Skip to main content
main-content

Over dit boek

A. Prins, F. W. A. Verheugt Ongeveer 35% van de totale sterfte in de westerse landen wordt veroorzaakt door hart- en vaatziekten. In de periode 1972-2002 is de sterfte aan ischemische hartziekten in Nederland met 64% gedaald, terwijl de sterfte aan cerebrovasculaire a- doeningen met 50% daalde en de sterfte aan overige hart- en vaatziekten met 30%. Deze afname van de sterfte aan hart- en vaatziekten leverde een belangrijke bijdrage aan de toegenomen levensverwachting in die periode. De sterftedaling is deels een gevolg van betere primaire preventie bij pati- ten met risicofactoren als verhoogde bloeddruk, verhoogd cholesterolgeh- te of diabetes. Ook de sterk afgenomen sterfte aan acute hart- en vaataand- ningen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de afgenomen morta- teit. Patiënten met geen of gering functieverlies na een acute aandoening, hebben door een optimale behandeling van risicofactoren en correctie van een ongezonde leefstijl een nagenoeg normale levensverwachting. Bij an- ren, bij wie wel functieverlies ontstaat, bijvoorbeeld in de vorm van hart- len, blijven ondanks chronische behandeling en zorg toch een invalider- de beperking en verkorte levensverwachting bestaan. De aandacht voor deze groep komt bijvoorbeeld tot uiting in het geheel herschreven hoofdstuk over hartfalen. Door de ontwikkeling van chronische hartafwijkingen ontstaan er verschuivingen in het morbiditeitspatroon van patiënten bij huisarts en c- dioloog. Belangrijk is dat leeftijd op zichzelf nauwelijks nog een reden is voor een ander preventief en therapeutisch beleid dan het beleid dat wordt gevoerd bij jongeren.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Algemeen Deel

Voorwerk

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 1. Hart- en vaatziekten in Nederland: omvang en recente trends

A. W. Hoes

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 2. Het Cardiovasculair risicoprofiel en het Risico op hart- en Vaatziekten

P. de Cort, D. Duprez

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 3. Diagnostische methoden bij hart- en vaatziekten

P. W. Westerhof, J. A. M. Hoevenaars

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 4. Aangeboren hart- en vaatziekten

M. Witsenburg, R. E. Juttmann

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 5. Geneesmiddelen bij hart- en vaatziekten

H. G. L. M. Grundmeijer, F. W. A. Verheugt

Klachtgericht Deel

Voorwerk

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 6. Pijn Op De Borst – Differentiële Diagnostiek en Eerste Aanpak

A. M. Bohnen, J. W. Deckers

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 7. Stabiele angina pectoris

J. W. Deckers, A. Prins

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 8. Hartinfarct en Instabiele Angina Pectoris

J. W. Deckers, A. M. Bohnen

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 9. Cardiomyopathie, myocarditis en pericarditis

P. A. F. M. Doevendans, J. H. Kirkels

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 10. Hartkloppingen

A. P. M. Gorgels, P. J. Zwietering

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 11. Atriumfibrilleren

J. Heeringa, F. W. A. Verheugt

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 12. Hartfalen

E. P. Walma, F. H. Rutten, A. Mosterd

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 13. Perifeer arterieel vaatlijden

H. J. C. M. Pleumeekers, H. van Urk

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 14. Hartklepafwijkingen

J. P. M. Hamer, F. W. Beltman

2003 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Hoofdstuk 15. Revalidatie Bij Patiënten Met Hartafwijkingen

F. W. H. M. Bar, P. J. Senden, M. Chatrou, J. A. M. Hoevenaars

Nawerk

Meer informatie