Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft dokters-, apothekers- en tandartsassistenten in opleiding een volle¬dig en actueel beeld van de gezondheids¬zorg in Nederland.

Het boek geeft antwoord op vragen als: hoe zit het nu met eigen risico? Wie mag welke medische gegevens zien? En waarom is het zo moeilijk om zorgkosten in de hand te houden?

Ook is het boek zeer geschikt als naslag¬werk in de praktijk.

Inleiding in de gezondheidszorg beschrijft verschillende soorten zorg en taken van zorgverleners in de eerste en tweede lijn.

In deze vierde, herziene druk leest u over preventie, voorlichting, patiëntrechten, financiering van de zorg en gezondheids¬beleid en -wetgeving. Ook laat het boek zien wat de recente ontwikkelingen zijn op het gebied van bijvoorbeeld het Elek¬tronisch Patiënten Dossier, het Landelijk Schakelpunt, het klachtrecht, de uitbrei¬ding van prenatale testen en de opkomst van budgetpolissen.

Er is de afgelopen jaren veel veranderd in de gezondheidszorg en de veranderingen gaan door. Daarom hebben de auteurs niet geprobeerd om volledig te zijn. Wel willen ze graag dat de informatie praktijkgericht is en dat studenten en assisterenden hun beroepspraktijk herkennen in dit boek.

Marieke van der Burgt werkte als docent medische vakken en patiëntenvoorlich¬ting aan het hbo en mbo. Zij is auteur van diverse boeken voor zorgopleidingen van het hbo en mbo en nascholingspro¬gramma’s.

Els van Mechelen-Gevers werkte als diëtist in alle velden van de gezondheidszorg en als docent aan Fontys Hogeschool. Zij is auteur van diverse boeken voor zorgoplei¬dingen van het hbo en mbo.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Gezondheidszorg in een notendop

De gezondheidszorg in Nederland bestaat uit eerstelijnszorg door generalisten en tweedelijnszorg door specialisten. Eerstelijnszorg is zorg dichtbij, zonder verwijzing, uitgevoerd door generalisten: breed opgeleide mensen zoals de huisarts, tandarts, apotheker en hun assistenten, de verloskundige, fysiotherapeut en thuiszorgmedewerker. Voor specialistische hulp wordt verwezen naar de tweede lijn: ziekenhuizen, revalidatiecentra, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg. Verpleeghuizen en instellingen voor mensen met verstandelijke beperking bieden specialistische zorg met verblijf. Preventie wordt steeds belangrijker. Alle beroepsgroepen doen aan preventie, vooral die in de eerste lijn en bij de GGD. Patiëntenrechten zijn vastgelegd in de WGBO (Wet geneeskundige behandelovereenkomst) en de Wkkgz (Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg). In de WGBO staan regels voor dossiervorming, in de Algemene verordening gegevensuitwisseling (AVG) regels voor het uitwisselen van gegevens. In de Wkkgz is ook de wettelijke klachtenprocedure geregeld. In de Wet BIG (Beroepen individuele gezondheidszorg) staan regels voor de opleiding en beroepsuitoefening (zoals voorbehouden handelingen) en de tuchtrechtspraak.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

2. Huisartsenzorg

De huisarts is een generalist, een poortwachter in de zorg: alleen als het nodig is, verwijst hij een patiënt door. Dat voorkómt onnodig duur medisch handelen. De huisarts houdt overzicht over de medische (zorg)geschiedenis van de patiënt en biedt 7 × 24 uur zorg. De praktijkassistent en praktijkondersteuner hebben dikwijls een eigen spreekuur. Een speciaal opgeleide doktersassistent verzorgt de triage: zij bepaalt hoe snel een patiënt hulp nodig heeft en wie die hulp moet bieden. Praktijkondersteuners en nurse practitioners nemen sommige taken van de huisarts over, zoals de begeleiding van chronisch zieken. Houdt de huisarts de eindverantwoordelijkheid, dan heet dit taakdelegatie, anders is sprake van taakherschikking. De kwaliteit in de huisartsenpraktijk wordt bevorderd door NHG-standaarden, NHG-triagewijzer, elektronisch voorschrijfsysteem (EVS) en overleg (farmacotherapeutisch overleg (FTO) tussen huisartsen en apotheker). Huisarts en assistenten geven vaak preventieadviezen en voeren programmatische preventie uit (vaccinatie, uitstrijkjes). De kosten voor de huisarts worden vergoed vanuit het basispakket van de zorgverzekering.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

3. Mondzorg in de eerste lijn

In de mondzorg spelen tandartsen, mondhygiënisten en tandartsassistenten een rol. Mensen kunnen zonder verwijzing naar de tandarts. De tandarts doet controles en voert preventieve taken uit. Daarnaast doet hij curatieve behandelingen. Tandartsassistenten assisteren bij de behandeling, en voeren ook zelfstandig een aantal tandheelkundige handelingen uit. Mondhygiënisten bieden zelfstandig preventieve zorg en behandelingen. Er wordt verwacht dat de vraag naar mondzorg zal toenemen, doordat mensen ouder worden en doordat steeds meer mensen tot op hoge leeftijd hun eigen gebit hebben. Dat heeft tot gevolg dat tandartsen vaker te maken zullen krijgen met mensen met beperkingen, die thuis wonen of in een verpleeghuis. Alleen voor kinderen tot achttien jaar wordt tandheelkundige zorg vanuit de basisverzekering vergoed.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

4. Apotheken en zorg voor geneesmiddelen

Openbare apotheken (in de wijk) verstrekken geneesmiddelen op recept en hulpmiddelen. De apotheker is verantwoordelijk voor de farmaceutische patiëntenzorg (FPZ). Apothekersassistenten bereiden geneesmiddelen en zorgen voor het uitreiken ervan, inclusief de voorlichting erover. Er worden spécialités verkocht – geneesmiddelen met een merknaam – en generieke middelen onder de naam van de werkzame stof. Artsen, tandartsen en verloskundigen zijn bevoegd geneesmiddelen voor te schrijven en zelf te kiezen. Beroepsgroepen hebben echter standaarden met generieke middelen als voorkeursgeneesmiddel en meestal regionale afspraken die soms in een boekje staan (regionaal formularium). Overheid en zorgverzekeraars stimuleren artsen om zinnig en zuinig voor te schrijven en bij voorkeur generieke middelen voor te schrijven. De apotheker werkt met huisartsen samen in het farmacotherapeutisch overleg (FTO). Geneesmiddelen op recept worden meestal geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit het basispakket van de zorgverzekering. Zorgverzekeraars mogen bepalen welk geneesmiddel uit een groep ze vergoeden (preferentiebeleid).
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

5. Andere zorgverleners in de eerste lijn

Paramedici behandelen zelfstandig patiënten. Voor paramedische hulp is geen verwijzing nodig. De meeste paramedische zorg valt niet onder de basiszorgverzekering. Alleen mensen met bepaalde chronische aandoeningen krijgen (een deel van) de behandeling vergoed. Verloskundigen begeleiden vrouwen tijdens hun zwangerschap, de bevalling en het kraambed. Er is geen verwijzing nodig. Verloskundige zorg en kraamzorg (het basispakket) vallen onder de basiszorgverzekering. Voor het algemeen maatschappelijk werk of een gezondheidszorgpsycholoog is geen verwijzing van de (huis)arts nodig. De kosten van de huisarts vallen onder de basiszorgverzekering. Het maatschappelijk werk is gratis voor de cliënt. Met zorg aan huis kunnen ouderen en chronisch zieken zo zelfstandig mogelijk thuis blijven wonen. Persoonlijke verzorging en verpleging worden uitgevoerd door verzorgenden en verpleegkundigen van thuiszorgorganisaties. Een wijkverpleegkundige van de thuiszorginstelling stelt de indicatie. De kosten van verzorging en verpleging thuis worden vergoed vanuit het basispakket van de zorgverzekering. Er zijn geen eigen bijdragen.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

6. Zorg door de patiënt en zijn omgeving zelf

Als mensen gezondheidsklachten hebben, proberen ze daar meestal eerst zelf iets aan te doen (zelfzorg). Soms helpen anderen als iemand ziek is of door beperkingen iets niet zelf kan (mantelzorg). Zelfzorg en mantelzorg vallen onder de informele zorg. De formele zorg is de zorg door professionals. Mensen met chronische klachten en beperkingen proberen de regie over hun leven en de zorg te houden. Assistenten geven vaak zelfzorgadviezen of informatie om zelfzorg te bevorderen. Daarnaast zijn er patiënten- en cliëntenorganisaties van ‘lotgenoten’, mensen met een bepaalde ziekte of handicap. Elkaar steunen is een van de doelen, naast informatie geven en belangenbehartiging. Op landelijk niveau worden de belangen van patiënten en cliënten behartigd door de Patiëntenfederatie Nederland (NPCF), Ieder(in) en Zorgbelang Nederland. MEE is een organisatie ter ondersteuning van chronisch zieken en mensen met beperkingen. Ieder(in) is een netwerk voor mensen met een beperking of chronisch ziekte.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

7. Complementaire en alternatieve zorg

Er bestaan veel complementaire en alternatieve behandelmethoden. De meeste gaan ervanuit dat ziekte ontstaat door een verstoring van de energiestroom, en dat is een andere zienswijze dan de wetenschappelijke opvatting in de reguliere geneeskunde. Sommige alternatieve genezers zijn regulier opgeleid tot arts of verpleegkundige. Veel mensen kiezen een alternatieve of complementaire behandelaar als ze chronische klachten hebben die met de behandeling van huisarts of specialist niet overgaan. Belangrijk daarbij is het idee dat een alternatieve behandeling minder schadelijk is en er meer naar samenhang wordt gekeken tussen persoon, klacht, leefsituatie en leefpatroon. Niet elke huisarts, specialist of apotheker weet dat de patiënt ook naar een alternatieve genezer gaat. De beroepsgroep alternatieve genezers is niet als groep in de Wet BIG beschreven, en iedereen kan zichzelf dus genezer noemen. Een alternatieve genezer die lid is van zijn beroepsvereniging, voldoet wel aan de eisen van de beroepsvereniging. Meestal betaalt de patiënt het consult en de medicijnen zelf.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

8. Ziekenhuizen

Een ziekenhuis levert medisch-specialistische zorg en verpleging. De patiënt is verwezen door huisarts, tandarts of verloskundige onder vermelding van bijvoorbeeld onderzoek en diagnose, of onderzoek en behandeling. Er bestaan algemene, categorale en academische ziekenhuizen. De medisch specialist is meestal in dienst van het ziekenhuis. Een patiënt kiest zelf ziekenhuis en specialist, maar soms heeft de zorgverzekeraar voorkeursziekenhuizen. Bij complexe problematiek krijgt een patiënt met meerdere (mede)behandelaars te maken. Steeds meer ziekenhuizen werken patiëntgericht, bijvoorbeeld door alle onderzoeken en het diagnosegesprek op één dag te plannen. Als 24 uur per dag observatie, intensieve behandeling en verpleegkundige zorg nodig zijn, wordt de patiënt opgenomen. Taakherschikking verlicht werkdruk, vermindert kosten en creëert nieuwe functies, zoals nurse practitioner en physician assistant. Voor toepassing van dure geneesmiddelen maken ziekenhuizen afspraken met zorgverzekeraars. De overheid stimuleert ketenzorgprojecten en verplicht ziekenhuizen gegevens te publiceren over hun kwaliteit van zorg.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

9. Samenwerking tussen eerste en tweede lijn

Zorgverleners uit de eerste en tweede lijn werken op verschillende terreinen met elkaar samen. Huisartsen kunnen specialisten consulteren, er zijn lokale en landelijke afspraken over samenwerking en er zijn richtlijnen voor ketenzorg. Transmurale centra en transferverpleegkundigen zorgen voor een goed verloop van overdracht uit het ziekenhuis naar huis. Ziekenhuizen en huisartsen leggen afspraken over de geneesmiddelkeuze vast in een regionaal formularium. Specialisten en huisartsen kunnen een elektronisch patiëntendossier (EPD) of elektronisch medisch dossier (EMD) inzien. Gezamenlijke scholing bevordert de verstandhouding en samenwerking. Er is farmacotherapeutisch transmuraal overleg (FTTO) tussen openbare apotheken en de ziekenhuisapotheek. Elke regio heeft een ambulancevoorziening voor vervoer van mensen met acute of ernstige gezondheidsproblemen en afspraken over de organisatie van de spoedeisende hulp. Zorgverleners in de palliatieve zorg stemmen de zorg af. De KNMG heeft een richtlijn opgesteld voor palliatieve sedatie en in de wet is geregeld onder welke voorwaarden euthanasie mag worden toegepast.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

10. Tweedelijns mondzorg

Er zijn twee erkende specialismen in de mondzorg: de arts voor mondziekten en kaakchirurgie en de orthodontist. Daarnaast zijn er tandartsen die zich hebben bekwaamd op een deelgebied, zoals een implantoloog of parodontoloog, een tandarts voor gehandicapten of een angsttandarts. Zowel de erkende specialisten als de niet-erkende specialisten kunnen in een ziekenhuis werken, in een tandartspraktijk of een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Voor behandeling is verwijzing nodig. Wie niet voldoende door een (gewone) tandarts kan worden geholpen – zoals mensen met bewegingsstoornissen, een ernstige verstandelijke beperking of een extreme angst voor de tandarts – kan terecht in centra voor bijzondere tandheelkunde (CBT).
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

11. Andere tweedelijns voorzieningen

Mensen die te veel zorg nodig hebben om zelfstandig of met wat hulp thuis te wonen, komen in aanmerking voor verblijf in een verzorgingshuis (met beperkte zorg) of een verpleeghuis (met verzorging en verpleging). Mensen in het verpleeghuis hebben niet langer hun eigen huisarts, tandarts of apotheek, maar in een verzorgingshuis kan dat anders zijn geregeld. De mondzorg in het verpleeghuis en verzorgingshuis is lang niet altijd ideaal en ook de farmaceutische zorg in verzorgingshuizen is niet overal goed geregeld. Grote instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (ggz) en instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking hebben meestal een eigen medische dienst en een eigen apotheek voor hun bewoners. De meeste mensen met een psychiatrische stoornis of een verstandelijke beperking wonen zelfstandig of begeleid en gaan naar een tandarts in de eerste lijn.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

12. Preventie en gezondheidsbevordering

Preventie betekent voorkómen dat een ziekte en/of beperking ontstaat. Onder de primaire preventie vallen zaken als vaccinatie en het aanpakken van risicofactoren. Secundaire preventie is vroege opsporing van aanwezige ziekten door screening. Bij tertiaire preventie gaat het om het voorkómen dat de ziekte verergert of dat complicaties optreden. Quaternaire preventie is voorkómen dat mensen onnodig zorg ontvangen en/of afhankelijk worden van zorg en de eigen regie verliezen. Mensen moeten meestal zelf iets doen om ziekte te voorkómen, dus voorlichting is belangrijk. De GGD (gemeentelijke gezondheidsdienst) zorgt voor preventie en gezondheidsbevordering, jeugdgezondheidszorg (kinderen 0 tot 18 jaar), infectieziektebestrijding (ook eventueel bron- en contactonderzoek), gezondheidsvoorlichting en coördinatie van screening. Er bestaat ook een elektronisch kinddossier (EKD). Arbodiensten of diensten voor bedrijfsgezondheidszorg doen aan preventie van gezondheidsproblemen door werk, preventie van ziekteverzuim en begeleiding bij re-integratie. Aan preventie wordt minder uitgegeven dan aan cure en care, namelijk 2–4 % van de totale zorgkosten.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

13. Patiëntenrechten

De rechten van de patiënt staan in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Een patiënt heeft recht op zorg, maar de zorgverlener bepaalt wat nodig is aan zorg op grond van kennis en ervaring. Patiënt en zorgverlener gaan een behandelovereenkomst aan met rechten en plichten. De patiënt moet toestemming geven voor elk onderzoek en elke behandeling als de aard van onderzoek of behandeling, het doel en de mogelijke gevaren (informed consent) hem duidelijk zijn. Een patiënt mag behandeling weigeren en besluiten dat hij bepaalde dingen niet wil weten. Er zijn afspraken over doorgeven van uitslagen en informatie door de assistent. De zorgverlener moet gegevens vastleggen in een dossier. Alleen (mede)behandelaars die de informatie nodig hebben om goede zorg te leveren, kunnen de gegevens inzien via het LSP, en dan nog volgens strenge regels.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

14. Zorgen voor kwaliteit

Het begrip ‘kwaliteit’ gaat erover dat iets voldoet aan verwachtingen of eisen. Bij zorg gaat het om veilige, goede zorg en het zorgverleningsproces. Huisartsen, apothekers en tandartsen hebben daar standaarden voor. De Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector helpt zorginstellingen bij het beoordelen van hun kwaliteit. Werkafspraken, protocollen, richtlijnen, standaarden en de kwaliteitscyclus (plan, do, check en act) moeten kwaliteit bevorderen. De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) stelt eisen aan de kwaliteit van zorgverleners. In deze wet genoemde vakgebieden en titels zijn beschermd (titelbescherming). De Wet BIG heeft regels voor het uitvoeren van voorbehouden handelingen. Bekwame assistenten mogen in opdracht en onder toezicht van arts of apotheker voorbehouden handelingen uitvoeren. Sommige beroepsgroepen zijn wettelijk verplicht een tuchtcommissie in te stellen. Een instelling is volgens de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg. De Geneesmiddelenwet regelt de kwaliteit van geneesmiddelen en de verstrekking ervan.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

15. Als het (bijna) fout gaat

Protocollen, werkinstructies en (na)scholingen moeten de kans op fouten verkleinen. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is bedoeld om de positie van de patiënt te versterken. Zorgverleners, instellingen en praktijken zijn verplicht om (seksueel) geweld en ernstig disfunctioneren te melden. Ook calamiteiten moeten ze melden bij de Inspectie. Volgens deze wet moeten zorgverleners veilig incidenten kunnen melden bij een MIP-commissie. Daar moeten instellingen en praktijken voor zorgen. Tot slot regelt de Wkkgz een vlotte aanpak van klachten via een klachtenfunctionaris en geschillencommissie. De zorgverlener moet binnen zes weken een reactie geven op de klacht. De patiënt kan ook een andere weg kiezen en de klacht voorleggen bij de tuchtcommissie van een beroepsgroep of de civiele rechtbank. Ook kan hij aangifte doen bij de politie voor een strafzaak.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

16. Gezond blijven op het werk

Werk kan belastend of gevaarlijk zijn. Personeel en werkgevers hebben belang bij veilige en gezonde werkomstandigheden. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) verplicht werkgevers om te zorgen voor goede werkomstandigheden, verzuimbegeleiding, Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E of RIE) en het aanstellen van een preventiemedewerker. Er zijn ook afspraken of convenanten, richtlijnen, protocollen en werkinstructies gemaakt om de gezondheid van werknemers te beschermen. Daarnaast zijn er overheidsregels voor het gebruik van stralingsbronnen (Besluit stralingsbescherming), waarschuwingssymbolen op etiketten, lijsten met informatie over gevaarlijke stoffen, regels voor het verwijderen van (gevaarlijk) afval en richtlijnen voor infectiepreventie. Bedrijven en instellingen doen mee aan gezondheidsbevorderingsprojecten. Een arbodienst helpt bij het gezond houden en begeleiden van werknemers, waarbij preventie de belangrijkste taak is. De Wet verbetering poortwachter (Wvp) eist een plan van aanpak voor werkhervatting als iemand langer dan zes weken ziek is. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Arbeidsinspectie en de Milieu-inspectie houden toezicht op veilig werken.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

17. Financiering van het zorgstelsel

In de Zorgverzekeringswet (Zvw) staat dat mensen voor curatieve zorg een zorgverzekering moeten afsluiten bij een zorgverzekeraar en daarvoor premie betalen. De overheid bepaalt wat in het basispakket zit. Iedereen is wettelijk verplicht zich te verzekeren en verzekeraars moeten iedereen accepteren. Verzekeren voor meer zorg kan met een aanvullend pakket. De kosten voor langdurige zorg (care) zijn geregeld in de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) stelt vast of iemand recht heeft op langdurig verblijf met zorg in een zorginstelling. De patiënt kan dan ook thuis blijven wonen en via een persoonsgebonden budget (pgb) zelf zorgverleners regelen. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is bedoeld om mensen in staat te stellen te participeren in de maatschappij. De wet regelt voorwaarden, voorzieningen en hulp daarvoor. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de inwoners kunnen meedoen. Daarnaast regelt de gemeente ook de jeugdzorg en jeugd-ggz.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

18. De overheid en gezondheidszorgbeleid

De overheid wil de zorgkosten op een verantwoorde manier in de hand houden, bijvoorbeeld door het werken met een budget. Een andere manier is het beperken van geneesmiddelenuitgaven, bijvoorbeeld door alleen het goedkoopste middel te vergoeden van een groep middelen met ongeveer dezelfde werking (Geneesmiddelen Vergoedingen Systeem, GVS) en een (maximum)prijs vast te stellen voor geneesmiddelen. Daarnaast worden er afspraken gemaakt (convenanten) tussen de overheid, apothekers en fabrikanten. De overheid heeft ook in de afgelopen vijftig jaar nieuwe wetten en regels opgesteld om het zorgaanbod onder controle te krijgen (stelselherziening). Belangrijke elementen van het stelsel zijn behandelen in de eerste lijn als dat kan en in de tweede lijn als dat nodig is, splitsing cure en care, meer vraagsturing en meer marktwerking. Voor onverzekerden en mensen zonder geldige verblijfspapieren die zich niet kunnen verzekeren is er toch zorg, want zorgverleners hebben de plicht om noodzakelijke zorg te bieden.
M. van der Burgt, E. van Mechelen-Gevers

Nawerk

Meer informatie

Extra’s