Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Na drie of vier jaar studie geneeskunde is voor velen het co–schap interne geneeskunde een eerste confrontatie met de kliniek: werken in een complexe organisatie als het ziekenhuis en in de praktijk leren toepassen van opgedane kennis en ervaring. De vraag "wat heeft deze patiënt?" komt vaak dringend op je af. Leidraad interne geneeskunde helpt je met het vinden van een antwoord. Het boek besteedt beknopt aandacht aan de opbouw van een anamnese, praktische problemen bij het lichamelijk onderzoek, het schrijven van een status en enkele begrippen uit de epidemiologie. Centraal in het boek staat de bespreking van de meest voorkomende klachten, steeds in een vaste indeling gepresenteerd: omschrijving van de klacht, het ontstaan ervan, de differentiële diagnose, vragen aan de patiënt en het lichamelijk onderzoek. Daarbij worden de voornaamste ziektebeelden besproken die de klacht kunnen veroorzaken en elk deel sluit met aanvullend onderzoek af. De schematische opbouw stelt je in staat je in korte tijd, bijvoorbeeld op weg van de co–assistentenkamer naar een patiënt op de eerste hulp, een beeld van de klacht te vormen.Leidraad interne geneeskunde is samengesteld door drie internisten, die hiermee de beginnende medicus practicus een leidraad voor dit boeiende, brede en daardoor complexe specialisme bieden.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Hoofdstuk 1 Wat is interne geneeskunde?

Met deze ietwat wijdlopige en descriptieve definitie opent het tweede hoofdstuk van het Raamplan interne geneeskunde. Hoewel op zo’n definitie van alles valt aan te merken, geeft zij de breedte van het werkterrein van de internist goed weer. Het gaat in de interne geneeskunde over patiënten die lijden aan stoornissen van de inwendige organen en orgaansystemen – organen die dus niet zonder meer met de blote hand of het blote oog in kaart zijn te brengen. De preventie en diagnostiek horen nadrukkelijk tot het werkterrein, als ook de therapie, voor zover deze niet-chirurgisch van aard is. In de intramurale curatieve zorg wordt vaak de tweedeling snijdend/beschouwend specialisme gehanteerd. De interne geneeskunde zou dan, samen met bijvoorbeeld de psychiatrie, dermatologie, longziekten, cardiologie en neurologie in de ‘beschouwende’ specialismen worden ondergebracht. Nog los van de vraag of een dergelijke indeling organisatorisch nuttig is, is het zeer de vraag of zo’n indeling de patiënt die met een zorgvraag komt – en niet met een specialismeverzoek – recht doet. Het is een teken aan de wand dat tegenwoordig veel zogenaamde interdisciplinaire zorginitiatieven (moeten?) worden genomen: blijkbaar is de samenwerking tussen ‘snijdende’ en ‘beschouwende’ specialismen hard nodig, en gaat deze niet vanzelf. De klassieke tweedeling is aan revisie toe.
A.J. Kooter, H.M.A. Hofstee, A. Thijs

2. Hoofdstuk 2 Omgang met de patiënt

Het contact met een patiënt begint vrijwel altijd met een gesprek waarin je een zo goed mogelijk beeld probeert te krijgen van de patiënt en van zijn klachten. In dit gesprek probeer je een eerste indruk te krijgen van de oorzaak en de klachten. Sterker nog, vaak zul je gehoord hebben dat de anamnese de hoeksteen is van de diagnostiek, zeker voor de internist. Omdat de anamnese zo’n belangrijk instrument is, hebben we in dit boekje erg ons best gedaan om zo concreet mogelijke vragen bij iedere klacht voor je op te schrijven, zodat je in zo’n diagnostisch gesprek al een beetje op weg geholpen wordt. Toch is het goed nog eens stil te staan bij de principes van dit zo belangrijke instrument. Het valt natuurlijk buiten het bestek van dit boekje om zeer gedetailleerd op onderdelen in te gaan: het onderstaande is bedoeld als een korte reminder.
A.J. Kooter, H.M.A. Hofstee, A. Thijs

3. Hoofdstuk 3 Epidemiologie

Sinds de introductie van de evidence based medicine heeft een aantal begrippen uit de statistiek en epidemiologie een vaste plaats gekregen in het medisch denken en handelen. Niet altijd is voor de beginnende clinicus (jij dus) duidelijk hoe deze begrippen en concepten in de dagelijkse praktijk worden gebruikt. Hoewel evidence based medicine en epidemiologie ook worden toegepast bij het beoordelen van diverse strategieën van preventie en therapie, beperken we ons hier tot diagnostiek. Centraal staat de vraag: wat doe je met de uitslag van een test? Een internist (bij uitstek) maakt bij het stellen van een diagnose, naast patroonherkenning van een klacht, gebruik van eigenschappen van een test om een probleem op te lossen. Deels doet hij dit op basis van getallen en gegevens uit de literatuur, voor een ander deel speelt intuïtie, ingegeven door kennis en ervaring, een belangrijke rol. Idealiter toont een test de ziekte aan of sluit deze uit. In de praktijk helpen tests alleen maar in het waarschijnlijker of onwaarschijnlijker maken van een ziekte. Hoe zat het ook alweer met sensitiviteit, specificiteit en voorspellende waarden van een diagnostische test?
A.J. Kooter, H.M.A. Hofstee, A. Thijs

4. Hoofdstuk 4 Benadering van de patiënt met een bepaalde klacht

Van anemie wordt gesproken wanneer het hemoglobinegehalte (Hb) onder de normaalwaarde zakt: 7,4 mmol/l (vrouwen) en 8,2 mmol/l (mannen). Bij postmenopauzale vrouwen verandert de normaalwaarde voor het Hb richting dat van mannen. De normaalwaarde voor het Hb voor mannen verandert nauwelijks met de leeftijd. Realiseer je dat een daling van het Hb binnen het normale gebied reeds een aanwijzing kan zijn voor een onderliggende ziekte. Het Hb wordt gemeten in mmol per liter bloed en niet, wat op zich juister zou zijn, in mmol per kg lichaamsgewicht. Dit kan leiden tot twee problemen. Een ‘normaal’ Hb ten tijde van ondervulling kan na vulling een anemie blijken te zijn. Ten tweede kan bij acuut bloedverlies het Hb initieel nog normaal zijn omdat evenveel erytrocyten als bloedplasma verloren zijn gegaan.
A.J. Kooter, H.M.A. Hofstee, A. Thijs

5. Hoofdstuk 5 Verslaglegging

Tijdens het coschap besteed je tijd aan inwendige geneeskunde en het schrijven van statussen. Vaak zie je hier tegenop, mede door het feit dat het nog niet zo gemakkelijk is. Het invullen van voorgeschiedenis en tractusanamnese gaat nog wel, moeilijker is de speciële anamnese. Het nauwkeurig opschrijven hiervan vergt veel oefening. Reden te meer om dit vaak te doen. Ook het maken van een status van een reeds opgenomen patiënt is leerzaam, ook al is reeds bekend wat hem mankeert en hoe hij behandeld wordt. Daar gaat het nu niet om. Het gaat om het opschrijven van een consistent verhaal. De lezer moet een gedetailleerd inzicht krijgen in de klacht van de patiënt en de hiermee samenhangende klachten.
A.J. Kooter, H.M.A. Hofstee, A. Thijs

Nawerk

Meer informatie