Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Bij (para)medische professionals groeit het besef dat de pijnneurowetenschappen een belangrijke rol spelen in de praktijk van het (para)medisch handelen. Dit handige boek speelt in op de groeiende vraag naar verdieping over de implementatie van pijnneurowetenschappen in het klinisch handelen. Het geeft een praktische handleiding voor het klinisch herkennen en behandelen van patiënten met centrale sensitisatiepijn.

Welke behandelvaardigheden heeft de (para)medische professional nodig om patiënten met centrale sensitisatiepijn te begeleiden? Wat is de plaats van farmacotherapie, pijneducatie, cognitieve gedragstherapie en oefentherapie in de behandeling van centrale sensitisatie? Het concept centrale sensitisatie wordt toegelicht aan de hand van casussen uit de klinische praktijk: pijn bij kanker, nekpijn en lage rugpijn.

Centrale sensitisatiepijn in de klinische praktijk is relevant voor alle (para)medisch disciplines die met chronische pijn patiënten werken, zoals fysiotherapeuten, manueel therapeuten, oefentherapeuten en revalidatieartsen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Samenvatting
Pijn zit in het brein. De kennis over pijn is dankzij de pijnneurowetenschappen de afgelopen twintig jaar spectaculair gegroeid. Gelukkig leidt dit stapsgewijs ook tot nieuwe behandelinzichten met betrekking tot allerlei pijnproblemen, in het bijzonder op het vlak van musculoskeletale pijn, waar ‘thinking beyond muscles and joints’ al lang geen holle frase meer is. Ook in andere domeinen, zoals pediatrische pijn, geriatrische pijn, oncologische pijn inclusief pijn na kanker, reumatologie, orthopedie, chirurgie en langzaamaan ook in de sportwereld groeit het besef dat de pijnneurowetenschappelijke inzichten kunnen leiden tot geheel andere behandelinzichten en verbeterde behandelmethoden.
Jo Nijs

2. Wat is centrale sensitisatie en wat zijn de onderliggende mechanismen? Moderne pijnneurowetenschappen voor de klinische praktijk

Samenvatting
Het hoofdstuk begint met een bondig overzicht van de neurofysiologie van acute (nociceptieve) pijn, gevolgd door een beschrijving van de verschillende mechanismen die aan de basis van neuroplasticiteit (zoals wind-up, langetermijnpotentiëring en uiteraard ook centrale sensitisatie) en pijnmodulatie liggen (afdalende pijnstillende en pijnversterkende banen). Een groot deel van het hoofdstuk is gewijd aan de pijn(neuro)matrix. Om u als clinicus optimaal te bedienen, is dit hoofdstuk voorzien van kaders waarin de vertaalslag van de pijnneurowetenschappen naar het klinisch handelen wordt gemaakt. Op die manier krijgt u in dit hoofdstuk een voorproefje van wat verder in het boek volgt.
Jo Nijs

3. Klinische herkenning van centrale sensitisatiepijn en differentiaaldiagnostiek met neuropathische en nociceptieve pijn

Samenvatting
Chronische pijnpatiënten vormen een heterogene populatie. Het mag duidelijk zijn dat niet alle chronische pijnpatiënten per definitie een klinisch beeld hebben dat gedomineerd wordt door centrale sensitisatie. Bij medische diagnosen zoals whiplash, fibromyalgie, prikkelbaredarmsyndroom en het chronischevermoeidheidssyndroom, vertonen patiënten typisch dominante centrale sensitisatiepijn. Bij atraumatische chronische nekpijn is er echter weinig tot geen bewijs voor de aanwezigheid van centrale sensitisatie. Patiënten met artrose, tenniselleboog, schouderpijn en lage rugpijn zijn groepen pijnpatiënten waarvan de minderheid een klinisch beeld vertoont dat gedomineerd wordt door centrale sensitisatie. Daarom is goede differentiaaldiagnostiek noodzakelijk.
In dit hoofdstuk reiken we de clinicus praktijkrichtlijnen aan voor de differentiaaldiagnostiek tussen de drie grote pijntypen: dominant nociceptieve, neuropathische en centrale sensitisatiepijn. De klinische werkmethode voor de differentiaaldiagnostiek tussen dominant nociceptieve, neuropathische en centrale sensitisatiepijn bestaat uit twee stappen:
1.
de diagnostiek of uitsluiting van de aanwezigheid van dominant neuropathische pijn;
 
2.
de differentiaaldiagnostiek tussen dominant nociceptieve en centrale sensitisatiepijn.
 
Stap 2 omvat het screenen van drie criteria aan de hand van een beslisboom.
In het laatste deel van het hoofdstuk worden deze criteria toegepast op en gespecificeerd voor (1) de lage rugpijnpopulatie en (2) pijn bij/na kanker.
Jo Nijs

4. Klinisch redeneren bij pijnpatiënten: van diagnostiek tot behandeling aan de hand van een casus

Samenvatting
Dit hoofdstuk illustreert het klinisch redeneren op basis van de actuele pijnneurowetenschappelijke inzichten bij een patiënt met chronische nekpijn. De patiënte betreft een vrij typische chronische pijnpatiënt – veel van de kenmerken die ze vertoont alsook de uiteindelijke behandeling en doorgemaakte ontwikkeling vinden we terug bij andere chronische pijnpatiënten, in het bijzonder wanneer centrale sensitisatie het dominante pijnmechanisme is. De volledige weergave van de klinische redenering in dit hoofdstuk kan als modelvoorbeeld dienen voor clinici om de eigen klinische redenering tot en met het uitvoeren en bijsturen van de behandeling te optimaliseren/actualiseren.
Jo Nijs

5. Behandeling van centrale sensitisatiepijn: bottom-up, top-down behandeling of beide?

Samenvatting
Centrale sensitisatie is vastgesteld bij tal van chronische pijnproblemen, zoals whiplash, temporomandibulaire aandoeningen, chronische lage rugpijn, artrose, fibromyalgie, hoofdpijn, tenniselleboog, schouder impingementsyndroom en pijn na kanker. Ondanks dat we steeds meer begrijpen van het mechanisme van centrale sensitisatiepijn, blijft de behandeling een hele uitdaging.
Dit hoofdstuk biedt de clinicus een ‘state of the art’ overzicht van de behandelmogelijkheden voor centrale sensitisatiepijn. Deze omvatten bottom-up strategieën om eventueel perifere pijnbronnen te behandelen (bijv. myofasciale therapie of het plaatsen van een gewrichtsprothese), maar vooral top-down behandelmethoden, waarmee de hypersensitiviteit van het centraal zenuwstelsel direct of indirect wordt behandeld. De wetenschappelijke bewijsvoering voor geïsoleerde behandeleffecten van interventies, zoals pijneducatie, (cognitief-gedragsmatige) oefentherapie en stressmanagement als ‘desensitiserende’ therapie, groeit gestaag.
Actuele inzichten suggereren dat een gecombineerde top-down en bottom-up behandelstrategie aangewezen is, ook al staat de wetenschappelijke evidentie op dat vlak nog in de kinderschoenen.
Jo Nijs

Nawerk

Meer informatie