Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is het standaardwerk voor alle oncologieverpleegkundigen, verpleegkundigen werkzaam in de oncologie en paramedici. De combinatie van algemene oncologische, diagnostische, medische, psychosociale en allesomvattende zorgaspecten maakt dit boek uitermate geschikt voor de dagelijkse praktijk van verpleegkundigen en paramedici die betrokken zijn bij de behandeling en zorg van mensen met kanker en hun naasten.
De oncologische zorg is complex en een goed begrip van de ziekte kanker, de verschillende tumorsoorten, behandelingen en zorg voor verschillende groepen vanuit diverse situaties en achtergronden is daarbij van essentieel belang.
Patiënten hebben recht op de beste, op evidence gebaseerde behandeling en zorg en indien deze niet voorhanden is, op de beste practice-based medische en verpleegkundige zorg. Waarbij het tegenwoordig steeds meer gaat om gepersonaliseerde zorg. Dit vraagt om deskundige hulpverleners die vanuit een multidisciplinair uitgangspunt, hun eigen kennis en vaardigheden inzetten in hun dagelijkse praktijk en bereid zijn deze kennis en vaardigheden uit te breiden en up-to-date te houden.
Leerboek oncologieverpleegkunde beoogt een brede basis te leggen voor al deze betrokken en gedreven hulpverleners, waarbij de patiënt en zijn naaste(n) niet alleen centraal staan, maar ook kunnen rekenen op de best mogelijke behandeling en zorg.
Naast hoofdstukken waarmee (meer) kennis kan worden verworven ten aanzien van de ziekte kanker in zijn algemeenheid en de specifieke medische en verpleegkundige diagnostiek en behandeling, geeft het boek inzicht in de organisatie van de oncologische zorg samen met de zorg voor specifieke doelgroepen in diverse fasen van het behandeltraject. Dit boek is ook digitaal beschikbaar met samenvattingen, verdiepende links en toetsvragen bij ieder hoofdstuk.
Een multidisciplinair team van auteurs is verantwoordelijk voor de hoofdstukken maar zijn bovenal experts op hun vakgebied.
Redactie: Jan Alex van Spil, verpleegkundig specialist binnen de thoracale oncologie, Universitair Medisch Centrum Groningen. Erik van Muilekom, verpleegkundig specialist binnen de urologische oncologie, Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut. Martine Folsche, verpleegkundig specialist binnen de interne oncologie, Erasmus MC Kanker Instituut Rotterdam en projectleider AYA-zorg nationaal bij AYA Zorgnetwerk. Marieke Schreuder-Cats, verpleegkundig specialist en hogeschooldocent voor de bachelor- en posthbo-opleiding van de Hogeschool Utrecht.

Inhoudsopgave

Voorwerk

De ziekte kanker

Voorwerk

1. Kanker, diagnostiek en stadiëring

Samenvatting
Kanker is een belangrijke doodsoorzaak, al zijn er gelukkig ook heel veel mensen die genezen van kanker of er jarenlang mee leven. Er zijn vele oorzaken die meespelen bij het ontstaan van kanker, zowel exogene als endogene factoren. Preventie kan bijdragen aan het voorkómen van kanker. Het wordt echter steeds duidelijker dat kanker een ziekte van de genen is, een ongeremde celdeling die veel problemen kan veroorzaken. Er zijn verschillende soorten kanker, zoals carcinomen, sarcomen en hematologische maligniteiten. Alle hebben ook weer verschillende ondertypen. Voordat er kan worden gedacht aan behandelen moet eerst op basis van diagnostisch onderzoek duidelijk worden om welke kankervorm het precies gaat. Radiologische en nucleaire beeldvorming, tumormarkers, weefselonderzoek en moleculaire pathologie maken onderdeel uit van het proces om meer duidelijkheid te krijgen over de soort en de uitgebreidheid van de kanker. Uiteindelijk zal op basis van al deze gegevens én de performance status van de patiënt een plan voor behandeling worden ontwikkeld.
A. J. van der Biessen, M. P. J. K. Lolkema

2. Oncogenetica

Samenvatting
De meeste tumoren worden veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals leeftijd, leefstijl, schadelijke omgevingsfactoren en soms ook een erfelijke component of erfelijke aanleg. In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen drie hoofdgroepen: sporadische kanker, familiaire kanker en erfelijke kanker. Oncogenetica is het deelgebied van de klinische genetica dat betrekking heeft op deze erfelijke en familiaire tumoren. Oncogenetica wordt uitgeoefend in multidisciplinair verband. Genetisch onderzoek is niet alleen belangrijk voor risicobepaling en preventie maar ook voor besluitvorming rond behandelingen. Deze samenwerking is van belang om samen met de patiënt en zijn behandelteam tot een gepersonaliseerd behandelplan te komen.
J. H. M. Schuurs-Hoeijmakers, S. Salemink

3. Klinisch wetenschappelijk onderzoek

Samenvatting
Om behandelingen voor kanker verder te optimaliseren wordt voortdurend onderzoek gedaan naar nieuwe behandelmogelijkheden. Hierbij wordt via verschillende fases van onderzoek gekeken naar toxiciteit (bijwerkingen) en veiligheid (fase I), naar de respons en overleving van de patiënt (fase II), waarna ten slotte een vergelijking van de nieuwe behandeling met de standaardbehandeling plaatsvindt (fase III). Naast onderzoek naar geheel nieuwe middelen of combinaties van middelen per tumorsoort, wordt tegenwoordig ook steeds meer gekeken naar een specifieke mutatie, receptor of biomarker van de kankercel. Dit klinisch wetenschappelijk onderzoek vindt plaats binnen strakke wettelijke kaders. Verpleegkundigen kunnen vanuit verschillende functies betrokken zijn bij dit onderzoek. Vanuit hun functie hebben zij een rol bij de voorbereiding en uitvoering van het onderzoek, het begeleiden van patiënten tijdens het onderzoek en het verzamelen van gegevens. Deze verpleegkundigen hebben vaak unieke kennis van bijwerkingen en de wijze waarop nieuwe behandelingen verdragen worden.
M. E. W. J. Peters, A. J. van der Biessen

4. Organisatie van de oncologische zorg

Samenvatting
De oncologieverpleegkundige werkt niet op zichzelf maar is een onderdeel van een groot netwerk van professionals en organisaties die aan elkaar gelinkt zijn. De oncologische netwerken zijn divers en bepalend voor de standaarden binnen de kwaliteit van zorg en moeten voldoen aan diverse indicatoren. Er zijn richtlijnen, zowel tumor- als niet-tumorspecifiek, die multidisciplinair ontwikkeld zijn waarbij de verpleegkundige inbreng gewaarborgd is. In Nederland is V&VN Oncologie de beroepsvereniging van oncologieverpleegkundigen en verpleegkundig specialisten oncologie. Deze organisatie maakt deel uit van een grotere koepel en is inhoudelijk verbonden met de EONS, ISNCC en ONS. Verder zijn er banden met belangrijke nationale partijen zoals onder andere IKNL, KWF, Kanker.​nl en de NFK.
C. Vegter-Klein, S. G. W. M. Boerboom-Koehorst

Zorg

Voorwerk

5. Verpleegkundige methodiek en de oncologische patiënt

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden veelvoorkomende verpleegkundige diagnoses uit de oncologische beroepspraktijk uitgewerkt. Oncologieverpleegkundigen ondersteunen patiënten en hun naasten tijdens het ziekte- en behandelproces van de ziekte kanker. De verpleegkundige diagnoses die vaak gesteld worden bij patiënten met een oncologische diagnose en/of behandeling zijn ingedeeld aan de hand van de gezondheidspatronen van Gordon. Er is in het hoofdstuk gebruikgemaakt van internationale diagnoses (NANDA) waarbij, waar mogelijk, meetinstrumenten genoemd zijn om de symptomen te inventariseren en concretiseren. Naast geclassificeerde interventies (NIC) wordt in het hoofdstuk ook gebruikgemaakt van interventies uit de landelijke richtlijnen op www.​venvn.​nl/​richtlijnen of www.​pallialine.​nl, die veelal consensus based en waar mogelijk evidence based zijn. Hierbij wordt de theorie over zelfmanagement toegepast. Ten slotte wordt in dit hoofdstuk de nadruk gelegd op het belang van ondersteunen van de autonomie van de patiënt en gezamenlijke besluitvorming.
N. C. Groenveld

6. Leeftijdsspecifieke oncologische zorg

Samenvatting
Leeftijdsspecifieke oncologische zorg is de zorg die zich richt op facetten die verbonden zijn met een bepaalde leeftijdsfase. De ziekte kanker of de behandeling hiervan kan in de diverse leeftijdsfasen een verschillende impact hebben. Kanker kan voorkomen op alle leeftijden, hoewel kanker op kinderleeftijd zeldzaam is. Ook bij adolescenten en jongvolwassenen komt het weinig voor. Deze laatste groep wordt ook wel AYA (adolescents and young adults) genoemd. Kanker op oudere leeftijd ( > 70 jaar) wordt vaak gekenmerkt door comorbiditeit. Elke leeftijdscategorie heeft zijn eigen kenmerken en leeftijdsspecifieke vragen. Dit hoofdstuk gaat in op de kenmerken en organisatie van leeftijdsspecieke zorg voor het kind, de AYA en ouderen met kanker. Het accent ligt op het belang van een proactieve benadering en een goede samenwerking binnen een multidisciplinair team.
M. Folsche, J. H. P. Evers, J. M. E. van Wijck, E. M. M. van den Bergh, J. N. H. Timmer-Bonte, G. J. L. Kaspers, S. E. J. Kaal

7. Communicatieve vaardigheden

Samenvatting
Veel patiënten hebben het gevoel dat de periode van onderzoeken, het te horen krijgen van de diagnose, de ingrepen en behandelingen, en het verblijf in het ziekenhuis, hen overkomt alsof zij er zelf geen deel aan hebben. De verpleegkundige vormt een belangrijke bron van steun om de verwarrende werkelijkheid beter hanteerbaar te maken. Actief luisteren naar de ervaringen van de patiënt en zijn sociale omgeving, en het ondersteunen van het individuele verwerkingsproces, staan daarin centraal. Dat maakt het mogelijk om de behandeling en zorg zo goed mogelijk op de eigenheid van de individuele patiënt af te stemmen. Het is bij uitstek de verpleegkundige die op cruciale momenten in de ervaringen van de patiënt kan delen en hem kan helpen de regie in eigen hand te houden. Het stimuleren tot gezamenlijke besluitvorming en het behartigen van de belangen van de patiënt binnen de multidisciplinaire samenwerking zijn daarbij van bijzondere betekenis. Binnen de oncologische zorg blijven verpleegkundigen zich voortdurend ontwikkelen in de CanMEDS-rol Communicatie.
O. B. J. M. Brunklaus

8. Palliatieve zorg

Samenvatting
Palliatieve zorg richt zich op het behouden en verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten die niet (meer) curatief behandeld kunnen worden, en diens naasten. Er worden vier fases onderscheiden: ziektegerichte palliatie, symptoomgerichte palliatie, palliatie in de stervensfase en nazorg en rouwverwerking. Er is aandacht voor de wensen en behoeften van de patiënt en diens naasten op de vier dimensies van palliatieve zorg: de somatische, psychische, sociale en spirituele dimensie. Het tijdig markeren van de palliatieve fase maakt het mogelijk het gesprek aan te gaan over wensen, mogelijkheden en doelen van de patiënt. Palliatieve zorg is per definitie multidisciplinaire zorg en wordt verleend door generalisten, waar nodig ondersteund door in palliatieve zorg gespecialiseerde zorgprofessionals.
J. I. Geerling, A. K. L. Reyners

9. Aspecten van transculturele en spirituele zorgverlening

Samenvatting
Er zijn veel verschillende culturen waarmee hulpverleners in aanraking komen. De ziekte kanker kent, cultureel gezien, veel verschillende betekenissen en belevingen. Om aan te kunnen sluiten bij deze culturele verschillen, kunnen culturele competenties worden ontwikkeld om niet alleen de patiënt beter te begrijpen, maar ook effectiever te kunnen aansluiten bij zijn/haar behoeften. Naast biologische variaties en genetische verschillen tussen mensen, zijn er ook spirituele verschillen. De verschillen kunnen leiden tot uiteenlopende percepties van bijvoorbeeld het ontstaan van de ziekte kanker. Door communicatieproblemen is het op allerlei gebied lastig elkaar te bereiken. Soms heeft dit met taal te maken, maar ook culturele regels kunnen hiervan de oorzaak zijn. Een transculturele anamnese kan een praktisch hulpmiddel zijn om de zorg effectiever te maken.
M. S. L. de Kuiper

10. Complementaire en alternatieve behandelmethoden (CAM’s)

Samenvatting
Complementaire en alternatieve behandelwijzen (CAM) worden veelvuldig door patiënten met kanker gebruikt. CAM zijn niet-medische behandelingen die op initiatief van de patiënt zelf als aanvulling op de medische behandeling worden gebruikt. CAM is hierdoor een vorm van zelfhulp. Het is belangrijk om als zorgverleners altijd een open gesprek hierover te voeren in verband met de mogelijke interacties met gebruikte medicatie. Het is daarom belangrijk om goed door te vragen wat patiënten precies gebruiken. Daarnaast zou in het gesprek met patiënten het zwaartepunt niet bij de veronderstelde werking van de CAM moeten liggen, maar veel meer bij de behoeftes, angsten en twijfels van de patiënt.
N. van der Zouwe, F. S. A. M. van Dam, G. C. Roodbergen

11. Zorg voor ondersteuning en herstel

Samenvatting
In dit hoofdstuk staat het herstel tijdens en na de kankerbehandeling centraal. Herstel wat misschien zelfs al voor de behandeling kan starten in de vorm van pre-rehabilitatie. Herstelzorg bevat vele facetten waar het veelal gaat om het in balans brengen van draagkracht en draaglast. Veel mensen kunnen dit op eigen kracht maar soms is gespecialiseerde zorg wenselijk om een goed evenwicht te bewaren. In die zin draagt herstelzorg bij aan het zelfmanagement van patiënten. De ziekte kanker en de behandeling heeft vele fysieke consequenties maar heeft een even zo grote invloed op het psychisch functioneren, het dagelijkse leven, de rol in het leven en de sociale context. Een groot aantal disciplines en interventies kunnen bijdragen aan het herstelproces of het in stand houden van de gezondheid.
M. M. Stuiver, K. N. G. Nienhuys, S. J. M. Wernars, J. M. Oostveen

Behandeling

Voorwerk

12. Chirurgie

Samenvatting
In dit hoofdstuk komen de facetten van oncologische chirurgie in de verschillende stadia waarin een oncologiepatiënt zich kan bevinden, aan bod. Nadat er teruggekeken is naar de geschiedenis van de oncologische chirurgie beschrijft dit hoofdstuk achtereenvolgens welke chirurgische technieken er zijn, de verschillende therapiekeuzes en toepassingen hiervan, de mogelijke complicaties en de specifieke zorgproblemen die kunnen voorkomen. In dit hoofdstuk worden de algemene principes van oncologische chirurgie besproken; tumorspecifieke informatie komt in andere hoofdstukken aan bod.
B. Inberg, S. Schreurs

13. Radiotherapie

Samenvatting
Veel patiënten komen gedurende de behandeling voor hun maligniteit in aanraking met radiotherapie. Radiotherapie is een behandeling met ioniserende straling en wordt lokaal of locoregionaal toegepast. Bij radiotherapie wordt met behulp van deze straling schade toegebracht aan het DNA van de maligne cel. Door de bestraling in kleine fracties te geven kan gezond weefsel zich redelijk herstellen terwijl maligne cellen dat minder goed kunnen, wat uiteindelijk leidt tot celdood. Om te streven naar steeds minder toxiciteit worden er nieuwe technieken van bestraling toegepast, zoals intensiteitsgemoduleerde (IMRT), beeldgestuurde (IGRT) en adaptieve (ART) radiotherapie. De belangrijkste soorten straling bij radiotherapie zijn fotonen, elektronen en protonen. Deze laatste vorm van bestraling is recent in Nederland geïntroduceerd. Radiotherapie wordt uitgevoerd in daarvoor speciaal ingerichte radiotherapeutische centra. In Nederland zijn er 29 van deze centra. De behandeling met radioactieve straling vind meestal poliklinisch plaats. Radiotherapie kan zowel uitwendig alsook inwendig (brachytherapie) worden toegepast. In toenemende mate wordt radiotherapie gecombineerd met systeemtherapie.
S. A. M. Cox, L. Knapen, H. Rütten

14. Chemotherapie

Samenvatting
Chemotherapie is een behandeling met medicijnen die een cytotoxisch effect hebben op sneldelende cellen, waardoor deze worden gedood of stoppen met delen. Chemotherapie grijpt in op het metabolisme van cellen, door een beschadiging van het DNA, of door een indirecte beschadiging van enzymsystemen te bewerkstelligen. Er zijn verschillende soorten cytostatica, met elk hun eigen werkingsmechanismen en bijwerkingen, zoals de antimetabolieten, alkylerende middelen, platinaverbindingen, antitumorantibiotica en de antimitotische middelen of microtubulaire inhibitoren. Chemotherapie kan voor verschillende doelen worden toegepast, zoals curatief, (neo-)adjuvant, palliatief en als onderhouds- of consolidatiebehandeling. De (oncologie)verpleegkundige speelt een belangrijke rol bij de voorlichting over chemotherapie. Bij de voorlichting is het belangrijk dat de meest voorkomende en risicovolle bijwerkingen worden besproken, evenals wat de patiënt zelf kan doen om bijwerkingen te signaleren, voorkomen of verminderen. Het toedienen van cytostatica heeft risico’s voor de patiënt en de zorgverlener. Het is belangrijk adequate beschermingsmiddelen te gebruiken en interventies toe te passen om de gezondheidsrisico’s te voorkomen of te beperken. Cytostatica hebben een smalle therapeutische breedte en er kan interactie optreden met andere (cytotoxische) geneesmiddelen, met alternatieve middelen of met voedingsmiddelen. Ook de nier- of leverfunctie kan van invloed zijn op geneesmiddeleninteractie. Chemotherapie kent een groot scala aan bijwerkingen, zoals myelosuppresie, gastro-intestinale toxiciteit, cardiovasculaire toxiciteit, neuro- of ototoxiciteit en infertiliteit. Bij ernstige toxiciteit kan tot een dosisreductie of stoppen van de behandeling worden besloten. De (oncologie)verpleegkundige speelt een belangrijke rol bij het monitoren van de bijwerkingen bij chemotherapie.
J. A. van Spil, S. Bunskoek, J. M. Maurer, R. H. Ziengs, B. I. Hiddinga

15. Anti-hormonale therapie

Samenvatting
Er is een aantal tumoren dat onder invloed staat van specifieke hormonen. De belangrijkste twee tumorgroepen zijn het mammacarcinoom en het prostaatcarcinoom en deze zullen dan ook in dit hoofdstuk met name aan bod komen. Bij deze tumoren worden geen hormonen toegediend, maar wordt op verschillende manieren de hormoonproductie geremd of wordt verhinderd dat geproduceerde hormonen bij de hormoonreceptoren van de tumor kunnen komen. Het onttrekken van hormonen of toedienen van middelen die de receptor blokkeren kan een groot aantal bijwerkingen veroorzaken, die in min of meerdere mate te beïnvloeden zijn door diverse interventies.
H. A. M. van Muilekom, A. Cnossen, Ph. M. M. Kuijer

16. Immuun- en targeted therapie

Samenvatting
Immuuntherapie en targeted therapie zijn niet meer weg te denken bij de behandeling van maligniteiten. Door gebruik te maken van het eigen, versterkte, immuunsysteem van de patiënt en het doelgericht blokkeren van targets is er sprake van een toegenomen overleving bij een aantal soorten tumoren. Voortschrijdend inzicht door wetenschappelijk onderzoek leidt tot steeds meer behandelindicaties. De behandelingen kunnen echter ook ernstige bijwerkingen veroorzaken. Immuuntherapie kan auto-immuungelijkende reacties oproepen die levensbedreigend kunnen zijn. Doelgerichte therapie vergt kennis van de target waartegen het medicijn is gericht. Blokkade hiervan veroorzaakt voor iedere target een ander bijwerkingenprofiel. Naast deze behandelingen lijken vaccinatie- en celtherapie veelbelovend, maar deze vinden veelal nog plaats in onderzoeksverband. Gedegen kennis van de (bijwerkingen) van immuun- en targeted therapie is nodig om de patiënt voor te kunnen lichten. Het is belangrijk om als zorgverlener symptomen in te kunnen schatten zodat de patiënt zo min mogelijk schade ondervindt van de behandeling.
W. I. Uyterlinde, H. A. Mallo, J. B. A. G. Haanen

17. Radionuclidentherapie

Samenvatting
Dit hoofdstuk bevat drie belangrijke lessen. Allereerst dat straling niet ‘eng’ is. Het vereist kennis om met straling en de radioactieve patiënt om te gaan, maar het is niet bedreigend of gevaarlijk mits de basisregels in acht worden genomen. Ten tweede hopen we duidelijk te maken dat de patiënt die onverhoopt in de problemen komt, ondanks de straling adequate zorg krijgt; straling is geen excuus om geen zorg te leveren. Wel moet er altijd met deze straling en het voorkómen van onnodige blootstelling rekening worden gehouden. Roep altijd de hulp en expertise in van de nucleair geneeskundige en stralingsdeskundige. Als derde willen we onderstrepen dat ook hier voorkómen van problemen beter is dan genezen. Als een patiënt al bij opname (medisch of psychisch) instabiel blijkt te zijn of een forse verzorgbehoefte blijkt te hebben, dan moeten we ons hardop afvragen of de geplande radionuclidentherapie wel door moet gaan. Als de radioactiviteit eenmaal gegeven is, is er tenslotte geen weg meer terug. Als dan toch blijkt dat er interventies of veel personele handelingen nodig zijn, dan worden er (te) veel mensen nodeloos aan straling blootgesteld. Er is nooit een dwingende reden om patiënten te behandelen met radionuclidentherapie als dat leidt tot meer dan gebruikelijke blootstelling van zorgverleners.
E. J. Postema, M. A. Gorissen-Ruijgrok, F. M. Kegel-Druiventak

Tumorsoorten

Voorwerk

18. Bot- en wekedelenoncologie

Samenvatting
Bot- en wekedelentumoren zijn zeldzaam en in sommige gevallen goed te behandelen, maar vaak vergt dit een intensieve behandeling die niet altijd curatief zal zijn. Doordat de tumoren vaak bij jongere patiënten voorkomen, maakt dat bij de zorgverlening daar rekening mee moet worden gehouden. Over het ontstaan is nog veel onduidelijk, soms speelt er een erfelijke factor mee. Een andere vorm van bottumoren zijn de uitzaaiingen van andere primaire tumoren, zoals mamma-, prostaat- of longcarcinoom. De behandeling van deze bottumoren zal veel meer gebaseerd zijn op de behandeling van de primaire tumor.
N. A. C. Leijerzapf, M. A. J. van de Sande

19. Dermatologische oncologie

Samenvatting
Huidtumoren zijn in Nederland de meest voorkomende maligniteit. Zonlicht is de belangrijkste factor bij het ontstaan van huidtumoren. Veel gezondheidswinst is dus te behalen met voorlichting en preventieve maatregelen. Basaalcelcarcinomen komen het meest voor en kennen door hun vooral lokale uitbreiding een goede prognose. De behandeling is afhankelijk van vele factoren en verschillende behandelmodaliteiten zijn effectief. Indien plaveiselcelcarcinomen metastaseren is dat meestal naar regionale lymfeklieren; afstandsmetastasen komen zelden voor. De behandeling is over het algemeen chirurgisch. Indien afwijkingen niet resectabel blijken is lokale radiotherapie een goede optie. Melanomen die minder vaak voorkomen, kennen zowel een lymfogene alsook hematogene metastasering. Primaire resectie is de voorkeursbehandeling. De laatste jaren is vooral de prognose voor het gemetastaseerd melanoom door de komst van immuuntherapie sterk verbeterd. In Nederland geneest ongeveer 80 % van de patiënten met een melanoom. Over de exacte incidentie van oncologische wonden en oncologische ulcera is weinig bekend. Belangrijk in de zorgverlening is het grote verschil tussen een ulcus en een wond, met betrekking tot de wondbehandeling. Oncologische ulcera dienen in het licht gezien te worden van adequate palliatieve zorgverlening.
K. Meijer, H. C. de Vijlder, M. C. van der Eijk

20. Gastro-intestinale oncologie

Samenvatting
De gastro-intestinale oncologie behelst een groot aantal tumoren in het maag-darmstelsel. Patiënten kunnen zich met een veelheid aan symptomen en klachten presenteren. De voedingstoestand van de patiënt is vaak in het geding en vraagt adequaat handelen van zorgverleners. Het colorectaalcarcinoom is de meest voorkomende maligniteit van het maag-darmstelsel. Met de invoering in 2014 van het bevolkingsonderzoek worden maligne afwijkingen in het colon in een vroeger stadium ontdekt, wat de kans op curatie groter maakt. De primaire behandeling van het colorectaal-carcinoom is chirurgie. Volgens het zogenoemde ‘ERAS-protocol’ worden patiënten geopereerd volgens vaste protocollen. Dit maakt dat patiënten over het algemeen minder bloedverlies hebben tijdens de operatie, minder grote incisies en betere postoperatieve pijnbestrijding. Dit heeft tot gevolg dat de klinische periode minder lang is geworden voor de meeste patiënten. Deze geprotocolleerde zorg heeft zijn navolging gehad bij ook andere operaties in het gastro-intestinale systeem. Chemotherapie speelt nog steeds een belangrijke rol bij de (neo-)adjuvante behandeling van het colorectale carcinoom, terwijl radiotherapie met name van belang is bij het rectumcarcinoom. De overleving van het relatief zeldzame oesofaguscarcinoom is de afgelopen decennia verbeterd, maar toch presenteert een groot deel van deze patiënten zich met een irresectabel of een gemetastaseerd carcinoom. Om bij het maagcarcinoom curatie te kunnen bereiken is radicale chirurgie met peri-operatieve chemotherapie nog steeds de aangewezen therapie. In palliatieve setting zijn er steeds meer cytostatica toepasbaar alsmede doelgerichte therapie. Het pancreascarcinoom is de meest voorkomende hepato-pancreatobiliaire tumor. Ondanks verbeterde chirurgische technieken en gebruik van andere cytostatica is de overleving niet veel verbeterd. In toenemende mate zal een patiënt met meerdere disciplines te maken krijgen gedurende het behandeltraject. Dit maakt multidisciplinaire samenwerking tot een vereiste.
D. J. M. van den Boogaard, F. Mandemaker, T. Rozema, M. L. Wumkes

21. Gynaecologische oncologie

Samenvatting
Ieder jaar wordt bij ongeveer 4.800 vrouwen een maligniteit van de vrouwelijke geslachtsorganen vastgesteld. Een diagnose die vrouwen in alle leeftijdsgroepen raakt maar vooral vrouwen in de leeftijd boven de 45 jaar. Onder de maligniteiten van de vrouwelijke geslachtsorganen vallen het cervixcarcinoom, het endometriumcarcinoom, het ovariumcarcinoom en het vulvacarcinoom. Deze carcinomen staan centraal in dit hoofdstuk en zullen ieder afzonderlijk worden behandeld. De ziektebeelden worden afzonderlijk uitgewerkt met aandacht voor de specifieke zorgaspecten. Naast de algemene bekende gevolgen van kanker kunnen vrouwen met een maligniteit aan de geslachtsorganen verregaande negatieve gevolgen ervaren met betrekking tot verlies van fertiliteit en veranderingen in zelfbeeld en seksualiteit.
N. J. Schuur, E. N. Verweel, E. M. Roes

22. Hematologische oncologie

Samenvatting
Dit hoofdstuk geeft een inleiding in de maligne hematologie. Hematologie omvat het vakgebied dat zich bezighoudt met afwijkingen van het bloed, de bloedvormende organen en de lymfeklieren. Hieronder vallen veel verschillende ziektebeelden en behandelingen. Hoewel er in de maligne hematologie soms sprake is van een tumor, circuleren de kwaadaardige cellen bij veel van de ziektebeelden voortdurend door de bloedbaan of het lymfestelsel. Er kan dan niet van uitzaaiingen gesproken worden. De meeste maligne hematologische aandoeningen worden daarom ingedeeld in stadia of risicoprofielen. Niet iedere maligne hematologische aandoening is levensbedreigend en sommige kunnen zelfs onbehandeld blijven. Agressieve hemato-oncologische ziektes geven de patiënt, onbehandeld, echter een levensverwachting van slechts enkele weken. De behandeling van hematologische maligniteiten is over het algemeen bedoeld om genezing te bewerkstelligen, maar kan erg grillig verlopen en grote complicaties met zich meebrengen, met soms overlijden tot gevolg. Optimalisatie van ondersteunende behandelingen, waarbij verpleegkundigen een belangrijke rol spelen, is letterlijk van levensbelang. Specifieke verpleegkundige aandachtspunten in de maligne hematologie zijn gerelateerd aan de soms intensieve behandelingen met langdurige opnames, een zeer hoog infectierisico en een verhoogde bloedingsneiging.
M. Bakker, R. H. Bode, G. A. Huls

23. Hoofd-halsoncologie

Samenvatting
Hoofd-halskanker omvat een diverse groep van maligniteiten die voornamelijk uitgaan van de slijmvliezen van de bovenste lucht- en voedselwegen. Deze tumoren zijn relatief zeldzaam met ongeveer 3000 nieuwe patiënten per jaar. De belangrijkste oorzakelijke factoren zijn roken, drinken, erfelijke aanleg en het humaan papillomavirus. De behandeling bestaat, afhankelijk van lokalisatie en tumoruitbreiding, uit chirurgie, radiotherapie met of zonder chemotherapie/immuun- en targeted therapie of een combinatie daarvan. Aangezien het hoofd-halsgebied vele belangrijke functies heeft is de behandeling niet alleen gericht op het oncologische, maar ook op het functionele resultaat. Begeleiding vóór, tijdens en na de behandeling op vele verpleegkundige en paramedische gebieden is van essentieel belang. De specifieke aspecten van de diagnostiek en behandeling van maligne hoofd-halstumoren op de verschillende lokalisaties in het hoofd-halsgebied worden besproken.
M. G. van Driel, R. de Bree

24. Mammacarcinoom

Samenvatting
Het mammacarcinoom komt in Nederland veel voor. Het is de tweede doodsoorzaak door kanker bij de Nederlandse vrouw; 20 % van de borstkankerpatiënten is jonger dan 50 jaar en meer dan 70 % van de patiënten is jonger dan 70. De incidentie van het mammacarcinoom neemt per jaar toe met ongeveer 1–2 %, maar ondanks dit feit neemt de sterfte aan borstkanker af. Dit is mede te danken aan vroegdiagnostiek en verbeterde adjuvante behandelingen. Ongeveer 120 mannen per jaar krijgen borstkanker. Bij het ontstaan van het mammacarcinoom speelt waarschijnlijk een combinatie van hormonale, erfelijke en omgevingsfactoren een rol. Door het inzetten van genetisch onderzoek kunnen genmutatiedragers worden opgespoord en kan een behandeling op maat worden aangeboden. Door de snelle ontwikkeling op het gebied van moleculair-genetisch onderzoek kan in toenemende mate ook doelgerichte therapie worden ingezet. Reconstructieve mammachirurgie is tegenwoordig niet meer weg te denken uit het behandelingsaanbod bij mammacarcinoom, met positieve gevolgen voor de kwaliteit van leven. Lobulaire carcinomen metastaseren vaker dan ductale carcinomen. Palliatieve behandeling is in eerste instantie gericht op het verbeteren of handhaven van de kwaliteit van leven. De mammacareverpleegkundige of verpleegkundig specialist speelt een belangrijke rol in de voorlichting, begeleiding, nazorg en in de logistiek van het behandeltraject.
C. M. R. Haekens, M. V. C. Widdershoven, E. M. Heuts

25. Neuro-oncologie

Samenvatting
Het hoofdstuk neuro-oncologie bespreekt verschillende neuro-oncologische aandoeningen. We richten ons specifiek op de gliomen en hersenmetastasen, daarnaast komen de lymfomen, leptomeningeale en spinale metastasen kort aan bod. De behandeling van een patiënt met een neuro-oncologische aandoening is multidisciplinair en gericht op behoud van neurologisch functioneren en behoud van kwaliteit van leven. De behandeling kan bestaan uit neurochirurgie, radiotherapie, chemotherapie of een combinatie. Een hersentumor kan grote impact hebben op het leven van zowel patiënt als diens naasten. Dit wordt veroorzaakt door de hersentumor zelf en de antitumorbehandeling, maar ook door bijkomende problemen zoals epilepsie, cognitieve functiestoornissen en gedragsveranderingen. Goede informatie, voorlichting en begeleiding van deze patiënten en hun partners is van groot belang.
H. Zwinkels-van Vliet, M. Kerkhof

26. Thoracale oncologie

Samenvattting
Maligniteiten in de thoraxholte komen in Nederland veel voor. De meest voorkomende maligniteit in de thorax is het niet-kleincellig longcarcinoom. Zowel het niet-kleincellig longcarcinoom als het veel minder voorkomend kleincellig longcarcinoom kent een sterke relatie met roken. Zonder hen te stigmatiseren is het van belang dat zorgverleners patiënten ondersteunen bij het stoppen met roken. Veel patiënten hebben bij diagnose longkanker al een uitgezaaide ziekte, waardoor veel behandelingen noodgedwongen een palliatieve intentie hebben. Daarnaast hebben patiënten vaak veel klachten en symptomen door de uitgebreidheid van de ziekte. Dit maakt multidisciplinaire samenwerking bij deze aandoening van wezenlijk belang. Toch is de prognose van longkankerpatiënten de afgelopen jaren verbeterd. Enerzijds door verbeterde diagnostische technieken, anderzijds door de invoering van immuuntherapie en doelgerichte therapie. De behandeling van het maligne pleurale mesothelioom is de afgelopen jaren niet echt verbeterd. Veel patiënten presenteren zich met een stadium III- of IV-ziekte waar curatie niet meer tot de mogelijkheden behoort. Chemotherapie als systeembehandeling en radiotherapie voor lokale controle en pijnbestrijding zijn de belangrijkste behandelmogelijkheden. Het thymoom is een zeldzame tumor van de thymus. In Nederland worden per jaar ongeveer 60–70 mensen met deze diagnose geconfronteerd. Gezien de zeldzaamheid van deze tumor zijn er in Nederland initiatieven om voor deze maligniteit een landelijk multidisciplinair overleg (MDO) op te zetten.
J. A. van Spil, A. Olijve, B. I. Hiddinga, C. Van De Wauwer, R. Wijsman

27. Urologische oncologie

Samenvatting
Urologische tumoren beslaan een groot deel van de oncologische ziekten. Van prostaatkanker, dat de hoogste incidentie heeft in de westerse wereld, tot het peniscarcinoom, dat een zeldzame tumor is. Wat urologische tumoren gemeen hebben is dat ze voor een groot deel vooral bij mannen voorkomen. Dit is zeker zo voor tumoren van de prostaat, testis en penis, maar ook nier- en blaastumoren worden vooral, om diverse redenen, veel gezien bij de man. Chirurgie speelt een belangrijke rol bij de behandeling van de verschillende tumoren, maar gaat heel vaak in combinatie met chemotherapie, target- en immuuntherapie, radiotherapie en hormoontherapie. Waar het bij sommige tumoren soms heel goed mogelijk is om te cureren of langdurige palliatie te bewerkstelligen (prostaat, testis, penis), kan de ziekte in gemetastaseerde setting heel snel leiden tot een slechte prognose (blaas- en niertumor).
H. A. M. van Muilekom, M. Folsche, B. W. G. van Rhijn, C. M. C. Halff

28. Primaire tumor onbekend

Samenvatting
In 2020 is het rapport van het Integraal Kankercentrum Nederland verschenen met als titel Primaire Tumor Onbekend (PTO). In dit rapport staat de huidige situatie in Nederland rond deze vorm van kanker centraal. De diagnose PTO wordt door verbeterde diagnostiek steeds minder vaak gesteld, maar toch nog ongeveer 1300 mensen per jaar krijgen deze diagnose. Multidisciplinaire samenwerking is essentieel bij het proberen te vinden van de primaire tumor. Het onbekende karakter van de tumor en de slechte prognose geeft veel onzekerheid en angst bij patiënten en vraagt een efficiënt diagnostisch proces. De oncologieverpleegkundige speelt hierbij een belangrijke rol. Een zogenoemd ‘behandelalgoritme’ kan ondersteuning bieden bij de keuze voor therapie.
J. M. P. Zegers, A. J. van de Wouw

Nawerk

Meer informatie

Extras