Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In Ritme en geleidingstoornissen staan op een systematische manier de meest voorkomende, maar ook minder bekende hartritme en geleidingsstoornissen.
In het eerste hoofdstuk over de elektrofysiologie van het hart wordt de basis gelegd voor de kennis die nodig is om meer inzicht te krijgen in het ontstaan en de mechanismen achter de ritme- en geleidingsstoornissen.
Vervolgens worden de ritme- en geleidingsstoornissen besproken, steeds beginnend met belangrijke achtergrondinformatie gevolgd door de hemodynamische gevolgen en eventuele klachten van de patiënt. Daarna wordt de therapie besproken aan de hand van de laatste behandelingsinzichten. Alle behandelde stoornissen zijn voorzien van een en soms meer voorbeeldritmestroken. De kenmerken van iedere ritmestoornis wordt aan het einde van iedere paragraaf nog eens in een apart kader kort samengevat.

Na alle theorie volgt aan het eind van het boek een hoofdstuk met veel oefenritmestroken die op ware grootte zijn afgebeeld. Iedere ritmestrook is voorzien van een analyse. In deze druk zijn 50 oefenstroken toegevoegd waarmee de totale hoeveelheid op 125 is gekomen. De vijfde druk is inhoudelijke niet gewijzigd ten opzichte van de vierde druk.

Voor wie is dit boek geschikt? Voor eenieder die frequent te maken krijgt met het interpreteren van een hartritme, zoals:

  • verpleegkundigen (werkzaam op intensive care, coronary care, medium care, hartfunctieafdeling, SEH, ambulance, anaesthesie);
  • nurse practioners;
  • physicians-assistents;
  • arts-assistenten en co-assistenten;
  • geïnteresseerden in hartritme en geleidingsstoornissen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1 Grondbeginselen

Het kunnen beoordelen van hartritme- en geleidingsstoornissen is een moeilijke taak. De meest voorkomende bewakingsparameter die je gebruikt is de ECG-monitor met al dan niet de mogelijkheid om een ritmestrook uit te draaien. Iedere keer ontdek je, wanneer je een ritmestrook wilt beoordelen, hoe moeilijk dit is en hoeveel valkuilen en mogelijkheden er wel niet zijn. Het komt dan ook geregeld voor dat de uitkomst van de beoordeling van de ritmestrook niet eenduidig is.
Mark van den Boogaard

2 Ritmes uit de sinusknoop

Sinonodale ritmes ontstaan in de sinusknoop die zich fasisch ontlaadt (depolariseert) door de instabiel verlopende fase van de transmembraanpotentiaal (TMP), ook wel fase-4-depolarisatie of diastolische depolarisatie genoemd (zie figuur 1.2).
Mark van den Boogaard

3 Ritmes uit het atrium

De atriale ritmes vinden hun oorsprong in het atrium maar buiten de sinusknoop; dus supraventriculair. In het atrium bevindt zich waarschijnlijk een tweetal celtypen: de gewone myocardcellen (ook wel werkmyocard genoemd) en kleine groepjes van gespecialiseerde cellen. Deze gespecialiseerde cellen kunnen verantwoordelijk gesteld worden voor het ontstaan van atriale of supraventriculaire ritmestoornissen.
Mark van den Boogaard

4 Ritmes uit de AV-junction

Voorheen werden de aan dit gebied ontspringende ritmes nodale ritmes genoemd, maar zoals zojuist is aangegeven, bestaat dit gebied uit meer dan alleen maar een nodus. De term AV-junctional ritmes is daarom een betere benaming. Sterker nog, de nodus zelf is waarschijnijk niet in staat tot pacemaker-activiteit, in tegenstelling tot de AN-zone en de NH-zone.
Mark van den Boogaard

5 Ritmes uit het ventrikel

Ventriculaire ritmes vinden hun ontstaan in gespecialiseerde cellen in de ventrikels. Ventriculair weefsel bestaat net als het atriaal weefsel uit (waarschijnlijk) een tweetal typen cellen, namelijk gewone myocardcellen - ook wel ‘werkmyocard’ genoemd - en gespecialiseerde cellen. De gespecialiseerde cellen treffen we aan in de fasciculi van de beide bundeltakken en in de Purkinjevezels.
Mark van den Boogaard

6 Atrioventriculaire geleidingsstoornissen

We spreken van een atrioventriculaire (AV) geleidingsstoornis wanneer er een vertraagde AV-geleiding is, of een gedeeltelijke of volledige AV-blokkade.
Mark van den Boogaard

7 ‘Sick-sinus syndrome’

Het SSS wordt dus gekenmerkt door een geheel of gedeeltelijk onvoldoende functie van de sinusknoop, de atria en het gebied van de AV-junction.
Mark van den Boogaard

8 Atrioventriculaire dissociatie

We spreken van een atrioventriculaire dissociatie (AV-dissociatie) als de atria en de ventrikels onafhankelijk van elkaar worden geactiveerd. Met andere woorden, er is geen elektrische samenwerking tussen de atria en de ventrikels (dissociatie).
Mark van den Boogaard

9 Intraventriculaire geleidingsstoornissen

Bij de intraventriculaire geleidingsstoornissen (IVG-stoomissen, ook wel intraventricular conduction delay (IVCD)) maken we een onderscheid tussen een organische en een functionele stoornis in de intraventriculaire geleiding. In het eerste geval is sprake van een (persisterend) bundeltakblock, in het tweede van aberrantie (een frequentieafhankelijk bundeltakblock).
Mark van den Boogaard

10 Pacemakerritme

We spreken van een pacemakerritme wanneer het hartritme wordt veroorzaakt door een artificiële pacemaker. Een pacemakerritme wordt gekenmerkt door het feit dat er een spike aanwezig is voor het QRS-complex of voor de P-top, of voor beide.
Mark van den Boogaard

11 Parasystolie

We spreken van parasystolische activiteit wanneer twee ritmes tegelijk actief zijn. Er is dan sprake van een duaal ritme. Het basisritme – meestal het sinusritme, maar mogelijk ook bijvoorbeeld atriumfibrilleren – wordt in dit geval regelmatig verstoord door (premature) ectopische activiteit veroorzaakt door een andere pacemaker. Deze parasystolische pacemaker is meestal een ventriculaire pacemaker. Het kan echter ook gaan om een atriale of AV-junctional pacemaker, of zelfs om een artificiële pacemaker die op ‘fixed rate’ staat of te ongevoelig (undersensing) is ingesteld.
Mark van den Boogaard

12 Preëxcitatiesyndromen

We spreken van een preëxcitatiesyndroom wanneer buiten het normale geleidingssysteem (AV-knoop, bundel van His, bundeltakken) nog een extra - aberrante of anomale - bundel aanwezig is. Deze bundel vormt een ‘bypass’, dat wil zeggen omzeilt het normale geleidingssysteem. Het hart kan daardoor ter plekke van de bypass voortijdig worden gedepolariseerd (preëxcitatie).
Mark van den Boogaard

Nawerk

Meer informatie