Skip to main content
main-content

19-03-2015 | Nieuws

Beter fasegerichte dan tijdsgerichte behandeling na voorste-kruisbandreconstructie

Sporters die na een voorste-kruisbandreconstructie moeten revalideren keren vaak niet terug op hun oude sportniveau. De kansen hierop worden groter als zij meer fasegericht worden behandeld, stelt Nicky van Melick.

Vooral jonge mensen die een pivoterende sport beoefenen worden verhoudingsgewijs vaak het slachtoffer van een voorste-kruisbandruptuur. Per jaar loopt meer dan drie procent van de amateursporters zo’n ruptuur op en voor topsporters kan dit oplopen tot meer dan vijftien procent. Een derde van de sporters keer niet binnen twee jaar terug naar het oorspronkelijke sportniveau, toont recent onderzoek aan. Bijna de helft van de sporters die besluiten tot een lager sportniveau noemen een voorste-kruisbandreconstructie hiervoor als primaire reden. Uit onderzoek blijkt bovendien dat zich binnen twee jaar re-rupturen voordoen bij drie tot 22 procent van de patiënten en contralaterale voorste-kruisband rupturen bij drie tot 24 procent van de patiënten.

Uit literatuur over klinimetrie blijkt dat objectieve criteria nauwelijks een rol spelen bij het bepalen wanneer iemand na een voorste-kruisbandreconstructie weer kan gaan sporten. ‘Je moet goed kijken naar de fasen van het herstel’, zegt Nicky van Melick, fysiotherapeut en bewegingswetenschapper van Gezondheidscentrum Grubbenvorst. ‘En omdat moeilijk evidence-based te bepalen is hoe lang die fasen duren, is het zaak meer fasegericht dan tijdsgericht te handelen. De eerste fase is die van het eerste herstel. De knie moet rustig worden zodat de patiënt die weer in het dagelijks functioneren kan benutten. Er moet geen pijn zijn, een volledige range of motion en een minimale zwelling en de patiënt moet de oefeningen goed kunnen uitvoeren. Is dit stadium bereikt, dan volgt de tweede fase. In deze fase, waarin meer sportspecifieke training centraal staat, moet de kracht in het bovenbeen van de patiënt te herstellen zijn tot tachtig procent van de kracht van het niet-geopereerde been. De derde fase ten slotte is die van de terugkeer naar de sport op het oude niveau. We weten niet goed waarom dit niet iedereen lukt. Angst kan hiermee te maken hebben, maar het kan ook gewoon zijn dat iemand gaandeweg in een andere levensfase komt en het rustiger aan wil gaan doen met die sport. Belangrijk is onder andere dat de kracht in het been weer op het niveau van minimaal 90 procent komt. Belangrijk is ook de kwaliteit van de beweging van het been en de romp te meten, want die speelt een belangrijke rol bij het wel of niet kunnen optreden van een nieuwe blessure.’

‘Je moet goed kijken naar de fasen van het herstel, en omdat moeilijk evidence-based te bepalen is hoe lang de verschillende fasen duren, is het zaak meer fasegericht dan tijdsgericht te handelen’

Van Melick verricht op dit moment promotieonderzoek waarbij ze patiënten twee jaar na een voorste-kruisbandoperatie volgt om de relatie in kaart te brengen tussen de criteria bij de drie herstelfasen en het al dan niet optreden van een re-ruptuur. ‘Bij goed herstel zou de kans op een re-ruptuur even klein moeten zijn als bij iemand die nog nooit een ruptuur heeft gehad’, zegt ze. ‘Mijn idee is dat een slechte kwaliteit van bewegen een grote invloed heeft op het ontstaan van een re-ruptuur. De standaardtest die wordt toegepast om te kijken of iemand goed beweegt, is de drop/jump test, waarbij het gaat om hoe onder andere de knie tijdens de landing na de sprong beweegt en of de flexiehoek van de knie en heup groot genoeg is.’

De rol van de fysiotherapeut in de herstelbehandeling van de patiënt is onmisbaar, zegt Van Melick. ‘Sportfysiotherapeuten weten het best hoe ze patiënten hierop moeten trainen. In het voorste-kruisbandnetwerk in Noord-Limburg waarvan ik zelf deel uitmaak, stellen orthopedisch chirurgen zelfs de expliciete eis dat je als fysiotherapeut gespecialiseerd moet zijn in sportfysiotherapie om tot dit netwerk te mogen worden toegelaten.’

Op dit moment wordt discussie gevoerd over het belang van impliciet en expliciet leren. Van Melick legt uit: ‘Impliciet is bijvoorbeeld: je moet bij een sprong de kegeltjes kunnen raken met je handen. Expliciet is: je moet negentig graden flexie van de knie hebben als je bij een sprong landt. De gedachte is dat impliciet leren het meest waardevol is, omdat dit het best te vertalen is naar de situatie in de sport. Belangrijk om te beseffen, want fysiotherapeuten zijn vaak juist gericht op expliciet leren.’

Tip

Meer over knieblessures:

Meer artikelen over Algemeen, Bedrijfs- en arbeidsfysiotherapie, Manuele therapie, Revalidatiefysiotherapie of Sportfysiotherapie.

Auteur(s): Frank van Wijck | Beeld: iStock

Onze productaanbevelingen

BSL Fysiotherapeut Totaal

Zoekt u casuïstiek over nekklachten of wilt u meer weten over lage rugpijn? Met dit online abonnement kunt u uw vakkennis optimaal bijhouden en uitbreiden. U krijgt toegang tot een groot aantal fysiotherapieboeken en geaccrediteerde online nascholing, zoals e-learnings en web-tv's.