Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit is het eerste naslagwerk dat op een overzichtelijke manier aspecten die belangrijk zijn in de zorg aan patiënten met hartfalen beschrijft. Naast het beschrijven van de zorg, worden onderliggende oorzaken en behandelingsmogelijkheden van hartfalen op een toegankelijke manier beschreven. Het boek geeft veel praktische handvatten voor de dagelijkse praktijk.

Chronisch hartfalen is een groot gezondheidsprobleem, met een grote impact op het leven van de patiënt en zijn of haar omgeving. De levensverwachting van de patiënt met hartfalen is beperkt en de aandoening brengt een aantal voorschriften en leefregels met zich mee.

Verpleegkundigen kunnen in toenemende mate te maken krijgen met patiënten met hartfalen en een goede bron waarin ‘evidence based’ zorg is samengevat is daarom onmisbaar.

Bij de diagnostiek, behandeling en zorg rondom de patiënt met hartfalen zijn diverse professionals betrokken. De inzichten van deze verschillende professionals zijn in dit boek samengebracht.

In deze tweede druk is een hoofdstuk over palliatieve zorg en de rol van de mantelzorger toegevoegd. Daarnaast zijn verpleegkundige en medische inzichten geactualiseerd naar de meest recente richtlijnen.

Zorg rondom hartfalen is primair bestemd voor gespecialiseerde hartfalenverpleegkundigen, verpleegkundigen (intra-, extra- en transmuraal), verpleegkundig specialisten en praktijkverpleegkundigen. Daarnaast is het boek ook voor medici en paramedici een interessant naslagwerk.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding: definitie en epidemiologie

Hartfalen komt bij 1–2 % van de algehele bevolking voor. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd en ligt beduidend hoger bij risicogroepen zoals patiënten met diabetes mellitus type 2 en chronisch obstructief longlijden (COPD). De incidentie van hartfalen neemt sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw toe, waarbij het laatste decennium het aandeel van hartfalen met verminderde ejectiefractie wat is gedaald en dat van hartfalen met behouden ejectiefractie is gestegen. De belangrijkste risicofactoren voor hartfalen zijn hypertensie en coronaire hartziekte (weer beïnvloed door traditionele risicofactoren als roken, overgewicht, hypercholesterolemie en diabetes mellitus). Daarnaast kunnen klepvitia, cardiomyopathieën, congenitale hartziekte, aritmieën (vooral atriumfibrilleren), pericardiale ziekten, myocarditis, pulmonale ziekten zoals COPD, nierfalen en cardiotoxische stoffen zoals alcohol hartfalen veroorzaken.
Frans Rutten

2. Etiologie en pathofysiologie van hartfalen

In dit hoofdstuk worden de verschillende oorzaken en de pathofysiologie van hartfalen besproken. De oorzaken van hartfalen worden ingedeeld in zes categorieën. Hartfalen kan zich daarbij voordoen in twee vormen: met behouden linkerventrikelejectiefractie (LVEF), of met een verminderde LVEF (HFpEF/HFrEF). Bij beschadiging van de hartspier, door wat voor oorzaak dan ook, treedt er een aantal compensatiemechanismen op waarbij het neurohormonale systeem een belangrijke rol speelt. Een deel van deze mechanismen beschermt het hart tegen verdere beschadiging, maar het grootste deel, waaronder het sympathische en parasympathische zenuwstelsel en het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS), leidt uiteindelijk tot verdere achteruitgang van de hartspierfunctie en heeft daarbij een negatief effect op het gehele lichaam. Tevens leiden deze negatief uitpakkende compensatiemechanismen tot de lichamelijke symptomen waarmee hartfalen gepaard gaat. Daarnaast spelen er nog factoren mee die hun effect direct uitoefenen op de omgevende cellen, zogenoemde para- en autocriene effecten. Deze mechanismen zullen in dit hoofdstuk uitgebreid besproken worden.
Carolien Lucas

3. Diagnostiek van chronisch hartfalen

Bij kortademigheid, moeheid/verminderde inspanningstolerantie en enkeloedeem moet men denken aan de mogelijkheid van hartfalen. Een doorgemaakt myocardinfarct in het verleden, andere manifestaties van ischemische hart- of vaatziekte, hypertensie, diabetes mellitus, hartkleplijden, atriumfibrilleren, COPD en obesitas zijn belangrijke oorzaken. Tekenen van overvulling zoals crepiteren over de longen, uitgezette halsvenen en enkeloedeem, naast een heffende of verbrede ictus cordis in linkerzijligging, maken de diagnose hartfalen waarschijnlijker. Aanvullend elektrocardiografie en bepaling van het natriuretisch peptide ondersteunen de diagnostiek. Met behulp van echocardiografie kan vervolgens de diagnose zeker worden gesteld en kan ook onderscheid worden gemaakt in hartfalen met verminderde of behouden ejectiefractie. Vooral elektrocardiografie en het echocardiogram zijn nuttig om de eventuele oorzaak van het hartfalen te achterhalen. In individuele gevallen is hiervoor soms nog aanvullend onderzoek nodig.
Frans Rutten

4. Medicatie bij hartfalen

Hartfalen is in de meeste gevallen een chronische aandoening, met acute exacerbaties, een hoge ziektelast en een groot risico op vroegtijdig overlijden. Wanneer er geen specifieke, corrigeerbare afwijkingen zijn, bestaat de standaardbehandeling uit leefregels en medicatie. De laatste decennia is er grote vooruitgang geboekt op het gebied van de medicamenteuze behandeling geënt op beïnvloeding van het neurohormonale systeem. Door optimaal ingestelde medicatie kunnen de ernst van de klachten, de kwaliteit van leven en de levensverwachting van vele hartfalenpatiënten aanmerkelijk verbeteren. Tevens kan het aantal ziekenhuisopnames van patiënten met gedecompenseerd hartfalen afnemen. De standaardmedicatie van chronisch (symptomatisch) systolisch hartfalen omvat diuretica, angiotensine-converterend enzymremmers (angiotensine-II- of AII-receptorblokkers), bètablokkers en aldosteronantagonisten (ook mineralocorticoïden-antagonisten of MRA’s genoemd), en op indicatie digoxine, vaatverwijders, ivabradine en antistolling. In dit hoofdstuk worden de huidige inzichten beschreven en worden abidviezen gegeven voor een optimale medicamenteuze behandeling van patiënten met hartfalen.
Gerard Linssen

5. Implanteerbare devices bij hartfalen

Veel oorzaken van hartfalen, zoals coronairlijden en kleplijden, kunnen causaal invasief behandeld worden. Ook als hartfalen chronisch is geworden zijn er nog steeds mogelijkheden tot invasieve behandeling. Deze interventies kunnen ook gericht zijn op ritme- of hemodynamische diagnostiek en op ondersteuning van de medicamenteuze behandeling. Een implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) wordt toegepast bij een groot deel van de patiënten met chronisch systolisch hartfalen, vooral ter secundaire preventie na een levensbedreigende ritmestoornis, maar toenemend ook ter primaire preventie van plotse hartdood. De diagnostische mogelijkheden van deze devices (bijvoorbeeld telemonitoring) kunnen ook bijdragen aan de dagelijkse zorg. Implanteerbare devices zoals biventriculaire pacemakers kunnen daarnaast symptomen van hartfalen verbeteren en zelfs een positieve invloed hebben op de ziekte zelf. Er is uitgebreid onderzoek gaande naar ondersteuning van de medicamenteuze behandeling van systolisch hartfalen met nieuwe methoden zoals neurostimulatie. De beperkte mogelijkheden voor medicamenteuze behandeling van diastolisch hartfalen maken ook dit een gebied van actief onderzoek naar technische mogelijkheden. Het gebrek aan donoren voor harttransplantatie heeft geleid tot een uitbreiding van de toepassing van left ventricular assist devices (LVAD’s) bij patiënten met terminaal hartfalen, als een bridge-to-transplant maar mogelijk ook als definitieve behandeling.
Alexander Maass

6. Verpleegproblemen en verpleegkundige interventies bij patiënten met hartfalen

Patiënten met hartfalen worden geconfronteerd met veel problemen die te maken hebben met de ziekte of met de gevolgen van de ziekte. Verpleegkundigen kunnen patiënten vaak ondersteunen en hulp bieden bij die problemen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van belangrijke verpleegproblemen bij patiënten met hartfalen, waarbij gebruik is gemaakt van de indeling volgens de elf gezondheidspatronen van Gordon. Het gaat daarbij om veelvoorkomende verpleegproblemen die (direct of indirect) gerelateerd zijn aan het hartfalen. Algemene verpleegproblemen die wel kunnen voorkomen bij patiënten met hartfalen maar geen directe relatie hebben met het hartfalen, zijn niet opgenomen in dit overzicht en zijn te vinden in algemene verpleegkunde boeken.
Per verpleegprobleem worden definitie, etiologie, symptomen en doelen van verpleegkundige zorg beschreven. Tevens worden verpleegkundige interventies besproken, waarbij zo mogelijk gebruik is gemaakt van wetenschappelijke literatuur.
Martje van der Wal, Tiny Jaarsma

7. Patiëntenvoorlichting

Patiënten met hartfalen moeten vaak veel dingen doen en laten om hun ziekte onder controle te houden, zoals medicijnen slikken, gezond eten en niet roken. In de voorlichting moeten patiënten niet alleen goede instructie en ondersteuning krijgen voor een juist medicijngebruik, maar ook voor het realiseren van een gezonde leefstijl. Dit hoofdstuk geeft inzicht in de verschillende factoren die een rol kunnen spelen bij een succesvolle verandering van (leefstijl)gedrag, gebaseerd op inzichten uit wetenschappelijk onderzoek. Deze factoren worden uitgelegd aan de hand van het I-Change Model, dat drie belangrijke fasen onderscheidt in het proces van gedragsverandering: bewustzijn, motivatie en actie. Het tweede deel van het hoofdstuk biedt de verpleegkundige handvatten voor het geven van voorlichting over deze factoren met gebruik van specifieke healthcounselingtechnieken.
Hein de Vries, Ciska Hoving

8. Voedingsaspecten bij hartfalen

Bij de behandeling van hartfalen zijn naast medicamenteuze therapie ook diverse leefregels onderdeel van de behandeling. In de dieetbehandeling staan natrium- en vochtbeperking centraal, waarbij een dieetadvies op maat belangrijk is. De patiënt en zijn omgeving hebben na het stellen van de diagnose veel vragen. De praktische uitvoering van het dieet is complex en is ingrijpend voor het dagelijks leven van de patiënt. Daarnaast is er vaak sprake van comorbiditeit waarvoor verdere aanpassing van het dieet nodig is. Ongewenst gewichtsverlies komt veel voor; het tijdig onderkennen en behandelen hiervan is belangrijk. Het laatste stadium van hartfalen gaat vaak gepaard met cardiale cachexie. Cachexie wordt gekarakteriseerd door een progressief verlies van skeletspiermassa (met of zonder verlies van vetmassa). Een belangrijk onderdeel van de begeleiding van hartfalenpatiënten is voeding in de (pre)terminale fase. Het dieetadvies is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven en het voorkomen of verlichten van lijden.
In dit hoofdstuk komen alle bovenstaande aspecten van voeding en begeleiding door de diëtist aan de orde.
Irma Oosterhof, Ay Lien Gho

9. Bewegen en chronisch hartfalen

Hartfalen is niet te genezen. Hoe lang iemand met hartfalen in leven blijft, hangt mede af van zijn lichamelijke conditie. Hartfalenpatiënten met een goede conditie leven gemiddeld langer dan hartfalenpatiënten met een slechte conditie. Daarom is training om de lichamelijke conditie te verbeteren een belangrijk onderdeel van de behandeling van hartfalen. Het is nog niet duidelijk welke vorm van training het meeste effect heeft, maar de fysieke doelen kunnen het best worden bereikt door aerobe (interval)training, eventueel aangevuld met krachttraining van perifere spiergroepen en/of inspiratoire ademhalingsmusculatuur. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van deze trainingsmethodieken en de onderliggende mechanismen.
Erik Hulzebos

10. Palliatieve zorg bij patiënten met hartfalen

Ondanks de verbeterde overleving van patiënten met hartfalen blijft de prognose van hartfalen slecht en hebben veel patiënten last van verschillende belastende symptomen en klachten. Wat de beperkte overleving en de ziektelast betreft is hartfalen in zekere zin vergelijkbaar met sommige andere ernstige en/of chronische aandoeningen. Lerend van de oncologie wordt nu ook binnen de hartfalenzorg gesproken over een ‘palliatieve benadering’ van patiënten. Onder een palliatieve benadering wordt verstaan dat er in de behandeling expliciet aandacht is voor het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten en hun naasten en voor symptoombestrijding en het optimaal beperken van het lijden. In dit hoofdstuk worden achtergronden bij palliatieve zorg voor patiënten met hartfalen besproken en worden enkele praktische aanwijzingen gegeven met betrekking tot palliatieve zorg en communicatie met patiënten gedurende het verloop van de ziekte. Daarnaast willen we de lezer verwijzen naar algemene literatuur en richtlijnen over palliatieve zorg bij chronische zieken.
Tiny Jaarsma, Martje van der Wal

11. Familiezorg en verpleegkundige zorg voor familie van patiënten met hartfalen

Door ingrijpende veranderingen in het huidige gezondheidszorgsysteem wordt een steeds groter beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van patiënten. Hiermee samenhangend worden hulp en ondersteuning door partners, familie en andere directe naasten steeds belangrijker.
Zorgen voor een dierbare partner of familielid vraagt meestal echter veel energie en kan emotioneel zwaar zijn. Het heeft dan ook grote invloed op het welzijn van de zorgende familieleden. Bij een deel van deze familiezorgers (mantelzorgers) leidt dit tot overbelasting. Verpleegkundigen hebben een belangrijke rol in het signaleren en voorkomen van deze overbelasting. Dit hoofdstuk beschrijft het begrip (over)belasting van familie, de factoren die daarbij een rol spelen en hoe verpleegkundigen overbelasting van familieleden kunnen signaleren en vaststellen. Daarnaast worden handvatten gegeven voor een systematische, familiegerichte aanpak, met aandacht voor de patiënt in zijn sociale omgeving en het effect van de ziekte hartfalen op onderlinge relaties binnen het gezin en de familiekring.
Marie Louise Luttik

12. Diseasemanagement

De behandeling en zorg voor patiënten met hartfalen zijn vaak georganiseerd in zogeheten diseasemanagementprogramma’s, ook wel hartfalenzorgprogramma’s genoemd. Er bestaan verschillende soorten hartfalenprogramma’s, zoals een hartfalenpoli of transmurale zorg. Bij de professionele zorgverlening zijn zorgverleners betrokken uit diverse disciplines. Multidisciplinaire hartfalenzorg kan leiden tot betere uitkomsten bij de patiënt (bijvoorbeeld betere zelfzorg, minder heropnames) en voor de gezondheidszorg (bijvoorbeeld minder kosten). Goede onderlinge communicatie en samenwerking tussen de betrokken zorgverleners is hierbij belangrijk, evenals de mogelijkheid tot een laagdrempelig contact met de patiënten.
In internationale en nationale richtlijnen wordt een aantal belangrijke onderdelen van een hartfalenzorgprogramma benoemd die optimale diagnostiek, behandeling en nazorg omvatten. Zorg voor hartfalen is ook maatwerk en dient steeds te worden aangepast aan de individuele patiënt. In de behandeling is een belangrijke rol weggelegd voor de patiënt zelf, van wie een hoge mate van zelfzorg en therapietrouw wordt verwacht. Niet alle patiënten zijn even goed in staat deze rol op zich te nemen en daarom is een goed sociaal en professioneel netwerk rond de patiënt belangrijk.
Josiane Boyne, Tiny Jaarsma

13. Ethische aspecten van verpleegkundige zorg bij hartfalen

In dit hoofdstuk worden vijf casussen uit de praktijk van hartfalenverpleegkundigen gepresenteerd waarin moreel problematische situaties worden geschetst. Om een betekenisvolle bijdrage te kunnen leveren aan een moreel besluitvormingsproces kunnen hartfalenverpleegkundigen gebruikmaken van twee complementaire perspectieven: een principieel ethisch perspectief en een zorgethisch perspectief. Het eerste perspectief benadrukt morele principes, terwijl het laatste focust op de relationele context van de patiënt. Aangezien principiële benaderingen dit aspect veronachtzamen, is het noodzakelijk een zorgethisch perspectief aan het morele besluitvormingsproces vooraf te laten gaan. In de ethiek van zorg wordt uitgegaan van een mensvisie waarin kwetsbare afhankelijkheid en zelfredzame autonomie essentiële aspecten van het menselijk bestaan zijn. In dit hoofdstuk wordt eveneens het volgen van een stappenplan geadviseerd wanneer een hartfalenverpleegkundige geconfronteerd wordt met een moreel problematische situatie. Een planmatige en transparante aanpak van een fundamenteel keuzeproces is te verkiezen boven het maken van een ondoorzichtige en onverantwoorde gevoelsmatige keuze.
Pier Jaarsma

Nawerk

Meer informatie