)kennen. Een deel van een chromosoom kan ontbreken of zich juist verdubbelen (Lichtenbelt e.a., 2005). Een gen kan muteren of er is een speciale chromosomale afwijking. Dankzij moleculaire cytogenetica kan chromosoomonderzoek worden uitgevoerd. Ook moleculair-biologisch (dna-) en stofwisselingsonderzoek wordt toegepast om een syndroom vast te stellen.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Afwijkingen in de ontwikkeling van de ‘spreek’bewegingen

augustus 2005
In katern A6.4 van dit handboek, Spraakontwikkeling in het eerste levensjaar, is een beschrijving gegeven van de ontwikkeling van de spraakproductie van de baby in zijn eerste levensjaar. Het betrof theoretisch een systeem van communicatieve uitwisselingen in allerhande lichaamsbewegingen, waarbij de ontwikkeling van ‘spreek’bewegingen op het vlak van de ademhaling, stemgeving (fonatie) en articulatie in zes fasen nauwkeurig beschreven wordt (Koopmans-van Beinum & Van der Stelt, 1986). Deze fasering in perioden met specifieke kenmerken kan gebruikt worden om baby’s met medische problemen of met een verhoogd risico op spraak- en taalproblemen op spraak te beoordelen. Ouders of verzorgers kunnen dan tijdig geadviseerd of getraind worden.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Diagnostiek van perifere articulatiestoornissen

juli 2006
Een logopedisch onderzoek bij kinderen met uitspraakproblemen zal beginnen met het verkrijgen van een algemene indruk door de (logopedist) onderzoeker via luisteren en kijken naar de cliënt. Aan de hand daarvan ontstaat een hypothese die leidt tot verder onderzoek. Vaak zal de hypothese perifere articulatiestoornis in eerste instantie geverifieerd worden door een klankinventarisatie aan de hand van een test met drie te onderzoeken aspecten van articulatie. Hierbij kan gekeken worden welke klanken er geproduceerd kunnen worden (eventueel als losse klank en in een woord), welke klanken niet gemaakt worden en welke klanken op een afwijkende manier worden gemaakt. Daarbij is het ook van belang te letten op de compensatiemogelijkheden bij het maken van klanken. Het Utrechts Articulatie Onderzoek (Peddemors, 1977) is een bekende driepositietest. In de loop der jaren zijn er vergelijkbare onderzoeken uitgegeven, bijvoorbeeld het onderzoek bij logo-art, (Baarda, 2001), die alle uitgaan van een inventarisatie van de spraakklanken van het Nederlands. Het noteren van de mogelijkheden om plaats, wijze en stemhebbendheid te realiseren ondersteunt de uiteindelijke diagnostiek (zie ook Rietveld, 2000: tabel 5 en 6).
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Diagnostiek en behandeling van vroegespreekbewegingen bij baby’s en peuters

november 2005
In katern B3.2.2 zijn groepen kinderen besproken met al op heel jonge leeftijd een verhoogd risico voor spraakafwijkingen (zie ook katern B8.4.2.2).
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Behandeling van articulatieproblemen bij schisis en craniofaciale afwijkingen met schisis

december 2006
De behandeling van de afwijkende spraak van kinderen met schisis is geen eenvoudige zaak. De mate en ernst van de schisis zijn bepalende factoren, maar ook het feit of er sprake is van nevenproblematiek. Een schisis kan deel uitmaken van een veelheid aan syndromale afwijkingen. In dit geval is er een verscheidenheid aan symptomen, ook op het gebied van de spraak. Ook zonder de zichtbare manifestatie van een gehemeltespleet, kan de spraakvorming klinken alsof er een schisis aanwezig is. Juist deze mengproblematiek stelt bijzondere eisen aan de behandeling. Niet alleen de diagnostiek maar ook de behandeling moet in samenspraak met de deskundigen in het schisisteam worden uitgevoerd.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Behandeling van perifere articulatiestoornissen

december 2006
Perifere articulatiestoornissen zijn spraakstoornissen die niet neurologisch en evenmin organisch verklaard kunnen worden. De perifere articulatiestoornissen worden veroorzaakt door functionele problemen in de spraakwaarneming (auditief, visueel, oraal tactiel-kinesthetisch, multisensorieel) en door een (dientengevolge) afwijkende spraakmotoriek. Deze articulatiestoornissen moeten worden onderscheiden van fonologische problemen, waardoor een kind ook uitspraakfouten maakt. Het gebruik van termen als fonetische en fonologische articulatiestoornissen om articulatiestoornissen in te delen is een onterechte, wetenschappelijk niet juiste, benadering.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers

Stomatologische en kaakchirurgische ingrepen en effecten op de spraak

juli 2006
Stomatologische en kaakchirurgische ingrepen kunnen (vrijwel altijd) gerekend worden tot de reconstructieve/esthetische heelkunde, aangezien ze als doel hebben de verhoudingen in het faciale massief te herstellen of te veranderen. Uitzondering hierop vormt de behandeling van tandziekten (extreme cariës/abcessen en dergelijke) waarvoor soms (totale) extracties nodig zijn.
H.F.M. Peters, R. Bastiaanse, J. Van Borsel, K. Jansonius-Schultheiss, Sj. Van der Meulen, B.J.E. Mondelaers
Meer informatie