Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In 1971 werd de eerste continue morbiditeitregistratie in Nederland gestart, de CMR-Nijmegen. Sindsdien leggen de huisartsen uit de vier deelnemende praktijken alle gezondheidsstoornissen vast die de patiënten uit deze praktijken doormaken en die bij hen zijn vastgesteld door de eigen huisarts, waarnemend huisartsen, praktijkassistenten en medisch specialisten.

Uitgaande van dit inmiddels zeer grote en rijke databestand beschrijven de CMR-artsen in dit boek meer dan 150 ziekten en aandoeningen. Zij bespreken klinisch beeld, beloop, prognose en behandeling in relatie tot de epidemiologische kenmerken van deze ziekten en aandoeningen.

Centraal staan de veranderingen in de frequentie van vóórkomen in de loop van de registratieperiode en de incidentie- en prevalentiecijfers naar leeftijd en geslacht. Deze worden, waar relevant, aangevuld met gegevens over het vóórkomen naar jaargetijde en sociaal-economische klasse.
In deze vijfde druk van Ziekten in de huisartspraktijk zijn de registratiegegevens van 1985 tot en met 2006 opgenomen en de nieuwste inzichten verwerkt. Bovendien zijn de teksten aangescherpt en gestroomlijnd met de inhoud van de NHG Standaarden.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Het doel van de continue morbiditeitsregistratie (CMR) in Nijmegen is bij te dragen aan een wetenschappelijke onderbouwing van de huisartsgeneeskunde. Dit geschiedt door het verwerven van inzicht in het patroon van ziekten en aandoeningen zoals zich dit aan de huisarts voordoet en door het volgen van dit patroon door de jaren heen. Dit patroon geldt individuen, gezinnen en de totale praktijkpopulatie. Het inzicht dat wordt verkregen biedt het onderwijs een steunpunt voor de keuze en presentatie van onderwerpen die aan bod moeten komen in basisonderwijs, beroepsopleiding en postacademisch onderwijs. Als uitgangspunt voor wetenschappelijk onderzoek vormt de CMR een jaarlijks groeiende databank. Tot de mogelijkheden behoren vooral longitudinaal patiëntgebonden onderzoek en gericht interventieonderzoek. Ten grondslag aan het eerste liggen vaak de volgende vragen: Welke patiënten met welke aandoeningen hebben de huisarts bezocht? Zijn hierin familiaire verbanden aan te tonen? Bij wie komt tegelijkertijd meer dan een aandoening voor en welke aandoeningen betreft dit (comorbiditeit)? Welke veranderingen treden in de antwoorden van deze vragen op in de loop van de tijd? Voor interventieonderzoek biedt de CMR mogelijkheden om specifieke patiëntcategorieën te identificeren. Onderwijs en onderzoek op hun beurt dragen bij aan een optimalisering van de patiëntenzorg, de feitelijke spil van de CMR.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

2. Infectieziekten

De bespreking van ziektebeelden in dit boek wordt begonnen met infectieziekten, niet zozeer omdat deze een van de belangrijkste categorieën in de huisartspraktijk zouden vormen, maar omdat alle classificatiesystemen van ziekten hiermee beginnen. Op de keper beschouwd bieden de classificatiesystemen onder het hoofdstuk infectieziekten een restgroep van ziekten omdat een aantal infecties niet hier, maar bij orgaansystemen is ondergebracht. Luchtweginfecties bijvoorbeeld, die zo’n groot deel van het werk van de huisarts uitmaken, worden onder de tractus respiratorius geregistreerd (en in dit boek in hoofdstuk 8 besproken). Soms worden nieuwe infectieziekten aan het hoofdstuk infectieziekten toegevoegd (zoals hiv-infectie). Het bekend worden van de rol van een micro-organisme in de etiologie van een aandoening leidt overigens niet altijd tot aanpassingen (bijvoorbeeld Helicobacter pylori-infectie bij ulcus duodeni en ulcus ventriculi).
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

Chapter 3. Neoplasmata

Neoplasmata worden in de classificatie onderverdeeld in maligne en benigne. De incidentie van de maligne tumoren zoals geregistreerd in de CMR vindt men in tabel 3.1.1, die van de benigne tumoren in tabel 3.1.2. De incidentie van de maligne en ook van de benigne neoplasmata is niet hoog. In de rangorde van hoofdrubrieken van de classificatie van nieuwe aandoeningen bezetten beide categorieën de laatste plaatsen. In totaal bepalen zij minder dan 1% van het aantal nieuwe aandoeningen. Wat de prevalentie betreft bezetten de neoplasmata een middenpositie in de rangorde van aandoeningen. Daarbij bleek het in de CMR vooral te gaan om mammacarcinoom, longcarcinoom, coloncarcinoom, endometriumcarcinoom en huidcarcinoom (tabel 3.1.1).
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

4. Ziekten van hormonale aard, van de stofwisseling en van het bloed

Dit hoofdstuk is niet lang, maar er worden enkele voor de huisarts erg belangrijke aandoeningen besproken. Het kwantitatieve belang ligt niet zozeer in de incidentiecijfers (zie de tabellen 4.1.1 en 4.1.2), maar in de prevalentiecijfers: in de rangorde van rubrieken naar frequentie van voorkomen bezetten de aandoeningen uit dit hoofdstuk een tweede plaats, na de aandoeningen van de tractus circulatorius. Het gaat in dit hoofdstuk onder andere om adipositas, vetstofwisselingsstoornissen en diabetes. Vooral het aantal bekende gevallen is aanzienlijk en de behandeling en controle van deze patiënten vragen veel aandacht in de huisartspraktijk. Voor de huisarts zijn vooral zorginhoudelijke aspecten van belang: adipositas, vetstofwisselingsstoornissen en diabetes mellitus (en dat geldt ook voor hypertensie) komen vaak in combinatie voor; het zijn belangrijke risicofactoren voor het optreden van met name hart- en vaatziekten; zoals comorbiditeit bij allerlei aandoeningen compliceren zij de behandeling en beïnvloeden de prognose daarvan in ongunstige zin. De huisarts ziet deze drie, samen met hypertensie, dan ook meer als risico- indicatoren dan als ‘ziekten’; het noteren ervan in de probleemlijsten van patiënten is essentieel.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

5. Psychische en psychiatrische stoornissen

Huisartsen maken onderscheid tussen ‘grote’ en ‘kleine’ psychiatrie. Onder ‘grote’ psychiatrie worden de psychiatrische aandoeningen verstaan die opname in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk maken, of het leven van de patiënt ontwrichten dan wel normaal sociaal contact onmogelijk maken. Voorbeelden zijn de acute en chronische psychosen, ernstige depressies en ernstige persoonlijkheidsstoornissen. Veel vaker heeft de huisarts echter te maken met mensen met minder ernstige psychische stoornissen, de kleine psychiatrie. Tot deze categorie worden de functionele stoornissen gerekend die in de CMR tot de meest frequent geregistreerde aandoeningen behoren. In tabel 5.1.1 wordt een overzicht gegeven van de incidenties van de aandoeningen behorend tot dit hoofdstuk.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

6. Ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen

In dit hoofdstuk worden eerst enkele neurologische aandoeningen besproken en daarna aandoeningen van ogen en oren. Een overzicht van het aantal nieuwe gevallen vindt men in de volgende tabellen: neurologische aandoeningen in tabel 6.1.1, oogaandoeningen in tabel 6.1.2 en ooraandoeningen in tabel 6.1.3.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

7. Ziekten van de tractus circulatorius

Hart- en vaatziekten hebben een relatief groot aandeel in de morbiditeit en de mortaliteit. Aandoeningen van het hart en de arteriële bloedvaten beïnvloeden in het algemeen de validiteit en de levensverwachting van patiënten sterk, die van de veneuze bloedvaten veel minder.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

8. Ziekten van de tractus respiratorius

De aandoeningen van de luchtwegen worden onderscheiden naar lokalisatie. Als grens tussen bovenste en onderste luchtwegen wordt het strottenhoofd aangehouden: tot en met de larynx worden ziekten en klachten toegerekend aan de bovenste luchtwegen. Het aandeel van ziekten van de luchtwegen in de totale incidentie bedraagt rond de 30%. Deze komen daarmee in de rangorde van frequentie van voorkomen op de eerste plaats. Veel van de aandoeningen van de bovenste luchtwegen vormen dan ook dagelijkse kost voor de huisarts.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

9. Ziekten van de tractus digestivus

Er bestaat een grote diversiteit aan ziekten en functiestoornissen van de tractus digestivus. Tabel 9.1.1 laat een overzicht zien van de incidentie en, waar verschillend van de incidentie, de prevalentie van een aantal ziekten van de tractus digestivus.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

Chapter 10. Aandoeningen

E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

11. Graviditeit, partus, puerperium, congenitale aandoeningen en ziekten van de neonaat

In de CMR werden in de periode 1985-2006 gemiddeld 50 zwangerschappen per praktijk per jaar geregistreerd (incidentie 31 per 1000 vrouwen per jaar, oplopend van 26 per 1000 vrouwen van 15-24 jaar naar 85 per 1000 vrouwen van 25-44 jaar). In de eerste tien jaar van de registratie werden veel van deze zwangeren tot en met de partus begeleid door de huisarts, de laatste jaren zijn bijna alle bevallingen door een verloskundige of gynaecoloog begeleid. Aangezien niet alle bijzonderheden steeds aan de huisarts worden gemeld, is geen betrouwbaar overzicht te geven van bijvoorbeeld anemieën, urineweginfecties en bloedverlies tijdens de graviditeit.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

12. Ziekten van huid en onderhuids bindweefsel

De nomenclatuur en classificatie van huidziekten variëren in de loop van de tijd en naar ‘school’. Enige toelichting over de gebruiken in de CMR is op zijn plaats. Daartoe wordt als eerste een globaal onderscheid aangebracht, namelijk tussen infectieuze en niet-infectieuze huidziekten.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

13. Ziekten van het bewegingsapparaat

Ziekten van het bewegingsapparaat betreffen spieren, pezen, bindweefsel, kraakbeen, gewrichten, gewrichtskapsel, bursae en bot. Aandoeningen van deze structuren gaan gepaard met pijn en belemmering van de normale bewegingsmogelijkheden. De incidentie en prevalentie van de aandoeningen van het bewegingsapparaat zoals deze in de CMR worden vastgelegd, zijn vermeld in tabel 13.1.1.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

14. Traumata

Tabel 14.1.1 geeft een overzicht van de kleine en grote ongevallen, gerubriceerd naar enkele categorieën. De globale samenstelling van deze categorieën wordt kort toegelicht in de volgorde waarin deze in dit hoofdstuk aan de orde komen.
E. H. van de Lisdonk, W. J. H. M. van den Bosch, A. L. M. Lagro-Janssen, H. J. Schers

Nawerk

Meer informatie