Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek bespreekt de belangrijkste theorieën over het leren van motorische vaardigheden met het oog op de mogelijke toepassingen in sport, muziek en revalidatie. Het is bedoeld voor ieder die zich bezighoudt met het aanleren van motorische vaardigheden, professionals zoals sport-, muziek- en dansleraren , voor paramedici (fysiotherapeuten, ergotherapeuten en oefentherapeuten) maar zeker ook voor de ontwikkelde leek die als musicus, sporter of patiënt geïnteresseerd is in de mechanismen achter het leren van motorische vaardigheden.

Mensen zijn tot indrukwekkende motorische prestaties in staat. De snelheid en nauwkeurigheid van een tennisservice, de vingervlugheid en fingerspitzengefühl van de musicus, de salto’s van de kunstschaatser en turner zijn verbazingwekkend. En dat geldt zelfs voor doodgewone dagelijks leven activiteiten zoals fietsen, timmeren of aardappels schillen. Sommige patiënten met hersenbeschadiging (bijv. beroerte) herstellen goed, andere niet, waarom? Goed om daar eens bij stil te staan.

Motorisch leren is ondenkbaar zonder hersenen. Er niet één hersengebied voor motoriek, maar talrijke hersengebieden blijken betrokken. Dit strookt geheel met het huidige inzicht dat het leren van motorische vaardigheden onlosmakelijk verbonden is met sensoriek, emoties en cognitie.

Er is zeker niet één superieure leermethode, maar er bestaat een uitgebreid palet aan mogelijke leerstrategieën waaruit weloverwogen gekozen kan worden op basis van iedere individuele situatie. Aan de hand van vele uitgewerkte praktische voorbeelden op het gebied van sport, muziek en revalidatie, laat het boek zien dat de wetenschappelijke inzichten over motorisch leren hun directe toepassing in de praktijk kunnen hebben.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Mensen in Actie

Voorwerk

1. Wat wij allemaal kunnen

Mens en dier zijn voortdurend bezig. Wij zijn handelende wezens en krijgen veel voor elkaar. Topmusici en topsporters kunnen verbazingwekkend veel presteren, maar ook de gewone mens in zijn alledaagse bewegen. Gewoon fietsen, een auto besturen, op een bergpad lopen of een balletje slaan op de tennisbaan zijn activiteiten die bij nader inzien ongelofelijk complex zijn. Motoriek is meer dan de som van spiercontracties. Aan de hand van vijf voorbeelden laten we in dit hoofdstuk zien dat motoriek (bewegen) onlosmakelijk verbonden is met sensoriek (zintuigen) en met mentale processen (cognitie, emotie). Bij dit alles spelen onze hersenen, als opdrachtgever en informatieverwerker, een onmisbare rol. Iemand met een locked in syndroom (een soort dwarslaesie hoog in de hersenstam) kan niet hardlopen, maar kan een boek schrijven met zijn oogbewegingen. Een doeltreffende handeling is nauwelijks denkbaar zonder hersenen: motoriek is een ‘hoofdzaak‘.
B. van Cranenburgh

2. Hoe krijgen we dat voor elkaar? Neurale sturing!

Motoriek is ondenkbaar zonder neurale sturing. Onze hersenen genereren impulspatronen die in tijd en ruimte geordend zijn. Zo ontstaat een soort bewegingssymfonie: een complex samenspel van spiercontracties. Drie niveaus van de hersenen zijn hierbij betrokken: het archiniveau voor arousal, reflexen en tonus, het paleoniveau voor emoties, automatismen en houdingscontrole, en het neoniveau voor cognitie en situatief/sociaal aangepast gedrag. Bij de neurale sturing van motoriek zijn de taken over deze drie niveaus verdeeld. We gaan in dit hoofdstuk in op de rol van ruggenmerg, hersenstam, limbisch systeem, basale kernen, hersenschors en cerebellum, en zullen zien dat dit neurowetenschappelijke perspectief veel fenomenen van menselijke motoriek kan verduidelijken en inspiratie kan leveren voor de aanpak van leerprocessen.
B. van Cranenburgh

3. Waarnemen en actie: sensomotoriek

Motoriek en sensoriek zijn onlosmakelijk verbonden. Enerzijds kan de zintuiglijke waarneming handelen uitlokken, anderzijds leidt ieder handelen tot (verandering van) zintuiglijke waarneming. Per vaardigheid (tennissen, vioolspelen, etc.) is sprake van specifieke sensomotorische kringen. Verlies van zintuiglijke informatie (doofheid, blindheid, anesthesie, etc.) heeft daarom implicaties voor motorische vaardigheden. Ook in de hersenen is de koppeling tussen actie en perceptie duidelijk aanwezig. Hersenscans tonen dat bij menselijk handelen vrijwel altijd ook sensorische gebieden geactiveerd zijn. Via een spiegelneuronensysteem kunnen we een waargenomen handeling (demonstratie) direct omzetten in een handeling (imitatie). Er blijken verschillende neurale perceptiesystemen te bestaan voor herkenning, lokalisatie en actie (het ‘wat’-, ‘waar’- en ‘hoe’-systeem). Het ‘hoe’-systeem vormt een directe link tussen waarneming en handeling.
B. van Cranenburgh

4. Psyche en actie

De scheiding tussen psyche en lichaam (dualisme) heeft veel kwaad gedaan. Gezien vanuit de evolutie zijn psychische processen onlosmakelijk verbonden met motorische activiteit. Stress kan de prestatie verhogen, maar kan zich helaas ook tegen ons keren: falen onder druk. Motivatie kan men opgebouwd denken uit drie componenten: arousal, emotie en cognitie. Goed wakker zijn en goed opletten zijn onmisbaar tijdens een voetbalwedstrijd of een concert. Emoties en passie zetten ons letterlijk in beweging. Zonder passie stagneert het leerproces. Ook cognitieve functies zijn belangrijk: de musicus die het stuk begrijpt, kan het daardoor beter spelen. De CVA-patiënt die geen idee heeft van wat er met hem aan de hand is, begrijpt het nut van de oefeningen niet. Ten slotte speelt de persoonlijkheid vaak een beslissende rol: de een is geduldig en oefent veel, een ander maakt ruzie binnen het team en weer een ander denkt dat hij altijd gelijk heeft.
B. van Cranenburgh

Leren

Voorwerk

5. Biologisch fundament van leren: het plastische brein

Leren is mogelijk doordat er in de hersenen iets verandert: plasticiteit. Hoewel men er lang en ten onrechte van uitgegaan is dat het volwassen brein statisch is, zijn de bewijzen voor plasticiteit op dit moment onontkoombaar: op alle niveaus is plasticiteit aangetoond, van zenuwuiteinden tot cortex. Plastische veranderingen treden op tijdens de ontwikkeling van kind tot volwassene, bij het leren van motorische vaardigheden (van tennis tot vioolspelen), van zintuiglijke vaardigheden (bijvoorbeeld leren van braille, pianostemmen, gebarentaal) en bij herstel na hersenbeschadiging. Beweging, bezigheden en leefstijl hebben een ingrijpende invloed op structuur en functie van onze hersenen, zo sterk zelfs dat hierdoor het optreden van degeneratieve ziekten uitgesteld of vertraagd kan worden. Inzicht in plasticiteit kan inspireren tot een andere aanpak; niet alleen van leerprocessen, maar ook van chronische pijn en focale dystonie.
B. van Cranenburgh

6. Ontwikkeling van motoriek: hoe begint het allemaal?

Aanvankelijk ging men ervan uit dat de reflex de basis vormt voor de motorische ontwikkeling: doeltreffende motoriek zou ontstaan door stapeling en combinaties van reflexen. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat spontane neuronale activiteit en de daardoor opgewekte bewegingspatronen cruciaal zijn. De aanvankelijk ongerichte, lukraak uitgevoerde bewegingen worden geleidelijk doeltreffend. Voor de verklaring van het ontstaan van gecoördineerde bewegingspatronen bestaan verschillende theorieën: de maturatietheorie, de dynamische systeemtheorie en het neurale darwinisme. Neurale rijpingsprocessen en ontwikkeling van motoriek gaan hand in hand en vinden plaats tot vele jaren na de geboorte. Nieuwe theorieën over de ontwikkeling van motoriek hebben implicaties voor de therapeutische aanpak van aangeboren of vroegverworven motorische dysfuncties, zoals cerebrale parese (CP) en developmental coordination disorder (DCD).
B. van Cranenburgh

7. Leren van motorische vaardigheden

Het is nuttig om goed te definiëren wat leren wel en niet is. Oefenen leidt namelijk niet automatisch tot prestatieverbetering. De evolutie van theorieën over motorisch leren is fascinerend. Achtereenvolgens duiken op: de engramtheorie, de schematheorie, de ecologische theorie en de dynamische systeemtheorie. Iedere theorie bevat een gezonde kern van waarheid die zijn toepassingen kan hebben in sport, muziek of revalidatie. De rol van de hersenen bij motorisch leren is evident: in verschillende leerfasen worden verschillende hersengebieden ingezet. Recent onderzoek wijst uit dat de voor leren belangrijke plastische veranderingen niet optreden tijdens de oefeningen maar vooral erna, tijdens rustfasen, slaap en droom. Behalve aanleren van bewegingen kan ook afleren van groot belang zijn: ingeslepen foutieve bewegingspatronen kunnen de vooruitgang van prestaties remmen, en dan rijst de vraag hoe je deze kunt afleren. Bij dit alles kan men zich afvragen of wel altijd een leraar, coach of therapeut nodig is. Tenslotte zijn er grote individuele verschillen, hetgeen vaak een op maat gesneden aanpak nodig maakt.
B. van Cranenburgh

8. Manieren van motorisch leren: een breed repertoire

Ieder individu heeft zijn eigen zwakke en sterke punten. Wat bij de een werkt, kan bij een ander volledig ineffectief zijn. Door hersenbeschadiging worden zwakke en sterke punten nog meer uitgesproken. Daarom is het van groot belang om bij ieder individu (leerling, sporter, patiënt) je steeds weer opnieuw af te vragen wat de meest passende leerstrategie zou kunnen zijn. Kernvragen zijn daarbij vaak de keuze tussen impliciete of expliciete strategieën en de focussering van aandacht. In dit hoofdstuk passeren vele leerstrategieën de revue: klassiek en operant conditioneren, geven van feedback, stimulatietechnieken, imitatieleren, foutloos leren, ketenvorming, automatisering en dubbeltaaktraining, forced use, verbale (zelf)sturing en mental practice. Het repertoire van leermethoden is werkelijk groot.
B. van Cranenburgh

De Praktijk

Voorwerk

9. Het keuzeprobleem: wat kiezen we bij wie, wanneer en waarom?

In de voorgaande hoofdstukken kwamen vele leerstrategieën aan de orde. Nu rijst natuurlijk de vraag: wat doen we, bij wie, wanneer en waarom? Een niet eenvoudige vraag! Ten eerste: er zijn vele wegen die naar Rome leiden. Ten tweede: ieder individu heeft zijn eigen zwakke en sterke kanten; de gekozen methode moet daarop aansluiten. Ten derde: wat wil je bereiken, wat is het doel van de oefening/training/therapie? Ten slotte: er is soms wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de effectiviteit van een methode (helaas niet altijd) en natuurlijk heeft de gangbare praktijk ook haar beperkingen (apparatuur, deskundigheid, etc.). Er zijn dus zeker wel criteria waarop men een verantwoorde keuze kan baseren.
B. van Cranenburgh

10. Praktische toepassingen in de sport

Sport heeft niet alleen maar met spieren te maken. In de eerdere hoofdstukken hebben we uiteengezet dat zintuiglijke informatie (sensoriek), cognitie (bijvoorbeeld aandacht en anticipatie), motivatie en emotie een beslissende rol kunnen spelen. Het verwerven van een sportvaardigheid (een salto, tennisservice of penalty) is niet alleen een kwestie van veel oefenen en trainen. Het is vooral belangrijk welke leerstrategie wordt ingezet. Een andere leerstrategie kan soms een impasse doorbreken. In dit hoofdstuk presenteren we enkele uit het sportleven gegrepen voorbeelden die goed laten zien dat het de moeite waard is na te denken over de principes die aan leerprocessen en prestatieverbetering ten grondslag liggen.
B. van Cranenburgh

11. Praktische toepassingen in de muziek

Muziek is meer dan vingervlugheid. Een goede techniek is weliswaar noodzakelijk, maar zeker niet voldoende om de expressie van een muzikaal idee te verwezenlijken. Net als bij het lopen over een lastig bergpad, is techniek een middel om een hoger doel te bereiken: de top van de berg, het ontroerende lied. In het ideale geval zijn techniek en muzikale expressie vervlochten tot één geheel. Bij het leren musiceren doet zich in de praktijk een breed scala aan problemen voor. De in dit boek besproken principes kunnen voor het oplossen van die problemen behulpzaam zijn voor zowel musicus als muziekstudent. In dit hoofdstuk wordt een aantal van die problemen besproken aan de hand van praktijkvoorbeelden.
B. van Cranenburgh

12. Praktische toepassingen in de revalidatie

Revalidatie kan beschouwd worden als een actief leerproces. De patiënt, al of niet met hersenbeschadiging, tracht door oefenen bepaalde vaardigheden weer onder de knie te krijgen. De therapeut speelt een belangrijke rol bij de analyse van problemen en het in kaart brengen van de zwakke en sterke punten van iedere individuele patiënt. Op basis hiervan wordt een op maat gesneden behandelprogramma ontworpen. Er is niet één beste methode, maar een breed repertoire aan mogelijkheden. Steeds moet een weloverwogen keuze gemaakt worden: welke leerstrategie is geschikt voor wie en waarom? In dit hoofdstuk worden acht voorbeelden besproken.
B. van Cranenburgh

13. Conclusie

Mensen zijn tot indrukwekkende prestaties in staat. In dit boek haalden we vele voorbeelden aan. We krijgen dat voor elkaar door neurale sturing, dat wil zeggen: processen in de hersenen spelen een cruciale rol. Menselijk bewegen (motoriek) kan niet los gezien worden van waarneming (sensoriek) en psychologische factoren (cognitie, motivatie, emotie). Het leren van een motorische vaardigheid gaat hand in hand met plastische processen in het zenuwstelsel. Er zijn vele theorieën over motorisch leren die alle hun waarde voor de praktijk kunnen hebben. Welke leerstrategie kiezen we? Welke aanpak is geschikt voor de individuele persoon die wij voor ons hebben? Voorbeelden uit de werelden van sport, muziek en revalidatie laten zien dat de gekozen leerstratgie beslissend kan zijn voor (vooruitgang van) de prestatie.
B. van Cranenburgh

Nawerk

Meer informatie