Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Pedagogische adviezen voor speciale kinderen gaat over speciale, bijzondere, maar complexe kinderen en jongeren, die hun opvoeders soms voor grote problemen kunnen stellen. Naast een beschrijving van hun gedragsproblemen geeft de auteur praktische suggesties voor de aanpak hiervan. De kern van die aanpak is gelegen in de bereidheid van de beroepsopvoeder om áchter het probleemgedrag te willen kijken en reeds bestaande positieve gedragingen uit te breiden. Hierdoor past dit boek in de trend van de tegenwoordige hulpverlening om vooral oplossingsgericht en niet zozeer probleemgericht te handelen. Deze aanpak biedt meer openingen en perspectief in problematische opvoedingssituaties.

Door zijn eenduidige opbouw is het boek zowel een praktisch handboek als een naslagwerk. Van alle problemen worden steeds dezelfde vragen beantwoord. In de elf hoofdstukken van deel II staat steeds beschreven: hoe ziet het probleem eruit volgens het psychiatrische DSM-IV classificatiesysteem, wat zijn mogelijke oorzaken, wat zijn mogelijke behandelingsvormen, wat is de prognose, wat de concrete verschijningsvormen van het probleem in een klas of groep en wat zijn dan mogelijke handelingssuggesties.

In deze geheel herziene uitgave van het boek Pedagogische adviezen voor speciale kinderen is in vergelijking met de eerdere uitgave een aantal nieuwe onderwerpen opgenomen: hechtingsstoornissen, aandachtstekortstoornis zonder hyperactiviteit (ADD) en de meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis als subtype binnen het autistisch spectrum (McDD). Daarnaast is rond de andere problemen de informatie geactualiseerd. Zo is er meer aandacht voor de resultaten uit de hersenwetenschap en meer nadruk op behandelwijzen als cognitieve gedragstherapie, neurofeedback en mindfulness.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Theorie

Voorwerk

1. Inleiding

Samenvatting
Dit boek is ontstaan vanuit de praktijk van het (speciaal) onderwijsveld, met name voor kinderen met leer- en sociaal-emotionele problematiek. Tijdens de begeleiding van leerkrachten ontstond de vraag naar een handzaam overzicht van de verschillende psychische en psychiatrische problemen bij kinderen op de twee nevenvestigingen Zorg met Leerwegondersteunend Onderwijs in Utrecht – voorheen Speciaal Voortgezet Onderwijs voor kinderen met Leer- en Ontwikkelingsmoeilijkheden (svo-lom). Verder wilde men graag een overzicht van de beste aanpak van deze problemen vanuit het perspectief van de begeleider. Hierbij heb ik gebruikgemaakt van literatuur, lezingen, congressen en mijn ruim dertig jaar ervaring in het speciaal voortgezet onderwijs.
Trix van Lieshout

2. Theorieën over behandeling

Samenvatting
Allereerst wil ik nog eens benadrukken dat de in dit boek beschreven aanpak door de begeleider of andere medewerkers binnen de school géén (psycho)therapie is of moet zijn. Naast deze aanpak is voor de jongere en zijn ouders meestal behandeling nodig door een hulpverleningsinstelling. Afstemming van de aanpak op school op die van de hulpverleners is dan wel essentieel.
Trix van Lieshout

3. Algemeen pedagogisch vakmanschap

Samenvatting
In dit hoofdstuk komt een aantal basishoudingen en basisvaardigheden aan de orde, waarover opvoeders/begeleiders behoren te beschikken. Het is niet toevallig dat ik hiermee begin, aangezien opvoeders grote invloed uitoefenen op het gedrag van kinderen en het best eerst naar hun eigen handelen kunnen kijken. Het gaat vooral om het scheppen van een goed pedagogisch klimaat, dat tegemoetkomt aan vier basisbehoeften van ieder mens: relatie, competentie, autonomie en echtheid/betekenisvolheid.
Trix van Lieshout

Praktijk

Voorwerk

4. Angst

Samenvatting
Angststoornissen zijn internaliserende stoornissen. Vooral het kind zelf heeft er last van en ‘lijdt vaak in stilte’ (Rigter, 2002). Angststoornissen zijn in de psychiatrie ook bij kinderen en adolescenten de meest voorkomende aandoeningen (Rapee e.a., 2007). Bijna 20 procent van alle Nederlanders heeft er in zijn of haar leven last van. Onder jeugdigen komt het ongeveer bij 10 procent voor en onder kinderen bij ongeveer 5 procent (Boer, 2004). Angststoornissn zijn vrijwel net zo persistent als gedragsstoornissen of ADHD (Verhulst, 2006) en zonder behandeling kunnen deze klachten uitmonden in een ernstige depressie (Utens, 2007). Ze komen vaker voor bij meisjes en dan met name in de adolescentie (Verhulst, 2006). Er is een grote overlap tussen angststoornissen bij ouders en kinderen (Bögels, 2006). Overigens is de validiteit ervan als op zichzelf staande stoornissen reeds vanaf de DSM-III uit 1980 onderwerp van discussie. De meeste kinderen en jeugdigen met een angststoornis hebben daarnaast nog een of meer angststoornissen (Treffers & Siebelink, 2006).
Trix van Lieshout

5. Faalangst

Samenvatting
Faalangst is een specifieke, taakgebonden vorm van angst. Het bestaat uit cognitieve, fysieke en gedragsmatige reacties op een situatie waarin een prestatie geleverd moet worden en men zich beoordeeld voelt. Het is een conflict tussen denken, voelen en doen. Op zich is ieder mens bang om te falen. Dat is ook helemaal niet erg en vormt zelfs een motiverende factor. Vandaar dat faalangst ook een belangrijke factor is bij de prestatiemotivatie. Door die faalangst gaan mensen juist beter presteren (positieve faalangst). Er zijn ook deskundigen die in plaats van positieve faalangst spreken van een gezonde spanning of stress om jezelf op te laden voor een bijzondere prestatie, zoals toneelspelen. In dat geval activeert de gezonde spanning juist je prestaties. Als echter de spanning je irrationeel bang maakt voor mislukkingen en het je eerder blokkeert dan motiveert, dan noemt men dat negatieve faalangst.
Trix van Lieshout

6. Posttraumatische stressstoornis (PTSS)

Samenvatting
De psychische gevolgen na een schokkende gebeurtenis, zoals een ongeval, geweldsdelict, brand, mishandeling, seksueel misbruik of het verlies van een geliefde, grijpen diep in. Gevoelens van angst en ontreddering beheersen kortere of langere tijd het leven. Als er na drie maanden sprake is van stagnatie moet er intensievere therapie volgen. Vaak blijkt dit echter niet nodig, als er ruimte is geweest voor het uiten van alle verwarrende gevoelens en deze in een kader gezet konden worden. Gemiddeld heeft iemand zo’n drie tot zes maanden nodig voor dit normale rouwverwerkingsproces. De posttraumatische stressstoornis (PTSS), een angststoornis, is pas in 1980 in de DSM opgenomen. Niet dat de stoornis nieuw is: de oude Grieken beschreven die al na een veldslag en in de recentere geschiedenis sprak men van ‘oorlogsneurose’, ‘soldier’s heart’ of ‘shell shock’. Oneerbiedig werd er over ‘stressgedoe’ gesproken na de Eerste Wereldoorlog en de Vietnamoorlog. Pas recentelijk is vastgesteld dat onder Vietnamveteranen 18,7 procent de stressstoornis heeft ontwikkeld (Sijbrandij, 2006).
Trix van Lieshout

7. Depressieve gevoelens

Samenvatting
Bij een depressie is het functioneren in affectief, motivationeel en lichamelijk opzicht terneergedrukt en geremd. De stemming is somber, mat en afgevlakt, er is onvermogen om te genieten en een vermindering van interesse en motivatie. Meestal zien we met het toenemen van de jaren meer cognitieve symptomen zoals minderwaardigheidsgevoelens, ontbreken van toekomstperspectief, schuldgevoelens, besluiteloosheid en gedachten aan de dood (De Haan & De Wit, 2000). Jongeren met deze stemmingsstoornis hebben vaak weinig vrienden, voelen zich waardeloos en de schoolprestaties gaan achteruit. Ze hebben de greep verloren en kampen met irreële schuldgevoelens. Er kunnen slaapproblemen optreden, zoals extreem vroeg wakker worden en niet meer in slaap kunnen komen. Vaak zijn er dagschommelingen: na een moeizame start een relatieve opleving tegen de avond. De stoelgang kan traag worden en obstipatie komt vaak voor. In ernstige gevallen kunnen er zelfmoordideeën en zelfs psychotische verschijnselen optreden.
Trix van Lieshout

8. Hechtingsstoornissen

Samenvatting
Gehechtheid is de selectieve en duurzame affectieve band tussen het jonge kind en de primaire verzorger aan wie het kind troost ontleent in tijden van angst en spanning. Het kind zoekt dan nabijheid, contact en ondersteuning bij deze hechtingsfiguren. Het belang van gehechtheid als fundament van ieders leven wordt steeds duidelijker. Zo is er duidelijk een verband tussen gehechtheid en jeugdcriminaliteit, agressie en zinloos geweld (Lyons-Ruth & Melnick, 2004). Daarnaast is er een verband tussen veilig gehechte kinderen en stemming, flexibiliteit en positieve gevoelens. Deze kinderen zijn minder agressief, minder snel gefrustreerd, ze hebben meer vrienden, worden meer geaccepteerd, zijn zelfstandiger en hebben een positiever zelfbeeld (Thoomes-Vreugdenhil, 2006). Het vermogen zich te hechten vormt namelijk de basis voor het aangaan van relaties. Veilig gehechte kinderen hebben een grotere kans zich te ontwikkelen tot zelfstandige personen die flexibel en volhardend zijn bij het oplossen van hun problemen (Riksen-Walraven, 2002).
Trix van Lieshout

9. Aandachtstekortstoornissen met en zonder hyperactiviteit (AD(H)D)

Samenvatting
ADHD is een afkorting van Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Kinderen met ADHD hebben aandachts- en concentratieproblemen en zijn impulsief en overbeweeglijk. Zij vertonen dynamisch en grillig gedrag.
Trix van Lieshout

10. Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Oppositional Defiant Disorder, ODD)

Samenvatting
De probleemgebieden Oppositional Defiant Disorder (ODD) en Conduct Disorder (CD) in dit en het volgende hoofdstuk vallen onder de bredere categorie van de agressieve, disruptieve gedragsstoornissen (Disruptive Behavior Disorder, DBD) met als kenmerken oppositioneel, agressief en antisociaal gedrag. Ze verschillen van de normale ontwikkeling ‘slechts’ in intensiteit en hoeveelheid problematiek. Vrijwel alle kinderen kennen periodes waarin zij opstandig gedrag vertonen, niet luisteren, liegen, eigenwijs en agressief zijn. Als dit ondanks goede feedback van de ouders niet overgaat, kan er sprake zijn van een gedragsstoornis. Zo’n twintig jaar geleden dacht men dat gedragsstoornissen van voorbijgaande aard waren (Van Manen, 2000), maar nu weet men dat, zeker bij gedragsstoornissen op jonge leeftijd, de kans groot is dat die in de volwassenheid blijven bestaan (Rigter, 2002, 2006). ODD en CD zijn nog niet zo lang bekend als aparte probleemcategorie. Pas sinds de DSM-IV worden ze expliciet onderscheiden, al is de scheiding van ADHD minder scherp dan de DSM suggereert (Buitelaar, 2004).
Trix van Lieshout

11. Antisociale agressieve gedragsstoornissen (Conduct Disorders, CD)

Samenvatting
Opstandig en agressief gedrag hoort bij het gewone kinderleven. Er is echter reden tot zorg als dit gedrag vaak en langere tijd voorkomt. Dan is er sprake van een psychiatrische stoornis (Matthys, 2001). Bij dit probleemgebied worden andere mensen benadeeld en normen en waarden overtreden; men spreekt dan van een antisociale, agressieve gedragsstoornis (Conduct Disorder, CD). Deze stoornis is ernstiger dan de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis uit het vorige hoofdstuk vanwege de agressiecomponent en het antisociale gedrag. Er is gedurende langere tijd sprake van vechten, opzettelijk ergeren, intimideren, drift, liegen, stelen, anderen lichamelijk letsel toebrengen, vernielen en brandstichten. De mate van ernst van het negatieve gedrag en de aangerichte schade bepalen of er sprake is van ODD dan wel van CD.
Trix van Lieshout

12. Autismespectrumstoornissen (ASS)

Samenvatting
Autismespectrumstoornissen (ASS) hebben als hoofdkenmerken ernstige problemen op het gebied van de sociale interactie en de verbale en non-verbale communicatie. De stoornis beïnvloedt alles-doordringend (pervasief) het handelen van de persoon op allerlei ontwikkelingsgebieden en in allerlei situaties, waardoor het een van de meest complexe en ernstigste psychische stoornissen is. De uitingsvorm kan zeer verschillend zijn: geen twee personen met ASS zijn hetzelfde.
Trix van Lieshout

13. Non-verbale leerstoornis (Nonverbal Learning Disability, NLD)

Samenvatting
De non-verbale leerstoornis NLD, de gebruikte afkorting komt van de bekendere Engelse term Non-verbal Learning Disability (NLD), is een stoornis in de verwerking van nieuwe, complexe, ruimtelijke informatie, met grote negatieve gevolgen voor het gedrag en de sociale aanpassing. Vanwege deze gedragsproblemen is NLD in dit boek opgenomen. Het is geen diagnose uit de psychiatrie, maar een neuropsychologische aandoening die op basis van gedragskenmerken wordt vastgesteld. Men kijkt vooral naar diverse testuitslagen: het profiel met sterke en zwakke kanten. NLD is nog geen con sistent wetenschappelijk onderbouwd concept en is dus ook niet in de DSM-IV beschreven. Officieel kan de diagnose NLD niet gesteld worden: er zijn nog geen gevalideerde schalen om de verschijnselen te meten. Men spreekt wel van een waarschijnlijkheidsdiagnose (Haartmans, 2007). In Nederland is de problematiek niet zo bekend, terwijl het in de Verenigde Staten en Canada even bekend is als dyslexie.
Trix van Lieshout

14. Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS)

Samenvatting
Het begrip ‘borderline’ wordt sinds 1938 gebruikt voor patiënten met symptomen op het grensgebied tussen een psychose – waarbij sprake is van realiteitsverlies, zodat zij de verantwoordelijkheid voor hun gedrag niet kunnen dragen – en een neurose – waarbij het contact met de realiteit niet of nauwelijks verstoord is, zodat zij meestal de gevolgen van hun daden kunnen overzien. De problematiek heeft steeds een andere naam gekregen: van hysterie, via theatrale persoonlijkheid, meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS), tot borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) of kortweg borderline (Delfos, 2000c). Er gaan trouwens weer stemmen op om deze onduidelijke aanduiding (weer) te wijzigen in emotieregulatiestoornis (ERS).
Trix van Lieshout

Nawerk

Meer informatie