Skip to main content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander hoofdstuk

2006 | OriginalPaper | Hoofdstuk

Levert paroxismaal atriumfibrilleren meer risico op trombo-embolievorming dan continu atriumfibrilleren?

Auteur : M.C.E.F. Wijffels

Gepubliceerd in: Vademecum permanente nascholing huisartsen

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail

Samenvatting

Zowel in de huisartspraktijk als bij de specialist is atriumfibrilleren (AF) de meest voorkomende ritmestoornis. AF is geassocieerd met een verhoogde morbiditeit en mortaliteit die voornamelijk samenhangt met de aanwezigheid van onderliggend cardiovasculair lijden en het sterk verhoogde risico op trombo-embolische complicaties. Zo bleek in de ‘Framingham study’ het risico op een CVA in de aanwezigheid van AF 3 tot 5 maal verhoogd te zijn 1). Ook speelt leeftijd hierbij een belangrijke rol in die zin, dat de kans, dat een CVA toegeschreven kan worden aan AF, relatief klein is bij patiënten jonger dan 60 jaar (1,5%) toenemend tot 23,5% bij patiënten ouder dan 80 jaar (1).
Literatuur
go back to reference Wolf PA, Abbott RD, Kannel WB. Atrial fibrillation as an independent risk factor for stroke: The Framingham study. Stroke 1991; 22: 983-88. Wolf PA, Abbott RD, Kannel WB. Atrial fibrillation as an independent risk factor for stroke: The Framingham study. Stroke 1991; 22: 983-88.
go back to reference Walraven C van, Hart RG, Singer DE, et al. Oral anticoagulants vs aspirin in nonvalvular atrial fibrillation. An individual patient meta-analysis. JAMA 2002; 288: 2441-48. Walraven C van, Hart RG, Singer DE, et al. Oral anticoagulants vs aspirin in nonvalvular atrial fibrillation. An individual patient meta-analysis. JAMA 2002; 288: 2441-48.
go back to reference Fuster V, Ryden LE, Asinger RW, Cannom DS, Crijns HJ, et al. ACC/AHA/ESC guidelines for the management of patients with atrial fibrillation. J Am Coll Cardiol 2001; 38: 1266i-IXX. Fuster V, Ryden LE, Asinger RW, Cannom DS, Crijns HJ, et al. ACC/AHA/ESC guidelines for the management of patients with atrial fibrillation. J Am Coll Cardiol 2001; 38: 1266i-IXX.
go back to reference Hart RG, Pearce LA, Rothbart RM, et al. Stroke with intermittent atrial fibrillation: Incidence and predictors during aspirin therapy. J Am Coll Cardiol 2000; 35: 183-87. Hart RG, Pearce LA, Rothbart RM, et al. Stroke with intermittent atrial fibrillation: Incidence and predictors during aspirin therapy. J Am Coll Cardiol 2000; 35: 183-87.
go back to reference Khan IA. Transient atrial mechanical dysfunction (stunning) after cardioversion of atrial fibrillation and flutter. Am Heart J 2002; 44: 11-22. Khan IA. Transient atrial mechanical dysfunction (stunning) after cardioversion of atrial fibrillation and flutter. Am Heart J 2002; 44: 11-22.
go back to reference Allessie M, Ausma J, Schotten U. Electrical, contractile and structural remodeling during atrial fibrillation. Cardiovasc Res 2002; 54: 230-46. Allessie M, Ausma J, Schotten U. Electrical, contractile and structural remodeling during atrial fibrillation. Cardiovasc Res 2002; 54: 230-46.
go back to reference Berger M, Schweitzer P. Timing of thromboembolic events after electrical cardioversion of atrial fibrillation or flutter: A retrospective analysis. Am J Cardiol 1998; 82: 1545-46. Berger M, Schweitzer P. Timing of thromboembolic events after electrical cardioversion of atrial fibrillation or flutter: A retrospective analysis. Am J Cardiol 1998; 82: 1545-46.
go back to reference The atrial fibrillation follow-up investigation of rhythm management (AFFIRM) investigators. A comparison of rate control and rhythm control in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2002; 347: 1825-33. The atrial fibrillation follow-up investigation of rhythm management (AFFIRM) investigators. A comparison of rate control and rhythm control in patients with atrial fibrillation. N Engl J Med 2002; 347: 1825-33.
Metagegevens
Titel
Levert paroxismaal atriumfibrilleren meer risico op trombo-embolievorming dan continu atriumfibrilleren?
Auteur
M.C.E.F. Wijffels
Copyright
2006
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-313-8808-0_11