Skip to main content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander hoofdstuk

2016 | OriginalPaper | Hoofdstuk

12. Bloed

Auteurs : Anthony L. Mescher, prof.em.dr. E. Wisse, dr. C.P.H. Vreuls, prof.dr. J.-L. Hillebrands

Gepubliceerd in: Functionele histologie

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail

Samenvatting

Hemopoëse

  • Universele of pluripotente stamcellen voor de hemopoëse, of bloedcelvorming, liggen in het beenmerg. Deze stamcelpopulatie heeft een zelfvernieuwend vermogen.
  • Uit deze stamcelpopulatie ontwikkelen zich twee multipotente stamcelpopulaties
    • de CFU-S voor de myeloïde lijn
    • de CFU-LY voor de lymfoïde lijn
  • In de myeloïde lijn ontwikkelen zich uit de CFU-S gerichte stamcellen (‘progenitor cells’) die of unipotent zijn (erytrocyten óf trombocyten) of bipotent (granulocyten én monocyten). Gerichte stamcellen hebben nog een beperkt zelfvernieuwend vermogen. Uit deze gerichte stamcellen ontstaan voorlopercellen (‘precursor cells’) waaruit na enkele celdelingen en differentiatie de rijpe bloedcellen ontstaan
  • Specifieke groeifactoren of ‘colony-stimulating factors’(CSF’s) of cytokinen sturen de proliferatie en differentiatie van de verschillende reeksen.
  • Rood beenmerg is actief in de bloedcelvorming en kan tot rust komen en vervangen worden door vetweefsel, bekend als het gele beenmerg
  • Erytropoëse (gestimuleerd door erytropoëtine uit de nier) betreft de rode bloedcelreeks. Die start met pro-erytroblasten daarna de basofiele polychromatofiele en orthochromatofiele erytroblasten of normoblast gevolgd door de reticulocyt en de rijpe rode bloedcel. De kleuringsverschillen in deze reeks worden bepaald door het relatieve aandeel RNA of hemoglobine in de cellen.
  • De normoblast stoot zijn kern uit en kan als reticulocyt al in de circulatie terecht komen. Reticulocyten hebben nog een gering aantal ribosomen in het cytoplasma. Het aandeel reticulocyten in het bloed is een aanwijzing voor vroegtijdige circulatie van onrijpe erytrocyten.
  • De granulopoëse gaat uit van myeloblasten die promyelocyten produceren die gekenmerkt worden door de productie van azurofiele (lysosomale) granula. De myelocyten accumuleren specifieke granula die verschillend zijn voor de neutrofielen, eosinofielen en basofielen. In het metamyelocyt tadium komt ook de gelobde of gesegmenteerde kernvorm tot uitdrukking. De groeifactor hier is GM-CSF
  • Onrijpe neutrofielen kunnen met een nog niet gesegmenteerde kern als onrijpe cel met een bandvormige kern reeds in de circulatie komen als gevolg van een grote vraag bij infecties en dergelijke.
  • De promonocyten in het beenmerg delen om monocyten te vormen. Lymfocyten worden in het lymfoïde weefsel gevormd wanneer een aanspraak wordt gedaan op de cellulaire immuniteit.
  • De enorme megakaryocyten van het rode beenmerg produceren de trombocyten die zich als stukjes cytoplasma met de nodige organellen afscheuren van het moeder-cytoplasma.
  • Alle bloedcellen komen in circulatie door zich te verplaatsen naar het lumen van de sinusoïden in het beenmerg.
  • Bloedcelvorming treedt al vroeg op tijdens de embryonale ontwikkeling. Een eerste fase speelt zich af in (1) het dooierzakmesenchym met de vorming van bloedeilandjes, waaruit primitieve bloedvaten ontstaan en een stamcelpopulatie voor de vorming van rode bloedcellen. In een latere fase is de bloedcelvorming gelokaliseerd in (2) lever en milt. Dan worden ook voor het eerst de overige typen bloedcellen gevormd. Enkele maanden vóór de geboorte neemt (3) het beenmerg reeds de belangrijkste plaats in; een situatie die gedurende de rest van het leven zal blijven bestaan.

Bloed en bloedcellen

  • De bloedvloeistofof plasmafunctioneert als drager voor de bloedcellen. Na stollingblijft het serum of bloedwei over waaruit de stollingseiwitten voornamelijk fibrine verwijderd zijn. Tijdens een stolling kunnen de bloedcellen gevangen raken in het stolsel en er deel van uitmaken.
  • Plasma bestaat uit albumine globulinen complementfactorenen fibrinogeen Al deze eiwitten worden gemaakt en uitgescheiden in de lever Immunoglobulinenzitten ook in het plasma en worden door plasmacellen in lymfatische organen gesynthetiseerd.
  • Erytrocytenof rode bloedcelen vormen het grootste aantal bloedcellen en maken 45% van het bloedvolume uit (hematocrietgenoemd). Ze hebben geen kern, zijn zeer vervormbaar, bevatten 100% hemoglobinedie zuurstof bindt en afgeeft, en leven 120 dagen. Hun diameter bedraagt in rust 7,5 μm, ongeveer de diameter van een bloedcapillair.
  • Leukocytenof witte bloedcelen kunnen onderverdeeld worden in granulocyten(neutrofielen basofielenen eosinofielen en lymfocytenen monocyten
  • Granulocyten hebben azurofiele granula(primaire lysosomen) en specifieke granula met verschillende inhoud.
  • Neutrofiele granulocyten zijn het talrijkst, hebben een gelobde kern (vandaar de andere naam: polymorfonucleaire granulocytof PMN en beschikken over een krachtig apparaat om bacteriën te doden en te fagocyteren.
  • Eosinofielenhebben zeer karakteristieke granula en zijn betrokken bij parasitaire infectie (bijvoorbeeld wormen) en spelen een rol bij ontsteking.
  • Basofielenzijn zeldzaam en lijken op mestcellen, spelen een rol bij allergische reacties en chronische ontsteking. De granula bevatten histamine, heparine, chemokinen en hydrolasen.
  • Alle leukocyten kunnen de weefsels bezoeken en worden aangetrokken door cytokinen. Alle leukocyten hechten aan het endotheel met behulp van adhesiemoleculen passeren het endotheel (= diapedese en kruipen actief door het weefsel waar ze hun verschillende functies uitoefenen.
  • Lymfocytenzijn beenmerg- of thymusafgeleid (B- en T-lymfocyten) en zijn essentiële cellen in de immuunafweer. Het cytoplasma bevat meestal niet veel organellen, de kern is klein en donker en ligt centraal.
  • Monocytenzijn de grootste witte bloedcellen. Ze hebben een hoefijzervormige kern, die gemakkelijk te herkennen is als de cel in het preparaat goed ligt. Ze komen uit het beenmerg, circuleren een tijdje en invaderen daarna de weefsels waar ze zich tot macrofagenkunnen ontwikkelen. Hierbij helpt, dat de cel eigenlijk groter is dan de gemiddelde diameter van een capillair.
  • Trombocytenof bloedplaatjeszijn klein (2-4 μm) en hebben geen kern. Je kunt ze beschouwen als stukjes cytoplasma van een megakaryoblast (in het beenmerg), waar ze van afgescheurd zijn. Ze hebben een typische structuur met marginale microtubuli en specifieke granula. Als er een beschadiging is in een bloedvaatje, komt er meestal collageen bloot, waar plaatjes heftig op reageren door te aggregeren tot een trombus
Metagegevens
Titel
Bloed
Auteurs
Anthony L. Mescher
prof.em.dr. E. Wisse
dr. C.P.H. Vreuls
prof.dr. J.-L. Hillebrands
Copyright
2016
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-1090-6_12