Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft studenten van (para)medische opleidingen veel kennis over en een goed begrip van de fysiologie. Het besteedt daarbij vooral aandacht aan onderdelen van de fysiologie die vaak als moeilijk en belangrijk worden ervaren, zoals de cardiovasculaire, respiratoire en renale fysiologie.
Leerboek medische fysiologie bevat hoofdstukken over cellen en hun omgeving, informatieverwerkende systemen, bioregulatie, bloed en bloedsomloop, opname en afgifte van stoffen, en levensfasen. Ieder hoofdstuk begint met leerdoelen en eindigt met een samenvatting. Bovendien vind je op de site die bij het boek hoort toetsvragen en verdiepende intermezzi bij ieder hoofdstuk. Dat maakt het boek uitermate geschikt voor zelfstudie en -toetsing. De heldere, schematische figuren geven de besproken concepten vorm en maken hoofdlijnen inzichtelijk.
De inhoud van deze nieuwe druk is geactualiseerd, in het bijzonder op het gebied van veroudering en cellulaire, cardiovasculaire en respiratoire fysiologie. Het boek is in het Nederlands geschreven, zodat je ook vertrouwd raakt met de Nederlandse benamingen voor veelvoorkomende medisch en fysiologische begrippen.
Leerboek medische fysiologie is geschreven door ervaren docenten van de opleiding Geneeskunde. Prof. dr. L.N. Bouman heeft jarenlang onderwijs in de fysiologie gegeven aan de Universiteit van Amsterdam. Dr. J.H.J. Muntinga en dr. R. Bakels doceren beide fysiologie aan de Rijksuniversiteit en het Universitair Medisch Centrum Groningen. De auteurs hebben zich bij het schrijven van het boek op onderdelen laten adviseren door bewezen ‘experts in the field’.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Deel I Cellen en hun omgeving

Voorwerk

1. Van eencellige naar meercellige organismen

De cel is de kleinste leefeenheid. Deze is in staat onder gunstige omstandigheden zelfstandig te blijven bestaan en zich voort te planten. De belangrijkste celorganellen met ieder hun specifieke functie worden beschreven. De celcyclus en de rol van stamcellen worden uiteengezet. Het leefmilieu van de cellen in het lichaam, de weefselvloeistof en de uitwisseling tussen deze vloeistof en het langsstromende bloed komen aan de orde. Verder wordt de specialisatie van weefsels aan de hand van differentiatie tussen cellen besproken.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

2. Celstofwisseling

De eiwitsynthese vindt plaats op het ruwe deel van het endoplasmatisch reticulum van de cel en wordt gestuurd vanuit het genetische materiaal in de kern. Hierbij zijn het boodschapper- en het transfer-RNA betrokken. De lipidesynthese vindt in het glad deel van het endoplasmatisch reticulum plaats. Voor vrijmaking van energie worden primair glucose en vetzuur als brandstoffen gebruikt. De plaatsen waar deze stoffen in de cel worden omgezet, worden besproken, en de glycolyse, de citroenzuurcyclus en de β-oxidatie. Daarnaast komt de vorming van ketonlichamen die onder bepaalde omstandigheden kan plaatsvinden, aan de orde.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

3. Interactie tussen cellen en hun omgeving

De plasmamembraan bestaat uit een dubbellaag van lipidemoleculen waarvan de hydrofiele koppen beiderzijds naar buiten steken in de extra- en intracellulaire vloeistof. In deze dubbellaag drijven twee soorten eiwitten. De verschillende vormen van transport door deze membraan worden besproken, het verschil in transport tussen hydrofiele en hydrofobe stoffen en de principes van carriertransport. Het transport van water over de celmembraan wordt uitgelegd en de effecten op het celvolume wanneer een cel in een zoutoplossing met andere osmolariteit wordt gelegd.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

4. Membraanpotentiaal

De membraanpotentiaal ontstaat ten gevolge van een concentratieverschil van ionen over de membraan en een verschillende permeabiliteit voor die ionen. Een actiepotentiaal is een voortgeleide snelle daling of omkering van de membraanpotentiaal die optreedt in reactie op een voldoende sterke prikkel. De veranderingen die verantwoordelijk zijn voor de verschillende fasen van een actiepotentiaal, worden besproken. De meest kenmerkende verschillen tussen spanningsafhankelijke en ligandgestuurde kanalen komen aan de orde, de verschillen tussen een sensor- en een actiepotentiaal en de voortgeleiding van een actiepotentiaal over een zenuw- of spiervezel.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

5. Intercellulaire communicatie

De impulsoverdracht tussen hartcellen en zenuwcellen is verschillend. Deze twee vormen van transmissie, de rol van G-eiwitten en second messengers hierbij en het verschil tussen mediatoren, transmitters en hormonen worden besproken. Als voorbeeld van mediatoren worden ontstekingsmediatoren beschreven en hoe zij de verschijnselen van een ontsteking tot stand brengen. Verder komt het verschil tussen interne en externe secretie door klieren aan de orde.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

6. Neuronale impulsoverdracht

De werking van neuronen kan worden onderverdeeld in vier basisfuncties die worden uitgevoerd door vier verschillende structuren in het neuron. De interneuronale interactie komt via een groot aantal neurotransmitters verspreid over het gehele zenuwstelsel tot stand. Het aantal hierbij betrokken receptortypen is nog groter dan het aantal neurotransmitters, zodat soms bij eenzelfde transmitter een verschillend effect wordt verkregen op grond van verschillen in receptor. De begrippen temporele en spatiële summatie komen aan de orde en zowel de pre- als postsynaptische inhibitie wordt besproken. De neuromusculaire prikkeloverdracht wordt uiteengezet en de trofische eigenschappen van neuronen toegelicht.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

7. Spiercontractie

De functionele eenheid van de skeletspier is de motorische eenheid die bestaat uit een motorisch neuron met alle hierdoor geïnnerveerde spiervezels. De vezels van één motorische eenheid contraheren hierdoor alle tegelijk. De contractie van skeletspiervezels wordt op zowel cellulair als moleculair niveau uitgelegd, waarbij onder andere het begrip sarcomeer, de rol van actine en myosine filamenten, T-tubuli, troponine en calcium uitvoerig wordt beschreven. De verschillen tussen contracties van skelet, hart en gladde spieren worden besproken en de verschillende vormen van skeletspiercontracties. Op de bij inspanning te leveren aerobe en anaerobe arbeid wordt ingegaan en op de effecten van aerobe en anaerobe training.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Deel II Informatieverwerkende systemen

Voorwerk

8. Bouwplan en hoofdfuncties van het zenuwstelsel

Het zenuwstelsel heeft in het organisme een leidende rol en zet zowel naar binnen als naar buiten allerlei processen in gang, regelt en coördineert. Het wordt verdeeld in een centraal zenuwstelsel (CZS), dat binnen de schedel en het wervelkanaal ligt, en het daarbuiten gelegen perifere zenuwstelsel (PZS). De functies van het CZS kunnen globaal worden onderverdeeld naar de wijze waarop hun impulsen worden voortgeleid: horizontaal of verticaal. De hoofdfuncties van de afzonderlijke zenuwcellen ofwel neuronen laten zich omschrijven als receptie, integratie, conductie en transmissie. Naast de neuronen komen in zowel het CZS als het PZS verschillende typen steuncellen voor, waarvan de functie wordt toegelicht. Van het vocht in de hersenen, de liquor, wordt de productie, stroming en afvoer besproken. Er wordt ingegaan op de verschillende onderverdelingen die er voor sensibele en motorische perifere zenuwen bestaan en de wijze waarop de activiteit van verschillende vezeltypen kan worden onderscheiden.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

9. Opvang van informatie: de sensoriek

Voor de waarneming van prikkels moeten deze door daarvoor gevoelige cellen, sensoren, worden opgevangen. Deze kunnen naar hun ligging worden onderscheiden in extero-, intero- of proprioceptoren en energetisch in mechano-, chemo- en fotosensoren. De wijze waarop in deze sensoren een prikkel wordt omgezet in een zintuigprikkel in de afferente zenuw wordt besproken en de verwerking van deze sensorische impulsen in het centrale zenuwstelsel. De verbinding van de sensoren uit huid, skelet en spieren wordt uiteengezet en het onderscheid tussen vitale en gnostische sensibiliteit wordt gemaakt. De reuk en smaak worden besproken, het zwart/wit en het kleuren zien, de oogbewegingen en de breking van het licht. Het auditieve systeem en de werking van het evenwichtsorgaan worden beschreven. Ten slotte wordt aandacht besteed aan de wijze waarop door prikkeling van sensoren pijn kan ontstaan en hoe deze prikkels worden verwerkt.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

10. Beweging en bewegingscontrole

Bewegingen kunnen in willekeurige en onwillekeurige bewegingen worden onderscheiden. Voor elke beweging is de excitatie van α-motorische voorhoorncellen nodig. Deze voorhoorncellen kunnen in een mediale en laterale groep worden onderverdeeld. Excitatie kan gebeuren vanuit een zintuig of via descenderende banen vanuit hogere delen van het CZS. De descenderende banen worden in een lateraal en mediaal systeem onderverdeeld. Bij de totstandkoming van een willekeurige beweging zijn drie verschillende niveaus van het CZS betrokken die elk worden besproken. Het cerebellum werkt corrigerend op de willekeurige motoriek. Hierbij kunnen drie regelkringen worden onderscheiden waarvan de functie wordt toegelicht. Daarnaast komt de rol van de basale ganglia bij het bewegen aan de orde. Er wordt aandacht besteed aan de bij de houdingsregeling en bewegingen betrokken reflexen, waarin spierspoelen en peessensoren een belangrijke rol vervullen.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

11. Hogere cerebrale functies

De geheugenfunctie van zenuwcellen is functioneel bijzonder, omdat die de basis vormt van leerprocessen en onmisbaar is voor waarnemen en handelen, de twee hoofdfuncties van het zenuwstelsel. Als voorbeelden van leerprocessen komen geconditioneerde reflexen, reflectoir en declaratief leren aan de orde. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het korte- en langetermijngeheugen en de wegen waarlangs informatie waargenomen wordt, worden beschreven. De appreciatie van de prikkels in de vorm van emotionele beleving komt aan de orde en de wijze waarop deze vergezeld kan gaan van bijbehorende lichamelijke verschijnselen. De lokalisatie van hersenfuncties wordt toegelicht, de hierop gebaseerde onderverdeling in schors- en associatievelden en de wijze waarop de twee hemisferen met elkaar communiceren. Ten slotte worden de bij het uitvoeren en verstaan van spraak betrokken mechanismen besproken.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Deel III Bioregulatie

Voorwerk

12. Biologische regelsystemen

Cellen van meercellige organismen hebben veel van het aanpassingsvermogen van eencelligen aan het externe milieu verloren, maar kunnen rekenen op de homeostase van het inwendige milieu. De homeostase komt tot stand door een groot aantal regelmechanismen. Hierbij kunnen open en gesloten regelsystemen, positieve en negatieve terugkoppeling, feedforward mechanismen en servosystemen worden onderscheiden. Het principe van de homeostatische regelsystemen wordt uiteengezet, de hierbij betrokken specifieke sensoren, de locatie van de vegetatieve regelcentra en de twee wegen waarlangs de organen vanuit deze centra worden aangestuurd. Verder wordt het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke regulaties beschreven en de betekenis van het optreden van oscillaties.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

13. Vegetatieve integratie

In dit hoofdstuk wordt het begrip vegetatieve integratie en haar functionele betekenis beschreven. Hierbij komt de plaats en wijze waarop het vegetatieve zenuwstelsel en het hormonale stelsel aan elkaar gekoppeld zijn aan de orde, de centrale rol die de hypothalamus in dit alles speelt, en de belangrijkste functionele verschillen die tussen hormonale en neurale regelingen bestaan.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

14. Vegetatief zenuwstelsel

Het vegetatieve of autonome zenuwstelsel regelt, samen met het hormonale stelsel, de vegetatieve functies van het lichaam. Het bestaat uit een orthosympathisch en een parasympathisch systeem. Sommige organen worden door beide en andere door een van beide systemen verzorgd. De schakelplaatsen tussen het centrale deel van beide systemen en de geïnnerveerde organen worden besproken, en de hierbij betrokken neurotransmitters. Er wordt een overzicht gegeven van de receptoren waarmee deze transmitters een verbinding aangaan, en de gevolgen hiervan. De synthese en eliminatie van de transmitters komt aan de orde en de hieruit voortvloeiende tijdsduur van hun werking. De functionele relatie tussen het vegetatieve en somatische zenuwstelsel is in het limbische systeem gerealiseerd. De functionele betekenis hiervan wordt toegelicht en er wordt ingegaan op de specifieke veranderingen die optreden in neurale activiteit bij de overgang van rust naar inspanning en bij die naar stress.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

15. Hormonale regulaties

Hormonen zijn stoffen die door specifieke cellen of organen worden geproduceerd om via de bloedbaan de functie van doelwitcellen te sturen. Naast hormonen uit endocriene klieren bestaan er ook weefselhormonen en door zenuwcellen geproduceerde neurohormonen. Hormonen kunnen de doelwitcellen op verschillende manieren beïnvloeden, maar ook de productie van hormonen kan op verschillende manieren beïnvloed worden. De rol van de hypofyse in de hormoonproductie, haar betekenis voor de vegetatieve integratie en de onderverdeling in een adeno- en neurohypofyse komen aan de orde. De regeling van het schildklierhormoon en de mogelijke oorzaken en gevolgen van overproductie worden besproken. De regeling en functionele betekenis van door de bijschildklier en bijnierschors geproduceerde hormonen wordt beschreven, en ook de te verwachten verschijnselen bij overproductie. Daarnaast wordt naar de effecten van stress gekeken. Ten slotte wordt de regeling en functionele betekenis van door het pancreas geproduceerde hormonen besproken en de veranderingen die kunnen optreden bij diabetes mellitus.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

16. Stofwisseling en thermoregulatie

Alle in het lichaam vrijgemaakte energie verlaat het lichaam in de vorm van uitwendige arbeid of warmte. Wat de warmte betreft, wordt in het lichaam een kern en een schil onderscheiden. Hun omvang is van verschillende factoren afhankelijk en hun temperatuur verschilt. De warmte wordt actief van kern naar schil getransporteerd en op verschillende manieren via de schil aan de omgeving overgedragen. De temperatuur wordt geregeld via een temperatuurregulerend centrum, centrale en perifere chemosensoren, huidvaatregulatie, zweetsecretie, metabolisme en spieractiviteit en daarbij wordt een fysische en chemische regulatie onderscheiden. De stofwisselingsbalans geeft de verhouding aan tussen de energie-inhoud van het opgenomen voedsel en de in de vorm van arbeid of warmte afgegeven hoeveelheid. Naast de grondstofwisseling, kent men een rust- en arbeidsstofwisseling. De factoren waarvan deze afhankelijk zijn, en de wijze waarop bij lichamelijke inspanning energie wordt verkregen, worden besproken. Verder worden de begrippen hypothermie, hyperthermie en koorts uiteengezet.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Deel IV Bloed en bloedsomloop

Voorwerk

17. Bloed: samenstelling en functies

Bloed is het enige vloeibare weefsel van het lichaam. Het komt overal, staat in direct contact met alle organen en verandert voortdurend van samenstelling. Hierdoor is het in staat alle organen van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien en te ontdoen van schadelijke afvalstoffen. In de uitvoering van deze functie hebben bloedcellen en bloedvloeistof ieder hun eigen onmisbare rol. Naast deze transportfuncties beschikt het bloed over een scala van mogelijkheden om zich teweer te stellen tegen beschadigingen, aanvallen van buitenaf door bedreigende micro-organismen en tegen fouten die in het lichaam gemaakt worden bij de vorming van nieuwe cellen. Wanneer er door een verwonding bloedverlies optreedt, zorgt het bloed door stolling voor een effectieve afdichting van de wond. Via het complexe systeem van de immuniteit vormt het bloed een krachtige verdediging tegen lichaamsvreemde stoffen.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

18. Hart

Het hart is de motorpomp van de bloedsomloop. In het hart wordt druk op het bloed gezet waardoor het mogelijk is dat het bloed vanuit de rechterkamer naar de longen stroomt en daarna via de linkerkamer over het gehele lichaam wordt verspreid. Geholpen door extracardiale factoren wordt het bloed via de aders naar het hart teruggezogen. De hoeveelheid bloed die iedere kamer per minuut uitpompt, is zeer variabel en nauwkeurig afgestemd op de geestelijke en lichamelijke activiteit. De regeling daarvan wordt voor een deel door het hart zelf uitgevoerd, daarbij geholpen door het vegetatieve zenuwstelsel. Zoals iedere spiercel moet ook de hartspiercel een prikkel ontvangen om de samentrekking te starten. Maar anders dan een skeletspier kan het hart deze zelf leveren vanuit pacemakercellen in het geleidingssysteem. Zowel dit proces van automatie als de contractie van de spiercellen staat onder controle van het vegetatieve zenuwstelsel.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

19. Vaatstelsel

De bloedsomloop wordt onderverdeeld in twee delen: de macrocirculatie, het stelsel van soepele buizen en buisjes dat het bloed van het hart naar de organen brengt (arterieel deel) en ook weer daarvandaan terugvoert naar het hart (veneus deel), en de microcirculatie daartussen in, een spons van miljoenen minuscule vaatjes waarin de uitwisseling van stoffen met de weefsels plaatsvindt. De macrocirculatie verdeelt men in een grote circulatie voor de bloedsomloop door het gehele lichaam en de daarmee in serie verbonden kleine circulatie die het bloed door de longen voert. Doordat weerstand en capaciteit van het vaatstelsel variabel zijn, kan de verdeling van bloed over de organen en de sterkte van de bloedstroom nauwkeurig worden geregeld. De uitwisseling in het weefsel verloopt passief; water en daarin opgeloste stoffen bewegen door de daar heersende verschillen in concentratie en druk door de wand van de vaatjes. Het lymfestelsel steunt de afvoer.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Deel V Opname en afgifte van stoffen

Voorwerk

20. Gasuitwisseling

Onder de ademhaling wordt niet alleen de verversing van lucht in de longblaasjes verstaan, maar eveneens het gehele transport van zuurstof en kooldioxide van de buitenlucht naar de cellen en omgekeerd. Voor het ventileren worden de intrathoracale en alveolaire druk tijdens in- en expiratie veranderd. Bij de hierdoor ontstane veranderingen in longvolumes kunnen naast enkele longcapaciteiten verschillende statische en dynamische longvolumes worden onderscheiden. De invloed van de compliantie en de weerstand op het volume-drukdiagram wordt uiteengezet en de daarmee samenhangende veranderingen in te verrichten ademarbeid. Na de diffusie in de longen, vindt het transport van zuurstof en kooldioxide in het bloed plaats. De wijze waarop O2 en CO2 elkaar hierbij beïnvloeden en de effecten hiervan op de gasuitwisseling komen aan de orde. Oorzaken van verschillen tussen de alveolaire en arteriële Po2 worden toegelicht en het belang van de longperfusie hierbij aangegeven. Ten slotte wordt de regulatie van de ventilatie besproken.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

21. Voeding en spijsvertering

Het lichaam heeft voortdurend behoefte aan bouwstoffen en energierijke stoffen en daarom moet de voeding aan bepaalde voorwaarden voldoen. De regulatie van de voedselopname staat onder invloed van een honger- en verzadigingscentrum en wordt beknopt besproken. Het transport van voedsel naar de maag wordt beschreven, de verschillende fasen van de slikreflex, evenals het transport door de maag, de dunne en de dikke darm. Daarnaast wordt het effect van de passage door de maag, de dunne en dikke darm op het voedsel beschreven en komt de functie van de lever in de regeling van de plasmaconcentraties van opgenomen voedingsstoffen en verschillende bloedbestanddelen aan de orde.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

22. Water- en zouthuishouding

Het lichaam bestaat voor het merendeel uit water dat zich in verschillende compartimenten bevindt. Water wordt door het lichaam opgenomen, en gaat uit het lichaam verloren, maar de hoeveelheid ervan kan alleen geregeld worden via de uitscheiding door de nieren. De kenmerken van deze water- en de osmoregulatie worden daarom beschreven en de wijze waarop de urine geconcentreerd wordt, wordt uitgelegd. De factoren die de glomerulaire filtratie bepalen, worden besproken en de regulatie van de filtratie wordt toegelicht. De terugresorptie en secretie in de verschillende delen van de tubulus komt ter sprake en de regulatie ervan wordt toegelicht. Vooral de terugresorptie van NaCl in de nieren en de regeling van het plasmakalium krijgt extra aandacht. Verder komen de volumeregulatie, de regulering van het zuur-base-evenwicht en de blaasontlediging aan de orde.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Deel VI Levensfasen

Voorwerk

23. Geslachtelijke ontwikkeling en voortplanting voortplanting

Een nieuw individu ontstaat indien bij de conceptie de gehalveerde chromosomencomplexen van de ouders worden samengevoegd. De zaadcel bepaalt het geslacht, afhankelijk van de aanwezigheid van een X- of een Y-chromosoom. De bevruchte eicel wordt vanuit de eileider naar de uterus getransporteerd, waar zij zich innestelt en na 9 maanden uitgroeit tot een compleet mensje. De vorming en ontwikkeling van eicellen vindt al vóór de geboorte plaats zodat het ovarium van een pasgeboren meisje alle eicellen die later tot rijping kunnen komen, al in een primitieve vorm bevat. De zaadvorming bij de man heeft deze beperking niet en vindt gedurende vele jaren van het volwassen leven continu in de testis plaats waarna de spermatozoa worden opgeslagen in de zaadblaasjes. Zowel de rijping van de eicel als de vorming van de zaadcellen staat onder nauwkeurige hormonale controle die vanuit het centrale zenuwstelsel wordt aangestuurd.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

24. Groei en ontwikkeling

Onder groei verstaan we zowel de lengtegroei als de omvang in massa van de verschillende organen. De grootste lengtegroei treedt op tijdens het bestaan in utero, en neemt geleidelijk af vanaf de geboorte. Voorafgaande aan de puberteit, bij meisjes ruim een jaar eerder dan bij de jongens, treedt een groeispurt op die de lichaamslengte dicht bij zijn volwassen grootte brengt. Dit wordt geregeld door het groeihormoon uit de hypofyse samen met het perifeer geproduceerde somatomedine IGF I. De ontwikkeling van de organen wordt door een per orgaan verschillende groep hormonen en groeifactoren gestuurd; deze is niet steeds in fase met de lengtegroei, met uitschieters omhoog (lymfoïde organen) en omlaag (geslachtsorganen). De overgang van de foetale status waarin de placenta de functie van vitale organen vervult, naar die van een zelf regulerend individu is een ingrijpend gebeuren dat vooral aanpassingen in bloedsomloop en hormonaal stelsel vereist.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

25. Veroudering

Verouderingsprocessen kunnen worden onderverdeeld in stochastische, door het toeval bepaalde, en systematische, genetisch geprogrammeerde, processen. Vele van deze processen berusten op cellulair niveau op veranderingen in de eiwitstructuur. Deze veranderingen ontstaan spontaan of door schadelijke stoffen, waarvan de belangrijkste beschreven worden. De gevolgen van de ontsporingen die het metabolisme ondergaat, worden toegelicht, de verminderde werking van het immuunapparaat, het functieverlies van het zenuwstelsel, de veranderingen in het bewegingsapparaat, vaatstelsel, longen en luchtwegen en het verlies aan functionerende nefronen. Verder worden de veranderingen in het gezichtsvermogen en het gehoor besproken. Vanaf het dertigste levensjaar blijkt het fysieke prestatievermogen met ongeveer 1% per jaar af te nemen. Het ligt daarom voor de hand dat hier ook op de effecten van frequente lichamelijke inspanning op de levensverwachting wordt ingegaan.
L.N. Bouman, J.H.J. Muntinga, R. Bakels

Nawerk

Meer informatie

Extra’s