Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Oncologie is het standaardwerk voor alle oncologieverpleegkundigen, en verpleegkundigen werkzaam in de oncologie. De combinatie van algemene oncologische, diagnostische, medische, psychosociale en allesomvattende zorgaspecten maakt dit boek uitermate geschikt voor de dagelijkse praktijk van verpleegkundigen en andere hulpverleners die betrokken zijn bij mensen met kanker en hun naasten.

De oncologische zorg is de laatste decennia steeds complexer geworden. Dit heeft effect op de behandelingstrajecten voor patiënten en voor de noodzaak van een goede algemene kennis en brede kijk op dit specialisme door de hulpverleners. Niet alleen op het gebied van behandeling, begeleiding en zorg, maar ook wat betreft preventie, screening, revalidatie en reïntegratie, waarbij leeftijd, cultuur en spiritualiteit niet kunnen worden vergeten.

Patiënten hebben recht op de beste, op evidence gebaseerde behandeling en zorg en indien deze niet voorhanden is, op de beste practice-based medische en verpleegkundige zorg. Dit vraagt om deskundige hulpverleners die kennis en vaardigheden bezitten om hun vak goed uit te oefenen en die verantwoordelijkheid nemen deze kennis en vaardigheden uit te breiden en up-to-date te houden.

Dit boek beoogt een brede basis te leggen voor al deze gedreven hulpverleners, waarbij de patiënt en zijn naaste(n) niet alleen centraal staan, maar ook kunnen rekenen op de best mogelijke behandeling en zorg.

Naast hoofdstukken waarmee (meer) kennis kan worden verworven ten aanzien van de algemene en specifiek medische en verpleegkundige diagnostiek, behandeling en zorg van veel voorkomende maligniteiten kent het boek ook hoofdstukken rondom thema's als organisatie van de oncologische zorg, palliatieve zorg en leeftijdsspecifieke zorg, culturele aspecten van de zorg en interactieve vaardigheden. Deze hoofdstukken zijn niet tumorgebonden en doen recht aan belangrijke aspecten in de oncologische zorgverlening.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Algemeen

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Kanker, diagnostiek en stadiëring

Om te begrijpen wat kanker is en wat de impact ervan kan zijn, is het belangrijk om kennis te hebben van het ontstaan van kanker en de mogelijkheden betreffende de diagnostiek en stadiëring van kanker.
M.J. van de Vijver, D.J.M. van den Boogaard, M.E.W.J. Peters

Hoofdstuk 2. Oncogenetica

Van de veelvoorkomende vormen van kanker, bijvoorbeeld mammacarcinoom en colorectaalcarcinoom , blijkt 5-10% erfelijk bepaald te zijn. Herkenning van een erfelijke oorzaak is van belang voor de patiënt zelf en voor zijn familieleden: aan de patiënt kan een gerichter controleadvies gegeven worden en familieleden kunnen zich tijdig laten controleren. Als de erfelijke mutatie (erfelijke fout) aantoonbaar is, kunnen familieleden op dragerschap worden onderzocht. Familieleden met de mutatie kunnen kiezen uit verschillende mogelijkheden tot risicobeperking, zoals regelmatige controle van één of meer organen door de specialist of soms uit voorzorg een preventieve operatie te laten verrichten. Indien geen mutatie aantoonbaar is, krijgen familieleden op basis van de familiegeschiedenis controleadviezen.
E. van der Looij, C.M. Kets

Hoofdstuk 3. Klinisch wetenschappelijk onderzoek

Bij mevrouw Van Geffen, 38 jaar oud, zijn recent nieuwe uitzaaiingen in de lever bij een coloncarcinoom geconstateerd. Dit na eerdere behandelingen met chemotherapie. Er zijn nu geen andere behandelopties meer. Een mogelijkheid is deelname aan een fase-I-studie, waarin een geheel nieuw middel wordt onderzocht. Het is nog niet duidelijk of dit middel werkzaam is en deelname betekent ook een aantal extra opnames in het ziekenhuis voor aanvullend bloed- en weefselonderzoek tijdens de eerste twee kuren. Mevrouw komt nu voor een eerste gesprek om te praten over mogelijkheden en consequenties van deelname aan een fase-I-onderzoek.
M.E.W.J. Peters, C.M.L. van Herpen

Hoofdstuk 4. Verpleegkundige methodiek

Meneer Van Damen is een 47-jarige gehuwde man met een zoon en een dochter van 14 en 11 jaar oud. Meneer werkt fulltime als ICT’er bij een groot internationaal bedrijf.
N.C. Groenveld, F.J. Groenveld

Hoofdstuk 5. Organisatie van de oncologische zorg

Het pad dat een willekeurige patiënt met een oncologische aandoening doorloopt, kenmerkt zich vaak door intensieve behandelingen en een leven dat nooit meer als voorheen zal zijn.
J.F. Jongkind, E.J. Elfrink

Behandelingen

Voorwerk

Hoofdstuk 6. Chirurgie

Door de eeuwen heen heeft de chirurgie een belangrijke plaats gehad bij de behandeling van kanker. Het is de oudste behandelingsmethode voor kanker en was tot circa 1900 zelfs de enige therapie.
A. Kreiter, A.C. Brink

Hoofdstuk 7. Radiotherapie

Ongeveer de helft van alle patiënten met kanker komt in hun behandeltraject in aanraking met radiotherapie. Radiotherapie wordt gegeven in speciale radiotherapeutische centra, verdeeld over het hele land.
H. Lintz-Luidens, N.J.E.E.M. Wouters, J. Bussink

Hoofdstuk 8. Chemotherapie

Chemotherapie is de behandeling met geneesmiddelen die een cytostatisch of cytotoxisch effect hebben op proliferende (delende) kankercellen . Kankercellen worden gestopt in hun delingscapaciteiten (cytostatisch ) of ze worden gedood (cytotoxisch ). Cytostatica zijn geneesmiddelen die ingrijpen in het metabolisme van cellen. Enerzijds door directe beschadiging van het DNA, anderzijds door indirecte beschadiging van diverse enzymsystemen en dit komt vooral tot uiting bij delende cellen, zowel bij tumor- als bij normale cellen. Immers, een niet-delende cel zal in het algemeen tijd hebben om een DNA-beschadiging te repareren. Dit betekent tevens dat de meeste bijwerkingen van de cytostatica vooral aanwezig zijn in de sneldelende normale cellen, zoals die van de haren, het slijmvlies van het maag-darmkanaal, de huid, het beenmerg en de gonaden.
J.A. van Spil, I.J.H. Schoenaker, J.C. de Graaf

Hoofdstuk 9. Hormonale therapie

Hormonale therapie is een manier van behandelen die alleen bij hormoongevoelige tumoren effectief is. Soms wordt hiervoor de hormoonreceptor bepaald, zoals bij mammacarcinoom. Bij deze tumor is deze receptor niet altijd aanwezig. Bij het prostaatcarcinoom is dit echter niet nodig. De impact van hormoontherapie wordt in de dagelijkse praktijk vaak onderschat; verpleegkundigen hebben een belangrijke rol bij goede voorlichting over hormoontherapie.
A. Cnossen, H.A.M. van Muilekom

Hoofdstuk 10. Immuno- en targeted therapie

Kankercellen ontstaan doordat veranderingen optreden tijdens complexe biologische processen in de cel. Deze veranderingen zijn het gevolg van beschadigingen in het erfelijkheidsmateriaal (DNA ) in de cel. Deze beschadigingen, die veelal gedurende een langere periode cumuleren, leiden tot een veranderd gedrag van de cel, bijvoorbeeld onafhankelijkheid van groeifactoren voor deling. Kankercellen kunnen door het immuunsysteem worden opgeruimd, maar ze zijn ook in staat overlevingsstrategieën te ontwikkelen en kunnen op die manier ontsnappen aan het immuunsysteem en groeien of zich vermenigvuldigen.
H.A. Mallo, J.B.A.G. Haanen

Hoofdstuk 11. Radionuclidetherapie

Radionuclidetherapie is het behandelen van onder andere kwaadaardige aandoeningen door het toedienen van radioactieve elementen, doorgaans gekoppeld aan een dragerstof . Deze stoffen dienen bij voorkeur zo selectief mogelijk door tumoren opgenomen te worden en zo min mogelijk door gezond weefsel, zodat de dosis in de tumor zo hoog mogelijk is, terwijl het omringende normale weefsel zo veel mogelijk wordt gespaard. Bij radionuclidetherapie wordt de stof doorgaans systemisch toegediend: intraveneus of oraal. De eigenschappen van het nuclide of van de dragerstof bepalen hoe de stof zich over het lichaam verdeelt. Een nadeel van het gebruik van radioactieve stoffen is de straling die de patiënt uitzendt naar de omgeving en de kans op een radioactieve inwendige besmetting van familieleden en verzorgers van patiënten.
E.J. Postema

Hoofdstuk 12. Complementaire en alternatieve behandelmethoden (CAM’s)

Zorgverleners worden vaak geconfronteerd met vragen van patiënten over de zin van alternatieve behandelwijzen. Het antwoord is niet eenvoudig en hangt af van degene aan wie de vraag wordt gesteld. Er is vrijwel geen ander onderwerp in de gezondheidszorg waarover zorgverleners zo hartstochtelijk met elkaar van mening kunnen verschillen. Uit een onderzoek van de Consumentenbond uit 1992 bleek dat twee derde van de verpleegkundigen en de patiënten van mening was dat CAM vergoed moesten worden door de ziektekostenverzekeraars, terwijl onder artsen maar 11% deze mening was toegedaan.
N. van der Zouwe, F.S.A.M. van Dam, G.C. Roodbergen

Hoofdstuk 13. Palliatieve zorg

Mevrouw Zwart heeft de spoedeisende hulp bezocht in verband met buikpijnklachten, braken en een slechte eetlust. Ze bleek een ileus te hebben op basis van een coloncarcinoom, met multipele metastasen in de lever. Ze heeft een stent gekregen, waarna er weer passage was en de klachten verminderden. Vervolgens is ze gestart met chemotherapie (oxaliplatine en capecitabine).
J.I. Geerling, A.K.L. Reyners

Specifieke oncologie

Voorwerk

Hoofdstuk 14. Bot- en wekedelenoncologie

Bot- en wekedelentumoren zijn relatief zeldzaam en worden daarom vooral in gespecialiseerde centra behandeld. Vaak worden combinatiebehandelingen gegeven en veelal worden patiënten in trialverband behandeld.
N.A.C. Leijerzapf, A.H.M. Taminiau

Hoofdstuk 15. Dermatologische oncologie

Mevrouw Verkerk is 60 jaar. In januari 2009 krijgt mevrouw last van een jeukende en bloedende moedervlek op haar linker onderbeen. Na een paar weken is de klacht nog niet over en bezoekt ze de huisarts. Deze verwijst haar naar de dermatoloog die de afwijking excideert. Het plekje blijkt een melanoom te zijn. Mevrouw wordt opgenomen in het ziekenhuis alwaar de chirurg een ruimere excisie verricht. Nadien blijft mevrouw klachtenvrij tot twee maanden geleden. In het litteken is wederom een donker vlekje ontstaan dat jeukt. Tevens ziet mevrouw boven het litteken nog veel meer rare, donkere plekjes. De chirurg bevestigt haar vermoeden dat er sprake is van een recidief met uitgebreide in-transitmetastasering. Chirurgisch verwijderen van de tumoren zal niet zinvol zijn en de chirurg stelt mevrouw een perfusiebehandeling voor (Wordt vervolgd.)
S. ter Meulen, O.E. Nieweg

Hoofdstuk 16. Gastro-intestinale oncologie

Kanker van het gastro-intestinale systeem (tractus digestivus) komt in Nederland veel voor. De incidentie is ongeveer 20.000 nieuwe gevallen per jaar. Op een totaal van 92.000 gevallen van kanker per jaar is dat ongeveer 22% van het totaal.
J.A. van Spil, J.J.G. Smelt, J.W.B. de Groot, G.M.R.M. Paardenkoper, G.A. Patijn, W.H. de Vos tot Nederveen Cappel

Hoofdstuk 17. Gynaecologische oncologie

Mevrouw Zwaan (45 jaar) gaat naar de huisarts omdat zij de afgelopen maanden contactbloedingen heeft. De huisarts maakt een uitstrijkje (PAP IV) en verwijst haar naar de gynaecoloog. Die onderzoekt haar en neemt een biopt van de uterusmond (plaveiselcelcarcinoom) en verwijst haar naar een academisch ziekenhuis. Na gynaecologisch onderzoek, pathologische beoordeling van het biopt, een MRI van het bekken en een thoraxfoto is de diagnose rond: cervixcarcinoom stadium IB1. Mevrouw kan worden geopereerd; een radicale hysterectomie met meenemen van de lymfeklieren in het bekken volgt. Een dag voor de operatie wordt mevrouw opgenomen op de afdeling gynaecologie. De verpleegkundige neemt een uitgebreide anamnese af waarin onder andere de gevolgen van de operatie zoals veranderingen met betrekking tot urineren, defecatie en de seksualiteit worden besproken. (Wordt vervolgd.)
A.M. Kosterman, M.R. Buist

Hoofdstuk 18. Hematologische oncologie

Hematopoëse betekent letterlijk bloedvorming. Het is het proces van proliferatie en differentiatie van bloedcellen, zie Figuur 18.1. Dit proces vindt plaats in het beenmerg. In het beenmerg zijn zogeheten stamcellen aanwezig die zichzelf in stand houden en ook zorgdragen voor de ontwikkeling van nieuwe rijpe cellen. Proliferatie en differentiatie zorgen ervoor dat continuïteit in de productie van nieuwe cellen blijft bestaan en dat deze cellen in staat zijn hun specifieke functie uit te oefenen (zie Tabel 18.1).
M.M. van Valkenburg, M. van Vliet

Hoofdstuk 19. Hoofd-halsoncologie

Onder hoofd-halskanker worden doorgaans maligniteiten uitgaande van de slijmvliezen van de bovenste lucht- en voedselwegen verstaan. In meer dan 90% van de gevallen betreft het een plaveiselcelcarcinoom. Het hoofd-halsgebied omvat het gebied tussen schedelbasis en sleutelbeenderen. Maligniteiten van de hersenen maar ook de ogen vallen hier niet onder. Schildklierkanker wordt ook vaak als aparte groep beschouwd. Kanker van deze laatste organen, inclusief huidtumoren, worden in de desbetreffende hoofdstukken beschreven.
M. van Driel, R. de Bree

Hoofdstuk 20. Mammacarcinoom

Mevrouw Van der Linde is 34 jaar en komt op de mammapoli met een zwelling in haar mamma. Een jaar geleden is zij bevallen en sindsdien heeft ze een knobbel in haar linker mamma. Haar familieanamnese is onbelast. Ze heeft drie kinderen en heeft kortdurend borstvoeding gegeven. Op de mammapoli worden een mammografie en echografie gemaakt en deze laten een solide afwijking met microcalcificaties zien, die verdacht is voor maligniteit. Deze afwijking wordt gepuncteerd. Als mevrouw na een aantal dagen uitslag krijgt blijkt het helaas inderdaad te gaan om een mammacarcinoom. Patiënte en haar partner worden opgevangen door de mammacareverpleegkundige. (Wordt vervolgd.)
A.M. Raatgever, P.W. Plaisier, D.J. de Gooyer

Hoofdstuk 21. Neuro-oncologie

Een 35-jarige man maakt in december 2008 tweemaal een gegeneraliseerd insult door waarna hij rechtszijdig uitvalsverschijnselen houdt; hij heeft krachtverlies in zowel zijn been als arm. Een MRI-onderzoek van de hersenen laat een groot ruimte-innemend proces zien links frontopariëtaal. Hij wordt geopereerd; de PA-uitslag wijst uit dat het om een glioblastoma multiforme gaat. In januari 2009 start hij een serie bestralingen in combinatie met en gevolgd door adjuvante temozolomidechemotherapie. Het gaat de patiënt en zijn vrouw een periode heel goed; hij wil en kan zijn werk gedeeltelijk hervatten. Een jaar na de operatie maakt hij opnieuw een insult door, een MRI laat een recidieftumor zien. Hij is erg suf, slaapt veel en heeft rechts krachtverlies: aanleiding voor een hogere dosis dexamethason en verhoging van anti-epileptica. In januari 2010 start hij in studieverband met bevacizumab, een angiogeneseremmer. Hij ontwikkelt ten gevolge van de dexamethason die hij aldoor nodig heeft een myopathie en er ontstaan gedragsveranderingen zoals euforie en kinderlijk gedrag.
H. Zwinkels, M.J.B. Taphoorn

Hoofdstuk 22. Pulmonale oncologie

Het longcarcinoom is een relatief veelvoorkomende maligniteit in de westerse wereld, met een hoge mortaliteit. Ondanks vooruitgang in behandeling met langere overleving blijft het aantal mensen dat na stellen van de diagnose uiteindelijk aan de aandoening zal overlijden groot.
J.P. Salomé, J.C.C.M. in ’t Veen

Hoofdstuk 23. Urologische oncologie

Urologische tumoren komen voor het grootste deel voor bij de man. Dit heeft te maken met het feit dat het prostaat-, penis- en testiscarcinoom alleen bij de man kan voorkomen, maar ook bij de niet-seksegebonden tumoren is de incidentie hoger bij de man dan bij de vrouw. Een aantal tumoren heeft een lange overleving waarbij curatie vaak mogelijk is. Andere hebben soms intensieve behandeltrajecten die niet altijd leiden tot genezing. Dit maakt de urologie tot een zeer divers subspecialisme in de oncologie.
H.A.M. van Muilekom, S. Horenblas, C. Halff

Hoofdstuk 24. Leeftijdspecifieke oncologische zorg

Voor de kinderleeftijd:
‘Kon ik het maar overnemen. Het is zo zwaar om mijn kind zo te zien.’
R. Jansen, O. van Bergen, E. Meijer-van den Bergh, S. Kaal, A. Timmer

Hoofdstuk 25. Transculturele en spirituele zorg

Verpleegkundigen hoeven niet ver te reizen om mensen uit andere culturen te ontmoeten, er wonen mensen uit alle landen in ons eigen land. Om cultureel gepaste zorg te kunnen verlenen moeten enige culturele kennis en begrip gemengd worden met de zorg die het best past bij onze eigen cultuur.
M. de Kuiper

Hoofdstuk 26. Interactieve vaardigheden

Van mensen met kanker wordt een groot aanpassingsvermogen gevraagd. Afhankelijk van de aard en ernst van het ziekteproces, de behandeling en de blijvende gevolgen, staat iemand vroeg of laat voor vaak zeer ingrijpende opgaven. Zo is er het leren leven met onzekerheid, het nemen van ingrijpende beslissingen, het omgaan met pijnlijke gevoelens en rouw om het geleden verlies. Verder proberen mensen greep te houden op hun leven, hun gevoel van zelfrespect en eigenwaarde te bewaren en leren ze met vallen en opstaan wat wel en wat niet veranderd kan worden. Verder geven patiënten te kennen dat, om er bij te blijven horen, het contact met mensen zo belangrijk is en je tegen alles in ruimte moet zien te vinden voor positieve ervaringen en nieuwe zin en betekenis.
O.B.J.M. Brunklaus, J.G.W. van de Geijn

Nawerk

Meer informatie