Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Aandoeningen van het bewegingsapparaat komen veel voor. Vaak gaan ze vanzelf of na een korte behandeling over. Soms is echter specialistisch onderzoek of behandeling noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een onderliggende inflammatoire gewrichtsziekte of systemische auto-immuunziekte. Bovendien is een gedegen kennis van het vakgebied van de reumatologie en klinische immunologie onontbeerlijk om onderscheid te kunnen maken tussen 'pluis' en 'niet pluis' en om de bevindingen van anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel aanvullend onderzoek te kunnen interpreteren.

Leerboek reumatologie en klinische immunologie biedt een helder, actueel en volledig overzicht van het vakgebied. Aan de orde komen degeneratieve gewrichtsaandoeningen, niet-inflammatoire klachten van het bewegingsapparaat, inflammatoire gewrichtsziekten en systemische auto-immuunziekten, die per groep een andere, vaak multidisciplinaire aanpak vereisen. Het aanbod van antireumatische geneesmiddelen is in de laatste jaren uitgebreid met 'biologicals' en zogenaamde 'small molecules', met specifieke aangrijpingspunten, werkingsmechanismen en bijwerkingsprofielen. Deze ontwikkeling is van belang voor alle (para)medici die betrokken zijn bij de zorg van patiënten met reumatische aandoeningen.

Leerboek reumatologie en klinische immunologie is onmisbaar voor iedere geneeskundestudent en voorts nuttig voor artsen in opleiding tot huisarts, internist, reumatoloog, orthopeed of neuroloog en voor paramedici die in de reumatologie werkzaam zijn. Voorts is het als Nederlandstalig naslagwerk een welkome ondersteuning in de patiëntcommunicatie door reumatologen en klinisch immunologen.

Leerboek reumatologie en klinische immunologie is tot stand gekomen met medewerking van een breed team van auteurs vanuit alle universitaire centra en allen deskundig op hun deelgebied binnen de reumatologie of klinische immunologie.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Anatomie en fysiologie van het bewegingsapparaat

Inleiding
Reumatische aandoeningen omvatten tientallen verschillende ziektebeelden van gewrichten, pezen en botten. Reumatoïde artritis, artrose, fibromyalgie, spondyloartritis (spondylartropathie ) en jicht zijn een paar voorbeelden van veelvoorkomende reumatische aandoeningen. Maar ook systemische lupus erythematosus (SLE), systemische sclerose en het syndroom van Sjögren (SS) zijn voorbeelden van weliswaar minder vaak voorkomende, maar ingrijpende reumatische aandoeningen. In principe kunnen vrijwel alle organen en weefsels bij deze ziekten aangedaan zijn. De (auto-)immuunprocessen die hierin vaak – maar niet altijd – primair dan wel secundair een rol spelen, kunnen hun effect hebben op huid, lever, nieren, maag-darmstelsel, enzovoort. Primair hebben reumatische aandoeningen evenwel hun weerslag op de gewrichten .
F.P.J.G. Lafeber

Hoofdstuk 2. Het afweersysteem en ontsteking

Inleiding
Een goed functionerend afweersysteem is onmisbaar voor de herkenning en eliminatie van ziekteverwekkende micro-organismen. Tegenwoordig is er veel bekend over de wijze waarop het afweersysteem bijdraagt aan de bescherming van ons lichaam tegen infecties. Door de toegenomen kennis van de interacties die belangrijk zijn bij het opwekken en onderhouden van afweerreacties is het inmiddels mogelijk om het afweersysteem op verschillende manieren te manipuleren, waardoor interventiestrategieën om auto-immune reactiviteit te onderdrukken mogelijk zijn geworden.
R.E.M. Toes

Hoofdstuk 3. Anamnese en lichamelijk onderzoek

Inleiding
De niet-traumatische klachten van het bewegingsapparaat, ook wel reumatische klachten genoemd, komen zeer frequent voor. Naast gelokaliseerde problematiek liggen vaak systemische ziektebeelden, zoals auto-immuunziekten of metabole ziekten, aan de klachten ten grondslag. De patiënt presenteert zich met gewrichts-, pees- of spierklachten meestal leidend tot beperkingen. Regelmatig worden de gewrichtsklachten vergezeld door systemische klachten, zoals moeheid, gewichtsverlies of temperatuursverhoging. Een goede anamnese en lichamelijk onderzoek zijn nog steeds van cruciaal belang voor de diagnostiek en evaluatie van de behandeling van de reumatische ziekten. De bevindingen uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek bepalen de richting van het aanvullend onderzoek en de interpretatie van de hieruit verkregen resultaten.
M. Vis, J.M.W. Hazes

Hoofdstuk 4. Aanvullend onderzoek bij diagnostiek

Inleiding
Het aanvullend onderzoek neemt bij de diagnostiek van patiënten die zich presenteren met klachten van het bewegingsapparaat, een belangrijke plaats in. Het aantal klinisch toepasbare bloedtesten neemt snel toe. De technische vooruitgang met betrekking tot beeldvormende technieken gaat zo mogelijk nog sneller. Voortschrijdend wetenschappelijk inzicht in de pathogenese van chronische ontstekingsziekten heeft ertoe geleid dat testen die tot dusver alleen in het laboratorium werden toegepast nu ook steeds sneller de kliniek bereiken, om diagnostiek te bedrijven.
R.B.M. Landewé

Hoofdstuk 5. Differentiaaldiagnostische principes

Inleiding
Wanneer een patiënt zijn klachten aan de arts vertelt, zal er bij de arts een denkproces in gang worden gezet dat differentiaaldiagnostisch denken wordt genoemd. Naar aanleiding van het verhaal van de patiënt zullen er bij de arts richtinggevende vragen opgeroepen worden, waarmee hij het probleem voor zichzelf kan verduidelijken en waarmee hij verschillende mogelijke oorzaken (diagnoses) voor de klachten de revue laat passeren. Dit proces gaat ook nog door bij het lichamelijk onderzoek en bepaalt mede welke onderdelen van het lichamelijk onderzoek speciale aandacht zullen krijgen.
E. Ton, J. Tekstra

Hoofdstuk 6. Farmacotherapie van reumatische ziekten

Inleiding
Het aantal farmacotherapeutische mogelijkheden voor de behandeling van reumatische ziekten is recent sterk toegenomen. Een beter inzicht in het ontstaan van de vele reumatische ziekten speelt hierbij een belangrijke rol. Omdat de meeste reumatische ziekten met pijn en stijfheid gepaard gaan, speelt een optimale behandeling van pijn en stijfheid een centrale rol in de begeleiding van patiënten met reumatische ziekten. Dit wordt het symptomatische deel van de behandeling genoemd. Dit symptomatische deel bestaat uit het bespreken van leefregels, adviseren van voldoende lichaamsbeweging in afwisseling met rust, voorschrijven van oefentherapie alsmede advisering door een ergotherapeut betreffende soms noodzakelijke hulpmiddelen en aanpassingen. Daarnaast is symptomatische medicamenteuze behandeling van pijn en stijfheid van belang.
M Janssen

Hoofdstuk 7. Reumatoïde artritis

Inleiding
Reumatoïde artritis (RA) is een systemische ziekte, die gekenmerkt wordt door chronische, vaak symmetrische ontsteking van meerdere gewrichten. De ontstoken gewrichten zijn gezwollen, pijnlijk en stijf. Daarnaast zijn vaak de structuren rond de gewrichten, zoals peesscheden, slijmbeurzen en aanhechtingsplaatsen van spieren, aangedaan. Reumatoïde artritis wordt gedefinieerd volgens classificatiecriteria, waarbij de meeste epidemiologische studies de criteria van 1987 gebruiken. RA is volgens deze criteria gedefinieerd als het hebben van vier of meer van de zeven items (tabel 7.1).
T.W.J. Huizinga, A.H.M. van der Helm-van Mil

Hoofdstuk 8. Spondyloartritis

Inleiding
Spondyloartritis (SpA ) is de op een na meest voorkomende inflammatoire aandoening van het bewegingsapparaat en wordt gekenmerkt door een combinatie van ontsteking van de wervelkolom, ontsteking van perifere gewrichten, extra-articulaire symptomen en structurele schade door vorming van nieuw bot. In het verleden zijn voor dit ziektebeeld verschillende namen gebruikt: seronegatieve spondyloartropathie, spondylartropathie en spondyloartritis. Recent is er een internationale consensus om het ziektebeeld spondyloartritis te noemen.
D.L.P. Baeten

Hoofdstuk 9. Kristalartritis

Inleiding
Kristalartritis is een vorm van gewrichtsontsteking, waarbij kristallen in een gewricht kunnen worden aangewezen als de oorzaak van de ontsteking. De meest voorkomende zijn natriumuraat- en calciumpyrofosfaatkristallen, verantwoordelijk voor respectievelijk jicht - en pyrofosfaatartritis (vroeger: pseudojicht ). Deze kristallen zijn pathologisch wanneer ze intra-articulair worden gevonden. Fysiologisch komt kristalvorming voor bij bot-/tandvorming. Pathologisch is kristalvorming rondom gewrichten, zoals bij basische calciumfosfaatzouten, i.c. hydroxyapatiet. Zoutneerslag berust op een biochemisch proces (▶ aandachtsbox 9.1). Het optreden van een ontstekingsreactie wordt door immunologische factoren bepaald en hierbij speelt het inflammasoom met interleukineproductie (met name interleukine-1 ) een belangrijke rol.
T.L. Jansen

Hoofdstuk 10. Septische artritis

Inleiding
Septische artritis ofwel infectieuze artritis is een gewrichtsontsteking die wordt veroorzaakt door een micro-organisme in het gewricht, meestal een bacterie, en vormt een spoedindicatie van antibiotische behandeling om gewrichtsdestructie te voorkomen. Dit in tegenstelling tot reactieve artritis, die ontstaat als reactie op een bacteriële infectie elders in het lichaam, meestal van de tractus urogenitalis of digestivus. Antistoffen gericht tegen de bacterie kunnen een kruisreactie aangaan met het synovium, waardoor een passagère, steriele ontsteking ontstaat. De reactieve artritis wordt meestal gezien in het kader van de spondyloartritis (H. 8) en behoeft geen antibiotische behandeling. ‘Acuut reuma’ is een vorm van reactieve artritis die wordt veroorzaakt door een groep-A-streptokok. Deze ziekte komt nog maar zelden in Nederland voor.
I.E. van der Horst-Bruinsma, B.A.C. Dijkmans

Hoofdstuk 11. Polymyalgia rheumatica en reuscelvasculitis

Inleiding
Polymyalgia rheumatica (PMR ) is een inflammatoire reumatische aandoening, die wordt gekenmerkt door pijn en stijfheid van de schouder- en heupgordel alsmede de nek. Het kan als zelfstandige entiteit voorkomen, maar kan ook gerelateerd zijn aan reuscelvasculitis. Bij reuscelvasculitis (RCV ) zijn voornamelijk grote en middelgrote vaten betrokken. Binnen de groep van RCV wordt onderscheid gemaakt tussen vasculitis van de grote vaten (aorta, arteria subclavia, arteria axillaris) en die van de craniale vaten, oftewel arteriitis temporalis (AT ), waarbij voornamelijk de takken van de arteria carotis externa zijn betrokken. In hoeverre PMR en RCV aparte ziekte-entiteiten vormen dan wel een spectrum van één ziekte zijn, is vooralsnog onduidelijk.
A.E. Voskuyl, C.J. van der Laken

Hoofdstuk 12. Vasculitis

Inleiding
Vasculitis kan worden gedefinieerd als een ontstekingsproces van bloedvaten, dat veelal resulteert in destructie en afsluiting van deze vaten. De symptomen die hierbij optreden, komen enerzijds voort uit de ontstekingsreactie, anderzijds uit de gevolgen van vaatafsluiting. Koorts, malaise en vermagering zijn voorbeelden van het eerste, darmperforatie als gevolg van ischemische necrose is een voorbeeld van het laatste.
C.G.M. Kallenberg, J.W. Cohen Tervaert

Hoofdstuk 13. Systemische lupus erythematosus

Inleiding
Systemische lupus erythematosus (SLE ) is het klassieke voorbeeld van een systemische auto-immuunziekte. Vrijwel ieder orgaan kan bij de ziekte betrokken zijn, praktisch alle patiënten hebben autoantistoffen tegen uit de celkern afkomstige antigenen en ieder onderdeel van het aangeboren en het verworven immuunsysteem is bij de ziekte betrokken.
R.H.W.M. Derksen

Hoofdstuk 14. Systemische sclerose

Inleiding
Systemische sclerose (SSc ) is een systemische auto-immuunziekte, die wordt gekenmerkt door klinische manifestaties van micro- en macrovasculaire laesies, fibrosering van huid en interne organen (meestal hart, longen, maag-darmstelsel), ontsteking in spieren en gewrichten en verder door de aanwezigheid van specifieke autoantilichamen. De termen SSc en ‘sclerodermie’ (letterlijk vertaald ‘harde huid’) worden nogal eens door elkaar gebruikt, maar de eerste verdient de voorkeur, omdat deze beter het systemische karakter weergeeft.
M.C. Vonk, J.M. van Laar

Hoofdstuk 15. Het syndroom van Sjögren

Inleiding
Het syndroom van Sjögren (SS) kan primair en secundair voorkomen. Van een primair syndroom van Sjögren (pSS ) wordt gesproken als het syndroom zich uit in een betrokkenheid van de ogen (keratoconjunctivitis sicca) en speekselklieren (droge mond (xerostomie), zwelling van de speekselklieren). Bij 30-40% van deze patiënten is tevens sprake van systemische manifestaties; vermoeidheid komt zelfs voor bij 70-90% van de patiënten. Van sSS wordt gesproken als daarnaast sprake is van een andere auto-immuunziekte, zoals reumatoïde artitis (RA) of systemische lupus erythematosus (SLE).
H. Bootsma, A. Vissink

Hoofdstuk 16. Idiopathische inflammatoire myopathieën

Inleiding
De idiopathische inflammatoire myopathieën (IIM ) vormen een groep van heterogene ziektebeelden die gekenmerkt worden door een verworven, veelal proximaal gelokaliseerde spierzwakte, verhoogde waarden van serum-CK, elektromyografische afwijkingen en de aanwezigheid van ontstekingsinfiltraten in skeletspierweefsel. Tot deze groep behoren polymyositis (PM ), dermatomyositis (DM ), juveniele dermatomyositis (JDM ) en ‘inclusion body’-myositis (IBM ). Deze aandoeningen onderscheiden zich van elkaar in klinische verschijnselen, pathogenese, beloop van de ziekte, reactie op behandeling en prognose.
F.H.J. van den Hoogen

Hoofdstuk 17. Juveniele idiopathische artritis

Inleiding
Juveniele idiopathische artritis (JIA ) is de meest voorkomende reumatische aandoening op de kinderleeftijd. De aanduiding JIA omvat een heterogene groep ziektebeelden met chronische artritis van onbekende oorzaak, die voor het 16de levensjaar is ontstaan. De duur van de artritis is ten minste zes weken voordat van een chronische artritis gesproken kan worden. Deze chronische inflammatie heeft een significante impact op het dagelijks functioneren en kan gepaard gaan met blijvende beperkingen.
N.M. Wulffraat

Hoofdstuk 18. Primaire immuundeficiënties

Inleiding
Primaire immuundeficiënties (PID’s ) vormen een heterogene groep aandoeningen die, als gevolg van veelal erfelijke afwijkingen in een of meer onderdelen van het immuunsysteem, kunnen leiden tot recidiverende infecties en zelfs auto-immuniteit en tumoren. Secundaire immuundeficiënties daarentegen zijn ziekten die het gevolg zijn van (veelal externe) factoren die het immuunsysteem nadelig beïnvloeden, zoals het gebruik van immuunsuppressiva of metabole ziekten als diabetes mellitus.
P.M. van Hagen, V.A. Dalm

Hoofdstuk 19. Allergieën

Inleiding
Allergische aandoeningen omvatten frequent voorkomende ziekten, waaronder allergische rinitis , astma en constitutioneel eczeem . De prevalentie van allergische rinitis varieert van land tot land. Allergische rinitis – in de volksmond ook wel hooikoorts genoemd - bij kinderen varieert van 1,4% in Albanië tot 39,7% in Peru. De prevalentie van astma varieert in dezelfde orde van grootte (Indonesië 1,6%; Nieuw-Zeeland 36,8%). 15-20% van de Nederlandse bevolking lijdt aan allergische rinitis. Op grond van diverse onderzoeken kan worden gesteld dat 4-7% van basisschoolkinderen astma heeft, terwijl dit percentage bij volwassenen varieert tussen 3 en 5%. Over de prevalentie van constitutioneel eczeem in Nederland is minder bekend. De prevalentie wordt op circa 1-2% geschat.
R. Gerth van Wijk

Hoofdstuk 20. Osteoporose en fractuurpreventie

Inleiding
Osteoporose wordt gedefinieerd als een systemische aandoening van het skelet, gekenmerkt door afname van de botmineraaldichtheid (BMD ) en verstoring van de microarchitectuur, met als gevolg een verhoogd risico op fracturen. Deze definitie werd aangevuld met het concept van verminderde botsterkte, waarbij rekening wordt gehouden met andere factoren die een rol spelen bij botsterkte en botkwaliteit dan alleen BMD, zoals de snelheid van bot-turnover, de micro- en macroarchitectuur, de microfractuurheling, de graad van primaire en secundaire mineralisatie en de kwaliteit van de botmatrix en van het collageen.
W.F. Lems, P. Geusens

Hoofdstuk 21. Artrose

Inleiding
Artrose is de de meest voorkomende aandoening van het bewegingsapparaat en wordt in de internationale literatuur vaak ‘osteoarthritis’ genoemd. In Nederland wordt het ook wel osteoartrose genoemd. Artrose staat voor een heterogene groep aandoeningen, variërend van erfelijke artrose die op zeer jonge leeftijd ontstaat, artrose op middelbare leeftijd in één of meerdere gewrichten, tot artrose op oudere leeftijd die voor sommige gewrichten in meer dan 80% voorkomt. Deze aandoening uit zich als gewrichtspijn en functieverlies en wordt structureel gekenmerkt door een langzaam verlies van gewrichtskraakbeen met botnieuwvorming (osteofyten).
G. Kloppenburg

Hoofdstuk 22. Wekedelenaandoeningen

Inleiding
Als reumatoloog krijgt men in de dagelijkse praktijk niet alleen met gewrichtsproblemen, maar ook met problemen uitgaande van de weke delen van het bewegingsapparaat te maken. In dit hoofdstuk willen we een aantal aandoeningen bespreken die men vaak tegenkomt.
B.C. Visser, M.A.F.J. van de Laar

Hoofdstuk 23. Artritis bij andere aandoeningen

Inleiding
Hereditaire hemochromatose is een autosomaal recessieve multi-orgaanaandoening, waarbij toegenomen ijzerabsorptie vanuit de darm leidt tot excessieve ijzerdeposities in verschillende organen, zoals de lever, alvleesklier, hart en de gewrichten. IJzerstapeling in de lever kan cirrose en levercelcarcinomen veroorzaken. Hereditaire hemochromatose is dus een potentieel ernstige aandoening die vroeg herkend moet worden, aangezien orgaanfalen kan worden voorkomen door met aderlatingen te beginnen voordat irreversibele schade is ontstaan. Omdat gewrichtspijn, samen met vermoeidheid, vaak de eerste symptomen zijn van hemochromatose spelen reumatologen een belangrijke rol bij de vroege detectie van deze aandoening.
H.E. Vonkeman

Hoofdstuk 24. Gegeneraliseerde pijnsyndromen

Inleiding
Chronische benigne pijnsyndromen, zoals fibromyalgie (FM ), zijn wijdverspreid. De schatting is dat 2-5% van de volwassenen lijdt aan FM en dat 10-30% van patiënten die naar een reumatoloog worden verwezen, komt met fibromyalgische klachten. De klachten komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (7,5:1) en hebben geen duidelijk oorzakelijk moment. Sommige patiënten beschrijven wel een trauma of een lokale klacht in de anamnese, maar een duidelijke relatie met de chronische pijnklachten is er meestal niet. De indruk bestaat dat de klachten bij mannen ernstiger verlopen dan bij vrouwen. In principe zijn alle leeftijden vertegenwoordigd (inclusief juveniele FM), maar een piek wordt gezien bij vrouwen tussen 20 en 50 jaar. Mensen met een lagere socio-economische status, slechte algemene conditie en functiebeperkingen hebben een hoger risico op het ontwikkelen van FM.
D. Vosse

Nawerk

Meer informatie