Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

De anamnese vormt de grondslag van de diagnostiek. Wie een anamnese afneemt, moet zich dan ook bewust zijn van de aard en het doel van dit vraagproces. Welke informatie is nodig voor het stellen van de juiste diagnose? Wat is het doel van de vragen die worden gesteld? Schuilt er een bepaalde systematiek achter al die anamnestische vragen? Een arts die met zorg hierover nadenkt, vermindert de kans op fouten bij het afnemen van de anamnese en het interpreteren van de daarbij verkregen informatie.

In het Leerboek anamnese staat de anamnese als onderdeel van het diagnostisch proces centraal. Er wordt een duidelijke structuur van de anamnese besproken, die aansluit bij het huidige onderwijs aan de meeste Nederlandstalige medische faculteiten. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder meer gespreksvaardigheden, klacht- en vraagverheldering en de contextinformatie over de patiënt.Verscheidene anamnesevormen passeren de revue, zoals de klachtgerichte anamnese, de screenende anamnese en de hypothesetoetsende anamnese. De bij een anamnese toepasbare middelen worden systematisch en gedetailleerd beschreven. Het boek biedt voorbeeldvragen en besteedt aandacht aan de waarde van mogelijke antwoorden. Uiteraard is bij de samenstelling van dit boek uitvoerig gebruikgemaakt van ervaring van praktiserende artsen en docenten.

Het Leerboek anamnese is een praktische en onmisbare gids voor studenten geneeskunde, artsen en specialistische verpleegkundigen die een goede, patiëntgerichte diagnostische anamnese willen leren afnemen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Hoe komt de arts tot een diagnose?

Inleiding
De manier waarop een arts bij een patiënt met een klacht tot een diagnose komt is een mysterieus proces. Dat proces verloopt voor een groot deel onbewust, waardoor de arts zelfs achteraf lang niet altijd kan uitleggen waarom hij op een bepaald moment bij deze patiënt aan die specifieke diagnose dacht.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 2. Het afnemen van een anamnese

Inleiding
Tot het begin van de vorige eeuw hadden artsen weinig andere diagnostische mogelijkheden dan de anamnese en het lichamelijk onderzoek. In de loop der tijd is daar steeds meer en steeds geavanceerder aanvullend onderzoek bijgekomen. Daardoor lijkt het wel alsof het belang van een goed afgenomen anamnese is verdwenen: alles kan toch uitgezocht worden door het laboratorium en met beeldvormend onderzoek. Dat is niet juist. De anamnese blijft, indien zorgvuldig afgenomen, een belangrijk onderdeel van de diagnostiek, vaak zelfs het belangrijkste. In de huisartsenpraktijk kan alleen al op basis van de anamnese in 70% tot 80% van de gevallen de juiste diagnose worden gesteld. Ook in de ziekenhuissituatie blijven een goede anamnese en lichamelijk onderzoek in veel gevallen essentieel om een goede (waarschijnlijkheids)diagnose te stellen. Soms kan dit tevens veel overbodig aanvullend onderzoek voorkomen. Om aanvullend onderzoek gericht en zinvol in te zetten, moet er toch eerst een waarschijnlijkheidsdiagnose zijn waarop het onderzoek is gericht. Door een effectief instrument als de anamnese te blijven inzetten, kunnen heel wat kosten voor (overbodige) aanvullende diagnostiek bespaard worden.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 3. Gespreksvaardigheden tijdens de anamnese

Inleiding
Gespreksvaardigheden zijn uitermate belangrijk voor een goede communicatie met de patiënt. Door gebruik te maken van gesprekstechnieken is de arts toegerust om in verschillende situaties en met patiënten met uiteenlopende persoonlijkheden een goed gesprek te voeren. Gespreksvaardigheid is echter meer dan het toepassen van verschillende aangeleerde gesprekstechnieken; de vaardigheid wordt ook bepaald door de instelling van de arts tijdens het consult. Zo zal een consult van een arts die de tijd neemt, plezier heeft in zijn vak en werkelijk geïnteresseerd is in de mens tegenover hem, leiden tot een beter contact met de patiënt (en betrouwbaardere informatie) dan een consult van een arts die gehaast is en eigenlijk met zijn hoofd bij andere zaken zit. De communicatie met de patiënt wordt dus niet alleen bepaald door de gebruikte gesprekstechnieken, maar ook door de arts-patiëntrelatie.
V.M. Terwiel

Hoofdstuk 4. De contextinformatie (voorkennis) over de patiënt

Inleiding
De contextinformatie van de patiënt, die ook wel de voorkennis wordt genoemd, zijn de biografische gegevens en de informatie die betrekking heeft op zijn medische en sociale situatie (figuur 4.1). Deze informatie staat los van de klachten waar de patiënt nu mee komt, maar kan wel van belang zijn voor de diagnostiek daarvan. Het vragen ernaar wordt ook wel de algemene anamnese genoemd, in tegenstelling tot de speciële anamnese die gericht is op de diagnostiek.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 5. De klachten en de klachtverheldering

Inleiding
Na de fase van de kennismaking wordt de patiënt uitgenodigd over zijn klachten te vertellen (figuur 5.1). Doel van dit deel van de anamnese is dat de arts een overzicht verkrijgt van alle klachten waarvoor de patiënt hulp komt zoeken. Daarna bepaalt hij samen met de patiënt welke klacht of probleem het belangrijkste is om een oplossing voor te zoeken.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 6. De hulpvraag

Inleiding
De hulpvraag van de patiënt is het motief van de patiënt om naar de dokter te gaan (figuur 6.1). Deze vraag wordt bepaald door de ideeën over de hulp die de arts zou kunnen geven. In plaats van hulpvraag wordt ook wel gesproken over de wensen en verwachtingen van de patiënt.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 7. Klachtgerichte anamnese

Inleiding
In het begin van het consult heeft de arts samen met de patiënt bepaald wat de belangrijkste klacht(en) is (zijn) (figuur 7.1). De klachtgerichte anamnese heeft tot doel die klacht(en) zo volledig mogelijk in kaart te brengen. Hiervoor is het belangrijk om alle facetten van de klacht(en) uit te vragen. De arts moet op die manier een totaalbeeld krijgen van de klacht, het beloop in de tijd, factoren van invloed enzovoort.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 8. De screenende anamnese(tractusanamnese)

Inleiding
De screenende anamnese wordt ook wel een systematische anamnese , systeemanamnese, sleepnetmethode of tractusanamnese genoemd (figuur 8.1). De vragen gaan niet over een specifieke klacht of diagnose die de arts overweegt. Het doel is door systematisch een breed scala aan klachten en symptomen uit te vragen en daarmee informatie te krijgen die wijst op een relevante ziekte of afwijking.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 9. Hypothesetoetsende anamnese

Inleiding
In het begin van het consult is duidelijk geworden wat de (hoofd)klacht is van de patiënt en wat zijn hulpvraag daarover is. Over deze klacht is een aantal vragen gesteld met behulp van de dimensies van de hoofdklacht en eventueel is op andere manieren geprobeerd voldoende informatie te verzamelen om een waarschijnlijkheidsdiagnose of differentiaaldiagnose te kunnen stellen. In de differentiaaldiagnose wordt hiërarchie aangebracht op basis van de ernst en de waarschijnlijkheid van de diagnose (zie ook figuur 9.1 en H. 1), waarna de diagnosen worden getoetst.
T.O.H. de Jongh

Hoofdstuk 10. Bijzondere anamnesevormen

Inleiding
Bij de heteroanamnese wordt er hoofdzakelijk of alleen maar gesproken met één of meerdere begeleiders van de patiënt. Het kan gaan om familieleden en bekenden, maar ook om ambulancepersoneel of toevallig aanwezigen van wie verwacht kan worden dat zij iets medisch en/of anderszins relevants kunnen vertellen. De bruikbaarheid van de verkregen informatie zal afhangen van de betrouwbaarheid van de informant, zijn relatie tot de patiënt en van het daadwerkelijk geobserveerde.
I. Bank

Hoofdstuk 11. Lastige gesprekssituaties

Inleiding
Goede communicatie is een absolute voorwaarde voor het goed afnemen van de anamnese. De communicatie tussen arts en patiënt is gebaseerd op onderling vertrouwen. Ongeschreven wet is dat de patiënt tijdens de anamnese alles eerlijk en open zal vertellen en dat de arts binnen zijn vermogen zijn best doet om de patiënt te helpen. Het onderling vertrouwen is noodzakelijk voor een prettige sfeer tijdens het gesprek en optimale informatie voor de arts. De geheimhoudingsplicht formaliseert het vertrouwen dat de arts niet zal doorvertellen wat de patiënt aan hem meedeelt. Dat geldt ook voor studenten en paramedisch personeel.
T.O.H. de Jongh

Nawerk

Meer informatie