Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In de ambulante geestelijke gezondheidszorg vinden protocollaire behandelingen steeds meer hun weg naar de dagelijkse praktijk, ondanks kritiek en discussie. De kritiek is begrijpelijk, maar de aantrekkingskracht niet minder. Protocollaire behandelingen zijn nuttige en betrouwbare behandelingen gebleken die op indicatie, of in combinatie met geïndividualiseerde behandelingen kunnen worden toegepast. Tevens groeit het besef dat protocollaire behandelingen weliswaar strikt gevolgd móesten worden in het wetenschappelijk onderzoek waaruit ze voortkwamen, maar dat de behandelaar in de praktijk zich daar minder aan hoeft te houden. Het gedetailleerde protocol is gebruikersvriendelijk, compleet, gestructureerd, goed uitvoerbaar en houdt de behandeling gericht op de stoornis waarvoor deze bedoeld is. In Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg I en II zijn in totaal eenentwintig ambulant uitvoerbare, stoornisspecifieke protocollaire behandelingen gebundeld. Beide bundels zijn volledig herzien en geactualiseerd. In deel I zijn de protocollaire behandelingen opgenomen voor patiënten met: paniekstoornis - obsessieve-compulsieve stoornis - gegeneraliseerde angststoornis - acute stressstoornis - depressie - onverklaarde lichamelijke klachten - migraine en spanningshoofdpijn - ongewenste gewoonten - ticstoornissen en het syndroom van Gilles de la Tourette en voor pedoseksuele delictplegers en paren met relatieproblemen. Het eerste hoofdstuk uit deze bundel biedt daarnaast een kritische bespreking van protocollaire psychologische behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg. De ontwikkeling van de serie Behandelingsstrategieën en de organisatie van de eraan gekoppelde symposia zijn initiatieven van cure & care development. CCd wil hiermee een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van standaarden en strategieën die leiden tot kwaliteits- en efficiencyverbetering in de gezondheidszorg.

Inhoudsopgave

Voorwerk

HOOFDSTUK 1. Protocollaire behandelingen in de ambulante GGZ

Abstract
In de afgelopen twintig jaar zijn op universiteiten en specialistische onderzoeksinstituten psychologische behandelingen ontwikkeld die worden uitgevoerd aan de hand van een protocol. Een protocol behelst een stapsgewijze beschrijving van de behandeling zoals deze door behandelaars uitgevoerd dient te worden. Meestal, maar niet altijd, gaat het hierbij om diagnose- of stoornisspecifieke behandelingen, dat wil zeggen om behandelingen van patiënten bij wie een bepaalde diagnose werd gesteld. Het succes van protocollaire behandelingen zoals Craske en Barlows panic control treatment voor mensen met een paniekstoornis (1993) of de interpersoonlijke psychotherapie voor mensen met depressieve klachten van Klerman e.a. (1984) heeft geleid tot een debat tussen voor- en tegenstanders over de toepassing van protocollaire behandelingen in de praktijk. De gunstige behandelresultaten maken protocollaire behandelingen populair. Tegenstanders menen echter dat een protocollaire behandeling onvoldoende recht doet aan de individuele kenmerken van een patiënt.
G. P. J. Keijsers, A. van Minnen, C. A. L. Hoogduin

HOOFDSTUK 2. Protocollaire behandeling van patiënten met een paniekstoornis met of zonder agorafobie:

INTEROCEPTIEVE EXPOSURE, COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE EN EXPOSURE IN VIVO
Abstract
Een paniekstoornis wordt gekenmerkt door het herhaaldelijk optreden van onverwachte paniekaanvallen en een langere periode van angst, onrust of ongemak ten gevolge hiervan. Een paniekaanval is een korte periode (minuten) van hevige angst of onbehagen die gepaard gaat met een verscheidenheid aan symptomen, zoals hartkloppingen, transpireren of een gevoel van ademnood. Deze aanvallen worden door de patiënt als catastrofaal beleefd. De patiënt vreest bijvoorbeeld dat hij of zij een hartaanval krijgt, gek wordt of de controle verliest en zich ten overstaan van anderen belachelijk maakt. Vaak ook is er de angst dat ontsnappen uit de ruimte waarin de patiënt zich bevindt, niet mogelijk is op het moment dat de patiënt zich weer ‘raar’ voelt worden. Een paniekstoornis gaat daarom vaak gepaard met vermijdingsgedrag, agorafobie genoemd. Naast karakteristieke situaties die vermeden worden, zoals mensenmassa's, winkels, openbare ruimtes, openbaar vervoer, autorijden, bruggen en tunnels, zijn er ook minder in het oog springende situaties en activiteiten die vermeden worden, zoals lichamelijke inspanning (sport, opwinding), scherp voedsel of koffie. Ook meer subtiel vermijdingsgedrag komt voor, bijvoorbeeld in de buurt van een gangpad gaan zitten of de deuren naar buiten in de gaten houden. Hoewel volgens de DSM-IV (APA, 1994) een diagnose paniekstoornis zonder agorafobie gesteld kan worden, blijkt in de praktijk bijna altijd enige vorm van vermijding aanwezig te zijn. De life time prevalentie van de paniekstoornis ligt tussen 1,5% en 3,5% (APA, 1994). Hiermee is het de meest voorkomende angststoornis. Voor verdere diagnostische gegevens verwijzen we naar APA (1994) en Emmelkamp, Hoogduin en Van den Hout (2000).
M. Kampman, G. P. J. Keijsers, G. J. Hendriks

HOOFDSTUK 3. Protocollaire behandeling van patiënten met een obsessieve-compulsieve stoornis:

EXPOSURE, RESPONSPREVENTIE EN COGNITIEVE THERAPIE
Abstract
De essentiële kenmerken van de obsessieve-compulsieve stoornis of dwangstoornis zijn de steeds terugkerende dwanggedachten en of dwanghandelingen. Dwanggedachten (obsessies) zijn ideeën, gedachten, beelden of flitsen die steeds terugkeren of aanhouden en die aanzienlijke angst en ongemak oproepen. Ze worden ervaren als onvrijwillig, intrusief, zinloos en verwerpelijk, maar uiteindelijk toch als een product van de eigen persoon. De gedachten vertonen geen overeenkomst met getob over werkelijke problemen. Voorbeelden van veel voorkomende dwanggedachten zijn onder andere, sterk aanhoudende impulsen om een familielid, waarvan men erg houdt, te doden; onophoudelijke zorgen over stof en bacteriën en de mogelijkheid van besmetting of infecties; onophoudelijke zorg over mogelijke inbraken, een ontploffing, een overstroming, het uitbreken van brand, of een andere ramp; steeds terugkerende gedachten over iets niet goed afgehandeld te hebben terwijl men eigenlijk weet dat dit niet klopt; godslasterlijke gedachten bij een religieus persoon; een aanhoudende vrees iets te verliezen terwijl het object nauwelijks tot geen echte waarde heeft; het idee dat het alleen maar goed is wanneer sommige voorwerpen op een bepaalde plaats of in een bepaalde volgorde staan; overmatig zorgen maken over het optreden van bepaalde (onhoorbare) geluiden, woorden, cijfers of beelden.
M. J. P. M. Verbraak, C. A. L. Hoogduin, G. J. Methorst, W. J. J. M. Arts, A. M. D. Hansen, G. P. J. Keijsers

HOOFDSTUK 4. Protocollaire behandeling van patiënten met een gegeneraliseerde angststoornis:

COGNITIEVE THERAPIE
Abstract
De gegeneraliseerde angststoornis wordt in de DSM-IV (APA, 1994) in de eerste plaats gedefinieerd door een ‘buitensporige angst en bezorgdheid, gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal gebeurtenissen of activiteiten’. Dit betekent dat bezorgdheid, of liever gezegd zich zorgen maken, een essentieel onderdeel van de stoornis vormt. Volgens het tweede diagnostische criterium van de DSM-IV vindt betrokkene het moeilijk om dit zich zorgen maken in de hand te houden. Met andere woorden, de persoon ervaart een gebrek aan controle over het ‘zorgen maken’. De angst en zorgen gaan gepaard met symptomen als rusteloosheid, prikkelbaarheid, zich slecht kunnen concentreren of slaapproblemen.
H. J. Elgersma, A. Arntz

HOOFDSTUK 5. Protocollaire behandeling van patiënten met een acute stress-stoornis:

KORTDURENDE COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE
Abstract
Veel mensen maken in hun leven een of meer traumatische gebeurtenissen mee, vaak met uiteenlopende en verstrekkende gevolgen. Soms leidt een traumatische gebeurtenis tot een chronische posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Deze stoornis kenmerkt zich door herbelevingen van de gebeurtenis, vermijding van interne en externe stimuli die in verband staan met de gebeurtenis of afstomping van de algemene reactiviteit, en verhoogde prikkelbaarheid (American Psychiatric Association, 1994). Het feit dat één risicofactor voor het ontwikkelen van PTSS met zekerheid vaststaat, te weten het meemaken van een traumatische gebeurtenis, maakt deze stoornis bij uitstek geschikt voor secundaire preventie. Slachtoffers van traumatische gebeurtenissen kunnen immers gericht worden benaderd voor opvang en interventie.
A. A. P. van Emmerik, J. H. Kamphuis, P. M. G. Emmelkamp

HOOFDSTUK 6. Protocollaire behandeling van depressieve patiënten:

COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE
Abstract
De geschiedenis van de protocollaire behandeling van depressie door cognitieve gedragstherapie beslaat een kwart eeuw. In 1977 publiceerde Beck met zijn collega's het eerste gecontroleerde onderzoek waaruit bleek dat cognitieve therapie effectiever was dan antidepressieve medicatie (Rush e.a., 1977). In 1979 verscheen ‘Cognitive therapy of depression’, inmiddels een klassieke tekst waarin de werkwijze uitvoerig werd beschreven (Beck e.a., 1979). Hoewel de auteurs van dit boek de behandeling van het predikaat ‘protocollair’ voorzien, is het onduidelijk hoe de behandeling er van sessie tot sessie uitziet.
W. Boelens

HOOFDSTUK 7. Protocollaire behandeling van patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten:

COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE
Abstract
Patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten presenteren zich veelvuldig bij hun huisarts of bij poliklinieken van algemene ziekenhuizen. Omdat de arts geen behandelbare lichamelijke aandoening kan vaststellen, worden deze patiënten vaak doorverwezen naar hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg. Maatschappelijk werkenden, psychologen of psychiaters kunnen daarom met deze patiënten te maken krijgen. In dit hoofdstuk wordt een cognitief-gedragstherapeutische behandeling van onverklaarde lichamelijke klachten gepresenteerd, die werd ontwikkeld en onderzocht door Speckens e.a. (1995a). Het protocol is gebaseerd op de behandeling van lichamelijke klachten zoals beschreven door Salkovskis (1989) en Sharpe, Peveler en Mayou (1992) en recenter door Nezu, Maguth-Nezu en Lombardo (2001).
A. E. M. Speckens, Ph. Spinhoven, Y. R. van Rood

HOOFDSTUK 8. Protocollaire behandeling van patiënten met migraine en spanningshoofdpijn:

ONTSPANNINGSTRAINING EN COGNITIEVE TRAINING
Abstract
Op het gebied van ontspanningstraining en cognitieve training verschenen in de afgelopen dertig jaar zo'n 350 publicaties en werden meer dan 70 gecontroleerde klinische trials uitgevoerd ten aanzien van migraine en respectievelijk 100 en 35 ten aanzien van spanningshoofdpijn (Holroyd, Lipchik & Penzien, 1998; Penzien, Rains & Andrasik, 2002). De behandeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op protocollen, ontwikkeld in de jaren negentig van de vorige eeuw en uitgebreid op basis van behandelingservaring en nieuwe literatuur (Sorbi & Swaen, 2000a, b).
M. J. Sorbi, S. J. Swaen

HOOFDSTUK 9. Protocollaire behandeling van patiënten met ongewenste gewoonten:

ZELFCONTROLEPROCEDURES
Abstract
De ongewenste gewoonten die hier worden besproken zijn in de DSM-IV (APA, 1994) ondergebracht onder 'stoornissen in de impulscontrole niet elders geclassi- ficeerd.’ Kenmerkend voor patiënten die hieraan lijden is dat zij een impuls of neiging, die op de een of andere manier schadelijk is voor zichzelf of anderen, niet kunnen weerstaan. Voor het betreffende gedrag plaatsvindt ervaren zij een hinderlijke spanning of onrust, die wordt opgeheven door het gedrag uit te voeren. Het gedrag zelf gaat gepaard met enige lustgevoelens (plezier, satisfactie, of opluchting), achteraf zijn er vaak schuldgevoelens en spijt.
C. A. L. Hoogduin, M. A. Hagenaars, A. van Minnen, G. P. J. Keijsers

HOOFDSTUK 10. Protocollaire behandeling van patiënten met tics en het syndroom van Gilles de la Tourette: habit reversal en exposure met responspreventie

Abstract
Het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS) is een neuropsychiatrische aandoe-ning met als hoofdkenmerk de aanwezigheid van multipele motorische en vocale tics. Een tic bestaat uit een plotseling optredende, snelle, herhaalde, niet-ritmi-sche, stereotiepe motorische beweging of vocale uiting. De tics dienen vóór het achttiende jaar ontstaan te zijn en beginnen doorgaans bij de ogen (APA, 1994). Tics zijn te onderscheiden in enkelvoudige of complexe tics. Bij enkelvoudige tics is slechts één spiergroep betrokken, de tics zijn kort en treden plotseling, vaak aanvalsgewijs op. Voorbeelden van enkelvoudige tics zijn oogknipperen, hoofd-schudden, schoudertrekken, kuchen of keelschrapen. Bij complexe tics zijn meer spiergroepen betrokken. Ook lijken de bewegingen of geluiden wat meer doelge-richt, en kunnen wat langer duren (Leckman e.a., 2001). Voorbeelden van complexe tics zijn het nazeggen van woorden, dingen aanraken en gebaren maken. Bij complexe tics kan tevens sprake zijn van een aantal tegelijk of direct na elkaar optredende bewegingen, zoals gelijktijdig de tong uitsteken, hoofdschudden en grimasseren, gevolgd door het optrekken van de schouders.
C. Verdellen, J. van de Griendt, C. A. L. Hoogduin, I. de Schino-Bruyn

HOOFDSTUK 11. Protocollaire ambulante behandeling van pedoseksuele plegers

Abstract
In Nederland vond de behandeling van plegers van seksueel misbruik tot het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw voornamelijk plaats in forensisch- psychiatrische klinieken. In deze klinieken worden terbeschikkinggestelden behandeld. Terbeschikkinggestelden zijn personen die door een forse ontwikkelingsstoornis tot het plegen van een ernstig delict zijn gekomen. Een deel van hen heeft ernstige seksuele delicten begaan. Theoretisch werd het plegen van seksueel misbruik voor het begin van de jaren negentig voornamelijk verklaard vanuit psychodynamische en interactionele opvattingen (Leeuwestein, 1989; Verhagen, 1995). De focus in de behandeling lag op het‘genezen’ van de psychische stoornis. Dit geschiedde door middel van psychotherapeutische interventies die waren gericht op de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek en op de interactie tussen de patiënt en zijn behandelaars. Voor het seksuele delict zelf als behandelingsthema was nagenoeg geen aandacht. De veronderstelling was dat met het genezen van de persoonlijkheidsproblematiek het delictgedrag vanzelf wel zou verdwijnen.
R. A. R. Bullens, D. J. van Beek

HOOFDSTUK 12. Protocollaire behandeling van paren met relatieproblemen:

COMMUNICATIEVAARDIGHEDEN EN REDUCTIE VAN INTERPERSOONLIJKE STRESS
Abstract
Gedragstherapeutische partnerrelatietherapie (Behavioral Marital Therapy: BMT) is een behandelmodel voor relatieproblematiek en individuele psychopathologie dat ontwikkeld en geëvalueerd is in gecontroleerd onderzoek gedurende de afgelopen dertig jaar. Het is een benadering om gedrag, emoties en cognities van de individuele partners en de interacties tussen de partners te veranderen, gebaseerd op de sociale leertheorie en cognitieve psychologie. De interventies hebben tot doel relatieproblematiek te verminderen en paren te helpen tevredener te zijn met hun relatie. Primair betreft het een vaardigheidsgerichte benadering met een focus op het veranderen van gedrag en interacties in het hier-en-nu. Het belangrijkste ingrediënt bestaat uit oefeningen om effectiever te communiceren. De vaardigheden die aangeleerd worden zijn: probleem-oplossen, effectief spreken en luisteren, negatieve interactiepatronen doorbreken en een positievere interactie opbouwen.
C. P. D. R. Schaap, B. M. van Widenfelt, S. B. Pielage

Nawerk

Meer informatie