Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek nodigt je uit beter te kijken naar kinderen en van daaruit aan de slag te gaan met de zes interactievaardigheden. Deze interactievaardigheden worden diepgaand uitgewerkt en vertaald naar de verschillende leeftijdsgroepen: baby, peuter, kleuter en schoolkind. De kracht van het boek schuilt in de combinatie van theorie, praktijkvoorbeelden, video's, concrete aanwijzingen en een scala aan verwerkingsopdrachten waarmee je je eigen vaardigheden kunt oefenen om beter aan te sluiten op het kind of de groep.

Interactievaardigheden is een levendig en inspirerend boek voor pedagogische opleidingen en trainingen op niveau 3 , 4 en 5. Het boek is zeer goed bruikbaar voor de kinderopvang en aangrenzende werkvelden, zoals de gastouderopvang en het basisonderwijs.

In deze herziene uitgave is de informatie over kleuters en schoolkinderen uitgebreid, zijn nieuwe inzichten uit onderzoek en eigen ervaring toegevoegd, en is het beeldmateriaal versterkt.

Interactievaardigheden bestaat ook als e-book. Hier vind je alle tekst online met directe doorklikmogelijkheden naar internetsites, filmmateriaal en daaraan gekoppelde opdrachten. Het e-book is te downloaden zodat je de tekst ook offline beschikbaar hebt, waar en wanneer je maar wilt.

De auteurs Anneke Strik en Jacqueline Schoemaker hebben jarenlange ervaring als docent in de opleiding PW3/4 en als trainer en (beeld)coach. Daarnaast ontwikkelden zij diverse trainingen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Sensitieve responsiviteit

Samenvatting
Veiligheid is een belangrijk begrip in de kinderopvang! Elk kind heeft er behoefte aan om zich zowel fysiek als emotioneel veilig te voelen. Jij als pedagogisch medewerker kunt een grote bijdrage leveren aan die veiligheid wanneer je de signalen van kinderen goed begrijpt (sensitief) en er op een positieve manier op reageert (responsief). Waarom is dat zo belangrijk? Om te overleven zijn kinderen afhankelijk van de zorg en liefde van volwassenen. Om de goede zorg te kunnen geven is de volwassene weer afhankelijk van de signalen van het kind. Voor een goede afstemming is een onderlinge band noodzakelijk. Baby’s beginnen dan ook al direct na de geboorte met contact maken. Dat doen ze bijvoorbeeld door te kijken, te huilen of te bewegen. Als een volwassene laat blijken dat hij deze signalen goed ‘verstaat’, dan ervaart het kind dat de volwassene luistert naar wat het ‘vertelt’ en voelt het kind zich gezien, gehoord en begrepen in zijn behoeftes. Hij krijgt de boodschap mee dat hij er toe doet. Zo wordt de basis voor zelfvertrouwen gelegd. Een volwassene die ook nog op een positieve manier reageert op de signalen en tegemoetkomt aan zijn behoeften, laat het kind voelen dat hij er is voor het kind en dat het kind op hem kan rekenen. Zo krijgt een kind vertrouwen in anderen, zoals zijn moeder, vader, zusje, oma, maar ook in jou, de pedagogisch medewerker. De ervaringen die kinderen hebben in deze eerste contacten, dragen later ook bij aan de mate waarin ze positieve verwachtingen ontwikkelen ten aanzien van andere medemensen. Als kinderen vertrouwen hebben in zichzelf en zich veilig voelen bij anderen, staan ze open om de wereld en de mensen om zich heen te gaan ontdekken, te onderzoeken, nieuwe ervaringen op te doen en te leren. Veiligheid ligt dus aan de basis van ontwikkeling.
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

2. Respect voor autonomie

Samenvatting
Autonomie betekent: het recht om zelf te bepalen wat je doet. Als je respect hebt voor de autonomie van het kind, wil dat zeggen dat je respect hebt voor wie het kind is, voor de eigenheid van het kind en voor wat het kind wil. Het ene kind is wat drukker, wat onderzoekender, het andere kind wat meer afwachtend. Het ene kind is wat sneller met lopen en het andere kind is sneller met praten. Door een kind het gevoel te geven dat het mag zijn wie het is en dat het er toe doet wat hij wil, krijgt hij het gevoel dat de pedagogisch medewerker vertrouwen heeft in hem en dat draagt bij aan het vertrouwen dat hij in zichzelf heeft waardoor een kind weer verdere stappen durft te zetten. Door respect voor autonomie geeft de pedagogisch medewerker kinderen ‘… de kans om op te groeien tot autonome volwassenen: zelfstandige, verstandige mensen die de consequenties van hun eigen gedrag overzien en zich verantwoordelijk voelen voor hun eigen daden’ (Schreuder et al. 2011).
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

3. Structureren en leidinggeven

Samenvatting
Door structuur te bieden aan kinderen breng je een ordening aan in de wereld om hen heen. Het gaat om vaste volgordes in bepaalde handelingen en gebeurtenissen, waardoor herkenbare patronen ontstaan in de dag, de week, de maand, het seizoen, het jaar, het leven. De herhalingen en de variaties in de herhalingen functioneren zoals een ritme in de muziek en de natuur. Bij structuur bieden gaat het ook om het aangeven van kaders waarbinnen de kinderen ruimte krijgen om te exploreren en hun gang te gaan. Daarnaast draagt het bieden van structuur bij aan het creëren van een groepsgevoel. Leidinggeven houdt in dat een pedagogisch medewerker op een effectieve en positieve manier richting geeft aan gedrag van kinderen op momenten dat ze niet in staat zijn om zelf hun gedrag te bepalen. Het gaat om het aansturen van de kinderen en het stellen van grenzen wanneer kinderen zich buiten de kaders bewegen. Uiteindelijk moeten kinderen leren hun eigen gedrag te sturen.
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

4. Praten en uitleggen

Samenvatting
Bij de vaardigheid praten en uitleggen gaat het over de taal die jij gebruikt bij het begeleiden van kinderen. Het gaat ook over de manier waarop je bij kunt dragen aan de ontwikkeling van de eigen taalvaardigheid van kinderen. Er zijn verschillende uitspraken over taal waaraan je het belang van taal kunt zien. Taal is:
  • Communicatie. Taal (verbaal en non-verbaal) is het instrument dat je hebt om je te verbinden met anderen.
  • Denken. Denken en taal hangt samen. Je kunt niet denken zonder taal. Wanneer je je taal ontwikkelt, ontwikkel je je denken en omgekeerd.
  • Het voertuig van de geest. Taal is, naast bijvoorbeeld beeld en muziek, een belangrijk middel om je te uiten.
  • Identiteit. Je taalgebruik hangt samen met de groep waarbij je hoort. Denk aan je landstaal, je streektaal, de taal van je subgroep, de manier van praten binnen je familie, je eigen specifieke manier van praten. In je taalgebruik geef je veel informatie prijs over wie je bent.
  • Macht. Taal geeft je toegang tot kennis en kennis geeft je controle over de wereld. Een grote taalvaardigheid leidt vaak ook tot meer invloed op je omgeving.
Hieraan zie je dat het vergroten van taalvaardigheid van kinderen een sleutel is tot zowel de sociale, de emotionele, de cognitieve, de creatieve als de persoonlijkheidsontwikkeling. Het ontwikkelen van de taal gaat gedeeltelijk vanzelf. Voor een ander deel is het ook erg afhankelijk van de taal die kinderen horen in hun omgeving. Het kindercentrum is dus naast de school en de thuisomgeving een belangrijke plek voor kinderen om de taal te leren en te gebruiken. Jij als pm’er kunt er dus ook een goede bijdrage aan leveren. Dit hoofdstuk gaat over praten en uitleggen. Hoe kun je op zo’n manier praten en uitleggen dat de communicatie tussen jou en het kind zo goed mogelijk verloopt en dat het kind zelf ook zo goed mogelijk zijn taal ontwikkelt?
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

5. Ontwikkeling stimuleren

Samenvatting
De ontwikkeling stimuleren van kinderen is een belangrijk onderdeel van je werk. Kennis over hoe kinderen leren is daarbij nodig. Kinderen hebben een intrinsieke motivatie om te leren, ofwel: een innerlijke drijfveer om te leren. Kinderen zijn nieuwsgierig en willen de wereld ontdekken en onderzoeken. Leren en plezier gaan dan samen en er is sprake van een hoge spelbetrokkenheid. Je kunt een grote bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kinderen door voorwaarden te scheppen voor spelbetrokkenheid. Ontwikkeling stimuleren gebeurt in samenwerking met het kind; aansluitend bij waar op dat moment de aandacht van het kind naar uitgaat en bij het tempo van het kind. Als je goed aansluit bij het kind kun je op een speelse manier alle verschillende ontwikkelingsgebieden aan de orde laten komen en zorgen voor een hoge spelbetrokkenheid.
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

6. Begeleiden van onderlinge interacties

Samenvatting
Kinderen hebben plezier met elkaar en lachen meer met elkaar dan met volwassenen. Ook leren kinderen ontzettend veel van elkaar. De aanwezigheid van andere kinderen maakt voor een kind het verblijf in een kinderdagverblijf, voorschool of bso aantrekkelijk. De groep kun je zien als een soort minisamenleving waarin kinderen leren samen te zijn. Kinderen komen in aanraking met andere kinderen met verschillende achtergronden. Ze leren hoe ze een plek in een groep kunnen krijgen, proberen verschillende rollen uit, doen sociale vaardigheden op, maken ruzie en sluiten vriendschappen. Het deel uitmaken van zo’n grote groep is voor veel jonge kinderen een nieuwe ervaring en een groot verschil met thuis. Het vormt daarmee bij uitstek de toegevoegde waarde en de kracht van de kinderopvang. Een groepsproces vraagt om een goede begeleiding. Daarin speelt de pedagogisch medewerker een grote rol.
Anneke Strik, Jacqueline Schoemaker

Nawerk

Meer informatie

Extras