Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek biedt professionals, studenten en andere geïnteresseerden een uniek overzicht van onderzoek naar de ontwikkeling van jonge mensen van 12 tot 25 jaar.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Wat is adolescentie?

Samenvatting
Adolescenten zijn ondernemend en gaan daarbij risico’s niet uit de weg. Dat is een van de redenen dat de adolescentie in de media en door ouders, maar ook door wetenschappers vaak wordt beschreven als een moeilijke periode, een leeftijdsfase van rebellie, chaos en conflict. Daarnaast bestaat het beeld dat de adolescentie de vormende periode in het leven is. De leeftijdsfase waarin jonge mensen uitvinden wie ze zijn en stabiel gedrag, voorkeuren en duidelijke ideeën over de maatschappij ontwikkelen. Voor beide visies op de adolescentie bestaat empirisch bewijs. De vraag is welke visie het overtuigendst is. Om dat te bepalen moeten we naar de ontwikkeling van adolescenten kijken, en dat doen we in dit boek. De adolescentie is tegenwoordig een lange ontwikkelingsfase; ze loopt van 12 tot 23 jaar en kent 4 subfasen: de vroege adolescentie (12–14 jaar), de middenadolescentie, (15–17 jaar), de late adolescentie (18–20 jaar) en de postadolescentie (21–23 jaar).
Wim Meeus

2. Kijken naar ontwikkeling

Samenvatting
We kunnen de ontwikkeling van jonge mensen op vier manieren beschrijven. Bij de eerste twee manieren gaat het over de ontwikkeling van adolescenten als groep. We kijken dan naar de gemiddelde verandering van een kenmerk, bijvoorbeeld aardig zijn, en naar het ontstaan van stabiele individuele verschillen. Door naar de gemiddelde verandering te kijken kunnen we de richting van de ontwikkeling vaststellen. Als jongeren met de leeftijd gemiddeld aardiger worden, betekent dat dat aardig-zijn een ontwikkelingsnorm is. Bij het ontstaan van individuele verschillen gaan we na of iemand stabiel tot de meer aardige of minder aardige adolescenten in de groep gaat behoren. Omdat ontwikkeling op groepsniveau niet per se iets zegt over de individuele ontwikkeling beschrijf ik twee manieren om de ontwikkeling van individuen te bestuderen: onderzoek naar profielstabiliteit en naar ontwikkelingsketens. Met profielstabiliteit kunnen we bijvoorbeeld voor elk individu nagaan of hij/zij met het ouder worden een meer georganiseerde persoonlijkheid krijgt. Met ontwikkelingsketens kunnen we voor elk individu een ontwikkelingstype vaststellen en nagaan hoe mensen in de adolescentie van type veranderen. Dit boek gaat over de ontwikkeling van adolescenten. De eerste vraag die we moeten beantwoorden als we naar de ontwikkeling kijken, is hoe die ontwikkeling verloopt. We moeten de ontwikkeling beschrijven.
Wim Meeus

3. Iemand worden: ontwikkeling van identiteit

Samenvatting
In de adolescentie moeten jongeren ontdekken wie ze zijn, ze moeten hun identiteit vinden. De belangrijkste adolescente-identiteitstheorie gaat ervan uit dat mensen een identiteit hebben als ze weten wat ze willen in het leven en als ze duidelijke keuzen hebben gemaakt voor de toekomst. In de theorie heten keuzen commitments. Identiteitsonderzoek spreekt van een goed ontwikkelde identiteit als jongeren sterke commitments hebben, als ze die goed overwogen hebben gekozen en geen twijfels hebben over hun keuze. Het oorspronkelijke identiteitsmodel is bedacht door de Amerikaan Marcia en later aangevuld door Europese onderzoekers. Die leggen niet alleen de nadruk op de vorming van identiteit, maar ook op de manier waarop adolescenten hun identiteit in stand houden. Daarom spreken ze van twee cycli in de ontwikkeling van identiteit. Onderzoek laat zien dat identiteit zich in de loop van de adolescentie ontwikkelt van een vage of onzekere identiteit naar een duidelijke en zekere identiteit. Dat wordt gevonden in onderzoek op groepsniveau en individueel niveau. Twee-cycli-modellen kunnen het concrete verloop van de ontwikkeling van identiteit beter laten zien dat het oorspronkelijke model van Marcia.
Wim Meeus

4. Iemand worden: ontwikkeling van de persoonlijkheid

Samenvatting
In de adolescentie vormen jongeren niet alleen hun identiteit, maar ook hun persoonlijkheid. Er zijn twee manieren om persoonlijkheid te bestuderen. We kunnen kijken naar aparte persoonlijkheidstrekken. Dan stellen we de vraag of adolescenten extravert, aardig, consciëntieus, emotioneel stabiel en open zijn. We kunnen ook kijken naar de combinatie van persoonlijkheidstrekken van individuen. Die combinaties noemen we persoonlijkheidstypen. Er zijn drie persoonlijkheidstypen: veerkrachtigen, overcontrollers en undercontrollers. Veerkrachtigen zijn flexibel en weten goed wanneer ze actief moeten zijn en wanneer ze zichzelf in moeten houden, overcontrollers houden zichzelf te vaak in, en undercontrollers zijn te impulsief. Adolescenten laten een duidelijke ontwikkeling van hun persoonlijkheid zien: ze worden extraverter, consciëntieuzer, emotioneel stabieler en meer open. Ook neemt het aantal veerkrachtigen in de loop van de adolescentie toe en het aantal over- en undercontrollers af. Individuele verschillen in de persoonlijkheid worden stabieler en de organisatie van de persoonlijkheid neemt toe. Veerkrachtigen laten de gunstigste ontwikkeling zien, en over- en undercontrollers hebben duidelijke maar verschillende risicoprofielen.
Wim Meeus

5. Ontwikkeling van relaties met ouders en vrienden en empathie

Samenvatting
In de loop van de adolescentie veranderen de relaties van adolescenten met hun ouders en vrienden. De relatie met de ouders wordt gelijkwaardiger. Conflicten met ouders komen het meest voor in de middenadolescentie en nemen daarna weer af. In de late adolescentie zijn de meeste ouder-adolescentrelaties positief. Ook neemt het vermogen van ouders om hun kinderen te controleren af en bouwen adolescenten meer en meer hun eigen wereld. Dat doen ze ook doordat ze zelf gaan bepalen welke persoonlijke informatie ze wel en niet delen met ouders. Relaties met vrienden worden warmer, en adolescenten leren ook om conflicten met vrienden op een redelijke manier op te lossen. Machtsverschillen en conflicten met vrienden blijven tot in de late adolescentie bestaan. Gemiddeld genomen is er dus maturatie van relaties met ouders en vrienden. Cognitieve empathie, het vermogen om anderen te begrijpen, neemt toe in de adolescentie, terwijl de toename van affectieve empathie minder eenduidig is. Positieve relaties met ouders en vrienden gaan samen met minder probleemgedrag bij adolescenten.
Wim Meeus

6. Problemen met jezelf en de wereld: psychopathologie

Samenvatting
Bij adolescent probleemgedrag wordt onderscheid gemaakt tussen internaliserende en externaliserende problemen. Internaliseren verwijst naar kwetsbaarheid voor stemmingsstoornissen, zoals depressie en angst, terwijl externaliseren kwetsbaarheid voor antisociaal gedrag aangeeft, zoals delinquentie, agressie en druggebruik. Verschillende theorieën over depressie, angst, delinquentie en druggebruik worden besproken. Onderzoek laat zien dat in de adolescentie angst, met uitzondering van gegeneraliseerde angst, afneemt en dat depressie toeneemt. Directe agressie neemt af, delinquentie piekt in de middenadolescentie en neemt daarna af, en druggebruik neemt tot de postadolescentie toe. Individuele verschillen in angst, depressie en delinquentie worden sterker in de adolescentie. De meeste jongeren groeien in de adolescentie over hun problemen heen, maar dat geldt niet voor 10 tot 15 % van hen. Gemiddeld groeien adolescenten vaker over externaliserend probleemgedrag heen dan over internaliserend probleemgedrag. Adolescenten met probleemgedrag vertonen ook op andere gebieden een problematische ontwikkeling. Dat geldt voor identiteit, persoonlijkheid en persoonlijke relaties.
Wim Meeus

7. Kijken naar meervoudige ontwikkeling

Samenvatting
Adolescenten ontwikkelen zich op meerdere gebieden tegelijkertijd. Ik noem dat meervoudige ontwikkeling. Een belangrijke vraag is daarom hoe verschillende ontwikkelingsprocessen samenhangen. Er zijn twee manieren om naar deze samenhang te kijken. Bij voorspellingsmodellen gebruiken we een proces vroeger in het leven om een proces later in het leven te voorspellen, bijvoorbeeld dat een geringe zelfcontrole in de vroege adolescentie delinquentie in de late adolescentie voorspelt. Voorspellingsmodellen zeggen niet meteen iets over de invloed die verschillende processen in de ontwikkeling op elkaar uitoefenen. Dat doen ontwikkelingsvolgordemodellen wel. Daarin bestuderen we twee processen die in principe tegelijkertijd optreden (A en B) en laten zien dat proces A van invloed is op de ontwikkeling van B terwijl het omgekeerde minder of niet het geval is. Inhoudelijk laat onderzoek vijf patronen van meervoudige ontwikkeling zien: (1) goede relaties met ouders en vrienden leiden tot goede partnerrelaties; (2) als adolescenten zich goed ontwikkelen op het ene gebied doen ze dat meestal ook op andere gebieden; (3) ouders dragen denken en doen over op hun kinderen; (4) psychopathologie van adolescenten leidt tot slechtere persoonlijke relaties, en (5) psychopathologie van adolescenten zorgt ervoor dat ouders hun geen autonomie geven.
Wim Meeus

8. Verklaren van stabiliteit van individuele verschillen en volgorde in ontwikkeling

Samenvatting
Individuele verschillen worden in de loop van de adolescentie meer systematisch, of het nu gaat om persoonlijkheidstrekken, relaties met ouders of psychopathologie. Welke processen zorgen voor deze stabiliteit? Ik beantwoord deze vraag voor depressie, (sociale) angst en agressie. Kortetermijnprocessen, zoals mislukte emotieregulatie en stressgevoeligheid, blijken de stabiliteit goed te kunnen verklaren. Ontwikkelingsvolgordemodellen hebben een duidelijke beperking: ze laten niet de mechanismen achter een ontwikkelingsvolgorde zien. Welke lange- en kortetermijnprocessen brengen een ontwikkelingsvolgorde tot stand? In dit hoofdstuk gaat het over ouder-adolescentrelaties en de identiteit van adolescenten. Geheimhouding door adolescenten blijkt zo het mechanisme te zijn dat verklaart waarom schending van privacy door ouders ertoe leidt dat ze uiteindelijk minder weten over hun kinderen. Wisselende emoties verklaren waarom adolescenten later negatieve relaties met hun ouders krijgen. Onzekerheid over identiteit leidt later tot meer angst en depressie.
Wim Meeus

9. Tijdelijke turbulentie en ontwikkelingspatronen

Samenvatting
Er zijn twee manieren om naar de adolescentie te kijken: (1) als een moeilijke en chaotische periode en (2) als de leeftijdsfase waarin mensen worden wie ze eigenlijk zijn. De conclusie is dat de adolescentie een moeilijke én een vormende periode is. Beide perspectieven hebben geldigheid. Maar het perspectief van de adolescentie als vormende periode geldt voor de meeste adolescenten, terwijl dat van de moeilijke adolescentie geldt voor een minderheid. De middenadolescentie is dé periode van storm en stress. Ook zijn er acht ontwikkelingspatronen in de adolescentie. Dit zijn patronen die gevonden zijn in onderzoek in verschillende landen. Een aantal van deze patronen komt overeen met wat je zou verwachten: zo dragen ouders hun denken en doen over op hun kinderen. Maar er zijn ook onverwachte patronen, bijvoorbeeld dat problemen van adolescenten ervoor zorgen dat ouders minder in hen investeren. Daarnaast zijn er sterke indicaties dat er een beperkt aantal regels van individuele ontwikkeling is. Bijvoorbeeld dat individuele ontwikkeling een richting heeft en dat er duidelijke eindpunten van ontwikkeling zijn. Ten slotte betekent maturatie van adolescenten dat ze zich steeds zelfstandiger op gaan stellen en dat de invloed van bijvoorbeeld hun ouders beperkter wordt.
Wim Meeus

Nawerk

Meer informatie