Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft een gedetailleerde beschrijving van de microscopische structuur van het menselijk lichaam. Het is een leerboek en een naslagwerk, voor professionals en studenten in de geneeskunde, tandheelkunde, biomedische wetenschappen, biologie, biotechnologie en diergeneeskunde, en de paramedische beroepsopleidingen. Bij het boek hoort ook een online leeromgeving met 300 toetsvragen.
Junqueira’s functionele histologie geeft een duidelijke, feitelijke beschrijving van de structuur en de functie van alle cellen en weefsels in het menselijk lichaam. Dat gebeurt in begrijpelijke, dagelijkse taal. Het boek bevat de beste illustraties uit de Amerikaanse uitgave, aangevuld met veel foto’s die de Nederlandstalige redacteuren hebben toegevoegd. Daardoor bent u snel op de hoogte van de functie van bepaalde cellen, weefsels en organen en bent u ook in staat om aan anderen uit te leggen hoe de natuur in elkaar zit en welke rollen deze structuren in het lichaam vervullen.De eerste druk van de Nederlandstalige ‘Junqueira’ verscheen in 1981. Sindsdien zijn bij elke volgende druk, en dit is alweer de zestiende, één of meer aspecten van het boek grondig verbeterd. In deze druk werd een hoofdstuk Embryologie toegevoegd en werden de hoofdstukken in een meer logische volgorde gezet.
Dit boek is bewerkt door Eddie Wisse (bioloog), Celien Vreuls (klinisch patholoog anatoom) en Jan-Luuk Hillebrands (medisch bioloog). De auteurs zijn of waren verbonden aan universiteiten in Nederland en Vlaanderen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Waarnemingsmethoden

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de technieken om cellen en weefsels microscopisch te bestuderen.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

2. Cel

Een cel kun je als volgt definiëren: ‘de kleinste, georganiseerde levende eenheid binnen een organisme, die dankzij een omvangrijk metabolisme min of meer onafhankelijk kan bestaan in een fysiologische omgeving en die in staat is tot beweging, groei en deling door mitose en die door specialisatie in een of meer functies kan bijdragen tot de functie van een orgaan’.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

3. Embryologie en histogenese

Er wordt in dit hoofdstuk geen gedetailleerd overzicht van de hele embryonale ontwikkeling en organogenese gegeven. Het beperkt zich tot het beschrijven van het basisconcept van de aanleg van de drie kiembladen (ectoderm, mesoderm en endoderm) tijdens de eerste drie weken van de embryonale ontwikkeling. Deze drie kiembladen vormen de grondslag voor de ontwikkeling van de vier basisweefsels (epitheelweefsel, bind- en steunweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel) die in wisselende combinaties en in verschillende vormen aanwezig zijn in onze organen.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

4. Epitheel

Epitheelweefsels (epithelia), die het lichaamsoppervlak en de oppervlakken van inwendige organen bedekken, vervullen twee hoofdtaken:
1. de bescherming van onderliggende weefsels;
2. de opname en afgifte van stoffen.
Ze bestaan uit een of meer lagen van epitheelcellen die door intercellulaire verbindingen met elkaar en via een afgrenzende basaal membraan met het onderliggende bindweefsel verbonden zijn. Tevens vormt het epitheel klieren.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

5. Bindweefsel

Het bindweefsel ondersteunt, geeft vorm aan het lichaam en vormt de extracellulaire matrix die cellen, weefsels en organen verbindt en als kapsel omgeeft. De functie van het bindweefsel wordt bepaald door de cellen en de extracellulaire matrix. Deze extracellulaire matrix is opgebouwd uit een amorfe grondsubstantie, verschillende soorten vezels en weefselvloeistof. De grote variatie in bindweefseltypen hangt samen met de aard en de verhouding waarin deze componenten voorkomen. Bijzondere vormen van bindweefsel zijn bloed, vetweefsel, been en kraakbeen.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

6. Vetweefsel

Vetcellen (adipocyten) komen solitair of in kleine groepen in het bindweefsel voor. De meeste vetcellen zijn echter verenigd tot vetweefsel, dat omvangrijk kan zijn: bij mannen omvat het doorgaans 15–20 % en bij vrouwen 20–25 % van het lichaamsgewicht; het grootste deel hiervan is subcutaan vet.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

7. Kraakbeen

Kraakbeen is een gespecialiseerde vorm van bindweefsel, dat door de typische elastische consistentie van de extracellulaire matrix weerstand kan bieden tegen druk zonder blijvende veranderingen te ondergaan. In tegenstelling tot de trekvastheid van botweefsel is die van kraakbeen maar gering. Kraakbeen komt op verschillende plaatsen in het lichaam voor en heeft daar ook verschillende functies.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

8. Bot

Bot is een van de hardste substanties van het lichaam; alleen tand-email is nóg harder. Desondanks is het bot, ook in volwassen toestand, dynamisch. Onder invloed van druk- en trekkrachten vindt er een voortdurende aanpassing plaats, door de afbraak en opbouw van het botweefsel. Bot vormt het hoofdbestanddeel van het skelet.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

9. Bloed

Bloed bestaat uit een vloeistof, het plasma, waarin de bloedcellen zijn gesuspendeerd. Het bloed bevindt zich in een gesloten circulatiesysteem, waar het – door de ritmische contracties van het hart – in één richting doorheen stroomt. In het bloed vindt men verschillende typen bloedcellen.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

10. Zenuwweefsel

Het zenuwstelsel is een zeer complex systeem dat bestaat uit meer dan honderd miljard zenuwcellen (neuronen). Doordat elk neuron minstens duizend functionele connecties heeft met andere neuronen, ontstaat een uitgebreid communicatienetwerk. Door serieschakeling van neuronen kan een snelle uitwisseling van informatie over grote afstanden plaatsvinden.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

11. Spierweefsel

Spiercellen bevatten parallele, in een bepaald patroon naast elkaar gelegen actine- en myosinefilamenten, die tijdens hun interactie langs elkaar glijden en zodoende een kracht uitoefenen op de uiteinden van de cellen. De meeste spiercellen zijn verenigd in spieren. Door aanhechting op het skelet kunnen spieren het lichaam bewegen.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

12. Zintuigen

Het centrale zenuwstelsel verzamelt informatie over de omstandigheden binnen en buiten het lichaam via sensorische receptoren. Informatie van buiten het lichaam wordt geregistreerd door middel van exteroceptieve receptoren, informatie over de omstandigheden binnen het lichaam wordt geregistreerd met behulp van proprioceptieve receptoren. De gewaarwordingen die geregistreerd kunnen worden, zijn warmte, koude, pijn, druk, tast, geur, smaak, licht, geluid en evenwicht. De signalen die aanleiding geven tot een zenuwimpuls, komen voort uit een fysische of chemische prikkel van buiten of binnen het lichaam.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

13. Huid

De huid, met de daarin voorkomende zweet- en talgklieren, haren en nagels, vormt het grootste orgaan van het lichaam. Het orgaan omvat 16 % van het lichaamsgewicht en heeft bij een volwassene een oppervlak van 1,2–2,3 m2. De huid kent een groot aantal functies.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

14. Hart en bloedvaten

De bloedvaten vervoeren bloed met bloedcellen, serum, zuurstof en allerlei (voedings)stoffen naar de weefsels, terwijl afvalstoffen worden afgevoerd. Ook functioneert het bloed als een communicatiesysteem, dat signalen (hormonen, cytokinen en dergelijke) vervoert en daarmee de coördinatie tussen cellen en weefsels, soms op grote afstand van elkaar, via het transport van signaalmoleculen verzorgt.
A. L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

15. Lymfoïd weefsel

Vanaf onze geboorte zijn we in aanraking met een niet-steriele omgeving. Zolang het oppervlakte-epitheel van huid, maag-darmkanaal, luchtwegen en urogenitaal systeem intact is, zullen ziektekiemen niet in het ‘milieu intérieur’ binnen kunnen dringen. Zodra deze barrière niet intact is, is penetratie naar het ‘milieu intérieur’ mogelijk. Daar kan exponentiële vermeerdering van de ziektekiemen optreden. Het is de taak van de cellen en de organen van het immuunsysteem het organisme te beschermen tegen binnengedrongen lichaamsvreemde stoffen en organismen. Het immuunsysteem bestaat uit een niet-specifieke (aangeboren, ‘innate’) en een specifieke (verworven) component.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

16. Spijsverteringskanaal

Het spijsverteringskanaal en de bijhorende klieren hebben als taak het verteren van voedsel en het opnemen van voedingsstoffen in het bloed. Deze processen vinden plaats op de grens van de buitenwereld en het inwendige milieu. Het voedsel bevat de moleculen die nodig zijn voor de instandhouding, groei en energiebehoeften van het lichaam.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

17. Spijsverteringsklieren

De grote klieren die in dit hoofdstuk worden behandeld, liggen buiten het spijsverteringskanaal, maar zijn daarmee wel met een afvoergang verbonden; speekselklieren, pancreas, lever, galwegen en galblaas.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

18. Long en luchtwegen

Tot het ademhalingssysteem behoren de longen en een stelsel van buizen dat de buitenwereld verbindt met de plaats van gaswisseling, het longweefsel. Het doel is om het lichaam van zuurstof (O2) te voorzien en kooldioxide (CO2) te verwijderen. Daarnaast spelen de longen, evenals de nieren, een rol in de regulatie van het zuur-base-evenwicht van het lichaam. De gaswisseling vindt plaats in de alveoli aan het einde van de luchtwegen. In de alveoli is er het transport van zuurstof uit de ingeademde lucht naar de longcapillairen, waar de zuurstof wordt gebonden aan hemoglobine in de erytrocyten. Tegelijkertijd wordt kooldioxide vanuit het bloed afgegeven aan de lucht in de alveoli, waarna deze wordt uitgeademd.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

19. Nier en urinewegen

De twee nieren, de ureters, de urineblaas en de urethra werken samen voor de vorming, het transport, de opslag en de lozing van urine. Met de urine worden water en afvalproducten van de stofwisseling uit het lichaam verwijderd. De nieren regelen ook de vocht- en ionenbalans en het zuur-base-evenwicht. Tevens produceren ze het enzym renine en het hormoon erytropoëtine (EPO), die een rol spelen bij respectievelijk de regulatie van de bloeddruk en de vorming van rode bloedcellen. Afvoer van afbraakproducten van het metabolisme, bioactieve stoffen, drugs en overtollig water en elektrolyten worden door de nier uitgescheiden. Ook wordt het prohormoon van vitamine D in zijn actieve vorm omgezet en vindt er gluconeogenese plaats.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

20. Endocrien weefsel

In elk meercellig organisme bestaat een taakverdeling tussen cellen, weefsels en organen. De taakverdeling, communicatie en coördinatie gebeuren op twee manieren:
1. neuraal door het zenuwstelsel;
2. humoraal door middel van hormonen die door endocriene klieren worden uitgescheiden.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

21. Mannelijke geslachtsorganen

Het mannelijk voortplantingssysteem bestaat uit: de beide testes of gonaden, die het sperma of semen produceren; de afvoerwegen (zaadwegen) voor het transport van de spermatozoa, met de daarbij behorende klieren, en de penis.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

22. Vrouwelijke geslachtsorganen

De vrouwelijke geslachtsorganen zijn: de beide ovaria of gonaden, die rijpe eicellen kunnen produceren; de afvoerwegen voor de eicellen en voor de baby bij de geboorte. Deze afvoerwegen omvatten de beide tubae, de uterus, de vagina en de uitwendige genitalia.
Anthony L. Mescher, E. Wisse, C. P. H. Vreuls, J. L. Hillebrands

Nawerk

Meer informatie