Skip to main content
main-content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander artikel

01-06-2017 | Interview | Uitgave 2/2017

Kind & Adolescent Praktijk 2/2017

“Ik hoor het liefst van kinderen zelf waar zij tegenaan lopen”

Tijdschrift:
Kind & Adolescent Praktijk > Uitgave 2/2017
Auteur:
Dr. Anke Scheeren
Belangrijke opmerkingen
over de auteur Dr. Anke Scheeren is ontwikkelingspsycholoog en gepromoveerd op onderzoek naar autismespectrumstoornissen. Ze werkt als docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit van Tilburg.
Margrite Kalverboer (1960) pendelt voor haar werk op en neer tussen Den Haag en Groningen. “Maar gelukkig is er internet,” grapt ze. Haar kerntaken als Kinderombudsvrouw bestaan uit kennisverspreiding over het Kinderrechtenverdrag, behandeling van klachten en gevraagd én ongevraagd adviseren van instanties.
“Het instituut Kinderombudsman bestaat uit twaalf medewerkers en krijgt allerlei verzoeken om advies, bijvoorbeeld vanuit de regering of de Tweede Kamer. Bij mijn adviezen krijg ik ondersteuning van mijn beleidsadviseurs. Andere medewerkers houden zich bezig met het ombudswerk. Ombudswerk is de behandeling van tweedelijnsklachten en kan over van alles en nog wat gaan. Mensen kunnen bij ons melding maken van schending van kinderrechten door bepaalde publieke of private organisaties. De meeste mensen die bij ons klagen, zijn volwassenen.
Afgelopen jaar was tien procent van de klagers minderjarig en dat was een toename ten opzichte van de voorgaande jaren. Dat zegt, denk ik, ook iets over mijn focus.
Ik vind het namelijk heel belangrijk om van kinderen zelf te horen waar zij tegenaan lopen. In het Kinderrechtenverdrag, artikel 12, staat dat kinderen het recht hebben om gehoord te worden wanneer er belangrijke beslissingen over hen worden gemaakt. Ik hoor dus graag van de kinderen zelf wat zij vinden van zaken als passend onderwijs, jeugdhulp, of ouders met psychiatrische problemen.”
Pas geleden waren de Tweede Kamerverkiezingen. Heeft u gestemd en heeft u uw stem laten bepalen door uw functie als Kinderombudsvrouw?
“Ja, ik heb gestemd, maar ik heb mijn stem niet laten leiden door wat verschillende partijprogramma’s zeggen over kinderrechten. Aan de andere kant: ik zit natuurlijk niet voor niets op deze plek. Dus bepaalde waarden en idealen zoek ik wel terug in verkiezingsprogramma’s. Maar ik heb van tevoren niet gecheckt of de programma’s kinderrechtenproof zijn.”
Je hebt 50Plus en Partij voor de Dieren. Wat zou u vinden van een Partij...
“... voor de Kinderen? We hebben het VN Kinderrechtenverdrag en de overheid moet handelen conform dat verdrag. Dus je mag hopen dat die bescherming van kinderrechten terugkomt in wetgeving en beleid. Daar letten wij ook op als er bijvoorbeeld nieuwe wetten komen. Dus ik geloof niet zozeer dat er een aparte partij nodig is voor het beschermen van kinderrechten. We hebben natuurlijk eerder wel een minister gehad voor Jeugd en Gezin, André Rouvoet. Die heeft toen goed werk gedaan. Maar je moet verwachten, of je mag hopen dat alle politieke partijen in Nederland voldoende rekening houden met kinderen.”
Veel kinderen vinden familie het allerbelangrijkst in hun leven
U spreekt graag kinderen zelf over hun ideeën en ervaringen. Hoe bereikt u hen?
“Dat is best nog wel lastig. Toen ik vorig jaar begon, lag er een planning klaar met zo’n driehonderd kennismakingsgesprekken. Hierbij moet je denken aan ontmoetingen met allerlei bestuurders in de jeugdhulp, ministeries, NGO’s en hulpverleningsorganisaties als UNICEF. Na een aantal weken van dergelijke gesprekken had ik al behoefte aan meer context. Ik wilde weten wat er speelde onder de kinderen! Van september tot en met november 2016 heb ik daarom een kinderrechtentour gedaan. Die bestond uit verschillende werkbezoeken, waarbij de kinderen op de eerste plaats stonden. Het was heel mooi om te zien dat de professionals bereid waren om een stap opzij te doen om de kinderen aan het woord te laten. Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen, probeerden we tijdens die werkbezoeken een zo divers mogelijke groep kinderen te spreken. Ook ben ik op werkbezoek geweest naar Caribisch Nederland, waar 5500 kinderen wonen. Als Kinderombudsvrouw heb ik ook mandaat over Caribisch Nederland, vandaar. Naast de kinderrechtentour hebben we kinderen gevraagd om een vragenlijst in te vullen om een beter beeld te krijgen van hun ervaringen en behoeften.”
Wat was dit voor een vragenlijst?
“De vragenlijst is gebaseerd op mijn wetenschappelijk werk aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ik heb veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van opvoeding en wat kinderen nodig hebben om goed op te kunnen groeien. Samen met mijn collega, Elianne Zijlstra, heb ik een model gemaakt over de voorwaarden voor ontwikkeling. We kwamen uit op veertien voorwaarden voor een gunstige ontwikkeling, variërend van een adequate verzorging en een veilige omgeving tot een dagritme en een warme band met de opvoeders. In de vragenlijst vragen we daarom bijvoorbeeld of kinderen voldoende te eten krijgen thuis. Of ze aandacht krijgen. Of ze vriendjes en vriendinnetjes hebben. We hebben dus niet alleen naar de thuissituatie gevraagd, maar ook naar de kwaliteit van de bredere leefomgeving, zoals school en vrienden. We vroegen hen ook: ‘Als jij nou een dagje Kinderombudsman/vrouw mag zijn, wat zou jij dan aanpakken?’ Ten slotte hebben we kinderen gevraagd om hun leven een rapportcijfer te geven. In Nederland hebben zo’n tweeduizend kinderen de lijst ingevuld en in Caribisch Nederland nog eens 350. De steekproef is geen representatieve steekproef van kinderen in Nederland, want de meeste respondenten zitten op de middelbare school, zijn meisjes, en ongeveer de helft zit op havo/vwo. Maar de resultaten zeggen wel degelijk iets over sommige groepen kinderen.”
Wat waren de resultaten?
“Gemiddeld geven kinderen hun leven een behoorlijk hoog rapportcijfer, namelijk een 7,4. We zagen ook dat kinderen hun leven gemiddeld een lager cijfer geven wanneer hun ouders bijvoorbeeld niet meer prettig met elkaar omgaan. Sommige kinderen vinden dat hun ouders niet het goede voorbeeld geven of ze voelen zich onzeker over de toekomst. Ook kinderen uit arme gezinnen beoordelen hun leven met een lager cijfer.
Ik had verwacht dat deze lagere waardering vooral zou liggen aan een gebrek aan spullen of te weinig eten, maar dat bleek mee te vallen. Kinderen uit arme gezinnen noemen vaker dat ze zich onzeker voelen, maar ook dat hun ouders niet genoeg tijd voor hen hebben. Uit ons vragenlijstonderzoek blijkt dus dat het probleem dieper gaat dan puur materiële zaken en dat er waarschijnlijk ook geen puur materialistische oplossing voor bestaat.
Veel kinderen vinden familie het allerbelangrijkste in hun leven. Als het thuis goed gaat, gaat het vaak met hen ook goed. Maar als het thuis niet goed gaat, zit daar meteen ook de meeste pijn. Kinderen gaven vrij massaal aan dat ze het heel belangrijk vinden om goed contact te hebben met hun ouders. Dat is ook wat ze het meeste missen. Dus kinderen met wie het minder goed gaat, geven aan dat ze graag meer positieve aandacht zouden krijgen van hun ouders. De wensenlijst van de meeste kinderen bestaat dus niet zo zeer uit mobieltjes of iPads, maar uit aandacht.
Nog iets opvallends dat we vonden in onze resultaten was het relatief hoge aantal HAVO- en VWO-leerlingen met stress en psychische klachten vanwege school.
Kinderen hoeven niet meer mobieltjes, maar willen aandacht
Kinderen klaagden dat volwassenen geen benul hebben van wat er speelt en dat de werkdruk erg hoog is. Er worden bijvoorbeeld erg lange schooldagen gemaakt gevolgd door urenlang huiswerk maken. Of er kan niet echt vakantie worden gevierd door de kinderen vanwege toetsen die direct na de vakantie zijn gepland. Ook gaven nog verrassend veel kinderen aan dat er nog steeds wordt gepest op school. Als je echter kijkt naar de cijfers, dan lijkt pesten juist verminderd te zijn de afgelopen jaren.
Ook hebben scholen nu standaard antipestprotocollen. Dus wat wij te horen kregen van de kinderen stemt niet helemaal overeen met de cijfers. Vorige week sprak ik hierover met jongeren die werken voor de Kindertelefoon. Kinderen die bellen hebben het inderdaad nog altijd vaak over pesten en dan vooral over sociale uitsluiting. Je hebt kinderen die naar school gaan en de hele dag niemand spreken. Pesten is voor kinderen dus niet alleen fysieke of verbale agressie, maar ook er niet bij horen, buitengesloten worden. Volgens mij is het vreselijk om nergens bij te horen.”
Bent u bekend met het Finse schoolmodel van korte schooldagen, weinig toetsen, minder huiswerk en inclusief onderwijs? Kunnen wij in Nederland hier iets van leren?
“Ik ken het systeem onvoldoende. Ik herken het beeld dat je schetst en men zegt inderdaad dat het Finse schoolsysteem goed werkt. Ik denk dat het wel goed aansluit bij de klachten die wij opvangen over de hoge werkdruk op Nederlandse scholen, zoals de lange schooldagen en het veelvuldige toetsen. De zorg over werkdruk wordt overigens ook wel gedeeld door professionals en de Inspectie.
Er bestaat in Nederland bij scholen een enorme druk om hoog te scoren op allerlei prestatielijstjes. Dit heeft mogelijk ook weer zijn weerslag op de leerlingen. Die druk om goed te presteren op school komt niet alleen vanuit school en leerkrachten, maar ook bijvoorbeeld vanuit de ouders. Dat maakt het heel complex.”
Is school voor jongeren van nu zwaarder dan voor jongeren van twintig jaar geleden?
“Ik denk het wel. Ik denk dat het ook met heel veel maatschappelijke ontwikkelingen te maken heeft. Onze wereld is groter geworden met al die sociale media. Het gaat 24/7 door. Ik denk dat de jongeren van nu veel van zichzelf en van elkaar vragen. Ze leggen de lat hoog op heel veel gebieden. Als samenleving stellen wij ook hoge eisen. Niet alleen op school zijn de eisen opgeschroefd, maar ook het curricula vitae van jongeren moet steeds indrukwekkender zijn om toegelaten te kunnen worden tot bijvoorbeeld een universitaire opleiding. Denk aan het aantonen van maatschappelijke betrokkenheid, bijbaantjes, bestuurlijke functies. Er is tegenwoordig enorm veel aandacht voor excellente en talentvolle leerlingen. Dat was in mijn tijd minder. We lijken daar soms een beetje in door te slaan. Hoeveel hoogbegaafde kinderen er tegenwoordig wel niet zijn...” Kalverboer schudt betekenisvol haar hoofd en vervolgt lachend: “Niemand mag meer een doorsnee kind hebben! Andersom werkt het ook. Als een kind ergens moeite mee heeft, dan moet daar meteen een verklaring voor worden gegeven. Je kunt allerlei schoolproblemen bedenken die wij tegenwoordig labelen. Had je vroeger gewoon moeite met rekenen, nu heb je dyscalculie. Ik vrees dat die ontwikkeling de komende tijd nog verder doorzet. We zadelen kinderen wel met veel op, vind ik.”
Sinds twee jaar is er de Wet Passend Onderwijs. Wat vinden kinderen hiervan?
“Als we bij de Kinderombudsman dingen horen van kinderen, dan zijn het vaak de klachten, vanwege het ombudswerk dat we doen. Dus we zien vaak maar één kant van de medaille. De klachten over passend onderwijs die wij ontvangen, zijn heel divers, variërend van kinderen die zich niet prettig voelen op het speciaal onderwijs tot financiële zorgen over onderwijsondersteuning en kinderen die thuiszitten.
De situaties en behoeften verschillen sterk per individueel geval.
Sommige kinderen voelen zich juist prettig op het speciaal onderwijs, ze voelen zich bijvoorbeeld minder vreemd en horen er weer bij. Andere kinderen willen juist liever naar het regulier onderwijs, maar krijgen geen toegang. En ten slotte heb je nog kinderen die thuiszitten, omdat er geen vorm van onderwijs lijkt te bestaan die bij hun individuele situatie past.
Tijdens de kinderrechtentour heb ik ook met thuiszitters gesproken.
Dit is een erg kwetsbare groep kinderen. Toen ik met hen sprak, was het voor mij moeilijk om de kinderen voor te stellen in een gewone klassensituatie. Ik dacht: wat een opgave om dit kind, zoals het hier nu voor me zit, te plaatsen op een school waar dit kind zich gelukkig en prettig zal voelen. Ik ben wel benieuwd hoe ze zoiets in Finland aanpakken. Wat doe je met kinderen die er echt buitenvallen? Ik vond het hele treurige verhalen. In Nederland zitten momenteel een paar duizend kinderen thuis.
Het aantal lijkt de afgelopen jaren weliswaar iets te zijn afgenomen, maar het probleem is zeker nog niet opgelost. Het is ontzettend complex en maatwerk om elk kind een goede plek te kunnen bieden.”
Als het thuis niet goed gaat, zit daar ook de meeste pijn
De Jeugd-ggz heeft veel zorgen over de Jeugdwet en de onderlinge verschillen tussen gemeentes. Wat is uw mening over de Jeugdwet?
“In november hebben wij een nieuw jeugdhulprapport uitgebracht. Sinds de transitie zijn er in totaal vier rapporten uitgebracht waarin de stand van zaken wordt beschreven. Wat wij hierin terugzagen, was inderdaad een grote ongelijkheid tussen gemeentes, niet alleen wat betreft het zorgaanbod, ook de wijze waarop de hulp wordt georganiseerd en de kwaliteit van de diagnostiek en de wijkteams lopen uiteen. Gemeentes bepalen zelf hoe de hulp wordt ingekocht. Men kan bijvoorbeeld het beleid hebben om eerst brede, toegankelijke hulp te bieden om daarna pas duurdere, specialistische hulp in te zetten. We zien dat sommige gemeentes het heel goed doen, maar andere minder goed. Dit heeft ook te maken met de afstemming, met de Raad van de Kinderbescherming bijvoorbeeld, met de gezinsvoogdijinstellingen en de wijkteams. Maar het is evident dat er problemen zijn in de Jeugd-ggz, dat er ongelijkheid is tussen gemeentes én dat er op dit moment niet goed regie over wordt gevoerd. Dat laatste vloeit logisch voort uit het feit dat het nu op gemeenteniveau wordt geregeld in plaats van centraal. Alle gemeentes moeten ervoor zorgen dat de kwaliteit op orde is en dat er gelijkheid van zorg bestaat voor kinderen. Ieder kind moet de zorg krijgen die het nodig heeft. Dit mag niet afhankelijk zijn van waar je woont. Ik heb met ouders gesproken met een kind met ernstige beperkingen en die ouders gaven aan dat hun kind niet meer dezelfde zorg zou ontvangen als zij twintig kilometer verderop zouden gaan wonen. Bij de Kinderombudsman zijn we daar kritisch op. Wij geven dit signaal ook af bij de betrokken partijen en houden ondertussen een vinger aan de pols.”
We zadelen de kinderen hier met een hoge werkdruk op
Dat Margrite Kalverboer genoeg ambities heeft voor de toekomst blijkt niet alleen uit haar volle werkagenda, maar ook uit het nieuwsbericht dat een paar dagen na het interview verschijnt. Ze wil een onderzoek starten naar de psychische gevolgen voor kinderen van de aardbevingen in Groningen. Kalverboer zegt op haar website dat in de discussie over gaswinning en aardbevingen in Groningen maar weinig aandacht is geweest voor de dertigduizend kinderen in het aardbevingsgebied. “Ik wil daar verandering in brengen.”
De resultaten van het onderzoek worden in de zomer verwacht.

Onze productaanbevelingen

BSL Psychologie Totaal

Met BSL Psychologie Totaal blijft u als professional steeds op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen binnen uw vak. Met het online abonnement heeft u toegang tot een groot aantal boeken, protocollen, vaktijdschriften en e-learnings op het gebied van psychologie en psychiatrie. Zo kunt u op uw gemak en wanneer het u het beste uitkomt verdiepen in uw vakgebied.

Kind & Adolescent Praktijk

Het vakblad Kind en Adolescent Praktijk biedt informatie die direct aansluit bij de dagelijkse praktijk van diagnostiek, behandeling en begeleiding. Kind en Adolescent Praktijk biedt ook een forum voor een kritische beschouwing van die dagelijkse praktijk en voor discussie over onderwerpen waarmee de professional te maken hebben.

Over dit artikel

Andere artikelen Uitgave 2/2017

Kind & Adolescent Praktijk 2/2017 Naar de uitgave

OriginalPaper

Gezien en gelezen

Ten Geleide

Erger voorkomen

Australische interventie blijkt in dagelijkse praktijk ook op lange termijn effectief

Met vrienden angst en depressie op de basisschool te lijf