Skip to main content
main-content
Top

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Wanneer een patiënt met klachten bij een huisarts of therapeut komt, wordt voor het eerste onderzoek vooral gebruikgemaakt van eenvoudige en niet-belastende methoden. In de eerste plaats komt de anamnese: het ‘verhaal’ van de patiënt, eventueel ge(re)construeerd aan de hand van gerichte vragen, of met behulp van derden. Daarna wordt een lichamelijk onderzoek gedaan, en pas in laatste instantie, indien nodig, het technisch onderzoek (laboratoriumbepalingen, foto’s, scans enz.).
Ben van Cranenburgh

2. Wat zijn segmentale relaties?

De term ‘segmentale relatie’ betekent dat er een relatie en interactie bestaat tussen ingewanden, huid, spier- en skeletstelsel. Deze relatie is gebaseerd op de innervatie. Vanuit één ruggenmergssegment wordt via één wortel een bepaald deel van de huid, het skelet, de spieren en ingewanden geïnnerveerd; men spreekt van ‘segmentale innervatie’. Alle lichaamsdelen die bij één ruggenmergswortel behoren vormen tezamen het ‘segment’. Structuren binnen zo’n segment hebben via zenuwwegen onderling invloed op elkaar. In figuur 2.1 zijn vier mogelijkheden aangegeven.
Ben van Cranenburgh

3. Embryologie, de wortel van de segmentale samenhang

In figuur 3.1 is links weergegeven hoe het ontstaan van segmentale relaties is voor te stellen. Bij ieder ruggenmergssegment (= deel van de neurale buis) hoort steeds een deel van het ectoderm (huid), mesoderm (skelet en spierstelsel) en entoderm (ingewanden); tezamen vormen deze structuren een metameer, ook wel ‘segment’ in ruime zin.
Ben van Cranenburgh

4. Het menselijk lichaam in dermatomen, myotomen en sclerotomen

In dit hoofdstuk zijn ‘segmentkaarten’ opgenomen in de vorm van afbeeldingen van het menselijk lichaam en enkele tabellen. Vooral van dermatomen zijn vele kaarten in omloop; daarom zijn er enkele naast elkaar gezet. Bij het bestuderen van de dermatoomkaarten kan men op de volgende aspecten letten.
Ben van Cranenburgh

5. Somatisch en autonoom zenuwstelsel, een onterechte splitsing?

Het is in de neurofysiologie gebruikelijk het zenuwstelsel te verdelen in een somatisch (ook wel animaal) en autonoom gedeelte (ook wel vegetatief, of enigszins onvolledig ‘visceraal’ genoemd). Deze verdeling is echter arbitrair:het zenuwstelsel functioneert te allen tijde als geheel (Brooks, 1983). Zowel op het niveau van de hersenen als op segmentaal niveau blijkt er een intensieve samenhang en interactie tussen somatisch en autonoom zenuwstelsel te bestaan. Tijdens ons dagelijks functioneren gaan somatische en autonome verschijnselen vaak (steeds?) op zinvolle wijze samen. Enkele voorbeelden:
Ben van Cranenburgh

6. Hoe zijn de ingewanden met het zenuwstelsel verbonden?

Voor inzicht in de segmentale diagnostiek is het noodzakelijk te weten hoe prikkels vanuit de ingewanden het ruggenmerg of de hersenstam bereiken: de afferente segmentale innervatie. Wanneer deze wegen bekend zijn weten we welke ruggenmergssegmenten ‘met impulsen gebombardeerd’ worden, dat wil zeggen hyperactief zijn. Omdat de organen zelf, de vliezen en kapsels, en de dichtstbijzijnde thorax- of buikwand verschillend geïnnerveerd kunnen zijn, kunnen complexe situaties ontstaan. Een beginnend ziekteproces in een intern orgaan zal bijna altijd meer zenuwwegen tegelijk activeren.
Ben van Cranenburgh

7. Reflexrelaties binnen één segment

Al eerder werd gesteld dat somatisch en autonoom zenuwstelsel functioneel eigenlijk niet te scheiden zijn. Dit komt onder meer tot uiting in de interactie tussen reflexen op segmentaal niveau. Over deze wisselwerking tussen somatisch en autonoom zenuwstelsel is in de leerboeken helaas niets te vinden. Recente neurofysiologische gegevens wijzen er echter steeds meer op dat op ruggenmergsniveau uitgebreide interactie kan plaatsvinden. Behalve de in hoofdstuk 5 beschreven somatische en autonome reflexverbindingen kunnen de volgende drie categorieën onderscheiden worden (figuur 7.1).
Ben van Cranenburgh

8. Segmentale diagnostiek

Bij segmentale diagnostiek maakt men gebruik van het feit dat prikkels uit de ingewanden zich op allerlei wijzen kunnen uiten aan het lichaamsoppervlak. Zo kunnen kleur, temperatuur, consistentie en gevoel van de huid een weerspiegeling zijn van de toestand van interne organen. Het principe van de segmentale diagnostiek is te vergelijken met het volgende voorbeeld. Veronderstel dat iemand te weten wil komen wat er zoal in een huis gaande is, zonder dit huis daadwerkelijk binnen te gaan. Hoe valt dit op te lossen? Men kan zoveel mogelijk zichtbare, hoorbare, voelbare en meetbare verschijnselen noteren die van buitenaf aan het huis zijn waar te nemen. Komt er bijvoorbeeld rook uit de schoorsteen, dan zou dit ermee kunnen samenhangen dat de mensen in het huis het koud hebben. Wanneer dit echter midden in de zomer gebeurt dan zou de conclusie kunnen zijn dat er iets verbrand wordt. Kortom, een waargenomen verschijnsel heeft geen absolute betekenis, maar moet steeds in zijn context geïnterpreteerd worden. Om tot meer zekere uitspraken te komen over wat er in dat huis gaande is, zou men dit soort tekenen systematisch kunnen registreren.
Ben van Cranenburgh

9. Segmentale therapie?

In hoofdstuk 7 werd al gesteld dat interacties op segmentaal niveau therapeutisch gebruikt kunnen worden. Men geeft dan prikkels in de periferie – bijvoorbeeld huid, gewricht, bot – die dan in een bepaald ruggenmergssegment terechtkomen (afhankelijk van het dermatoom, myotoom of sclerotoom waarin deze prikkels gegeven worden). Via beïnvloeding van dit ruggenmergssegment kan dan een therapeutisch effect optreden zoals pijnverlichting, verbetering van de doorbloeding, stimulering of remming van een orgaanfunctie. Dit therapeutische effect kan via twee, wezenlijk verschillende mechanismen totstandkomen: door beïnvloeding van opstijgende of afdalende activiteit, of door beïnvloeding van orgaanfuncties via reflexwegen.
Ben van Cranenburgh

10. Vicieuze cirkels

De hiervoor behandelde interactiewegen kunnen ook voor de geneeskunde van belang zijn, omdat hierdoor verklaard kan worden dat klachten soms in stand worden gehouden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen blijkbaar vicieuze cirkels ontstaan, zodat de klacht voortduurt en de oorspronkelijke bron van het kwaad gemaskeerd wordt.
Ben van Cranenburgh

11. Psychosomatische samenhang en summatie van factoren

Mensen met precies dezelfde anatomische afwijking blijken toch totaal verschillende klachten te kunnen hebben. Hoe is het mogelijk dat bepaalde verschijnselen (bijv. segmentale) of vicieuze cirkels niet bij iedereen ontstaan? Dit moet wel te maken hebben met talrijke andere factoren en invloeden die individueel sterk kunnen verschillen. Een mens is immers geen vast ‘input-output-systeem’. Dit is al duidelijk op het niveau van reflexen. Men kan bijvoorbeeld een hete pan vastpakken en op tafel zetten en daarbij een terugtrek- of loslaatreactie geheel onderdrukken; dezelfde ‘hitteprikkel’ zou onder andere omstandigheden misschien een zeer abrupte reactie hebben uitgelokt. Iemand die bijvoorbeeld ooit een vreselijk ongeluk heeft meegemaakt met hete olie zal in zo’n situatie heel anders reageren. Zelfs een kniepeesreflex is sterk afhankelijk van de toestand en instelling van het individu (Jendrassikmanoeuvre: vingers in elkaar haken en krachtig trekken). Bij psychisch gespannen mensen zijn de reflexen zeer levendig, bij afleiding wordt de kniepeesreflex vaak sterker, bij specifieke aandacht voor de reflex juist zwakker; bij huidreflexen is dit weer omgekeerd. Uit dit alles blijkt dat de toestand van het individu en psychische factoren van beslissende betekenis kunnen zijn voor het op gang komen van reflexen.
Ben van Cranenburgh

12. Eenvoudig segmentaal onderzoek

Hierna wordt in het kort een aantal verschijnselen beschreven die van belang kunnen zijn voor de segmentale diagnostiek. Een deel van de verschijnselen heeft geen segmentale betekenis in de strikte zin van het woord, maar differentieert vooral tussen links en rechts (Seitenregel); een ander deel zegt specifiek iets over het segmentale niveau van de afwijking (Segmentregel).
Ben van Cranenburgh

13. De essentialia in het kort

– Er is een afwijking in een bepaald orgaan bekend.
Ben van Cranenburgh

14. Tot slot

Bij het uitvoeren van een segmentaal onderzoek in de praktijk zal men zich steeds moeten realiseren dat de verschijnselen nooit geïsoleerd beschouwd mogen worden. Eén enkel teken, symptoom of zone zegt niet zoveel, het is vooral de combinatie van verschillende segmentale verschijnselen die de waarschijnlijkheid van een bepaalde orgaanaandoening vergroot. Segmentaal onderzoek kan de gebruikelijke wijze van onderzoek nooit geheel vervangen, maar vormt juist een aanvulling op de gebruikelijke methoden van inspectie, palpatie en auscultatie. Essentieel is dat het elementaire waarnemingsproces centraal staat. Wanneer in de praktijk zou blijken dat inderdaad soms vroegere en betere diagnosen gesteld kunnen worden, zou dit onderzoek natuurlijk een aanwinst zijn. Meer kostbare en belastende onderzoekingen kunnen dan achterwege blijven.
Ben van Cranenburgh

Nawerk

Meer informatie