Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

De mogelijkheden voor tandheelkundige verzorging van mensen met een handicap zijn sterk verbeterd door de invoering per 1 januari 1990 van de regeling "bijzondere tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekerden". Door de regeling kan honorering van de tandarts plaatsvinden op tijdbasis, is uitgebreidere hulp mogelijk dan die waarop niet–gehandicapten aanspraak kunnen maken en kan een patiënt voor advies en/of behandeling naar een centrum voor bijzondere tandheelkunde worden verwezen.Om meer bekendheid aan deze regeling te geven en tandartsen, mondhygiënisten en assistenten te stimuleren patiënten met een handicap daadwerkelijk in hun praktijk te behandelen, hebben in de afgelopen jaren verschillende informatieve activiteiten plaatsgevonden. Een en ander heeft geleid tot een toenemende vraag naar meer specifieke kennis over tandheelkundige zorg voor mensen met een handicap. Dit is de reden geweest om enkele bijdragen over dit onderwerp uit de uitgave Kindertandheelkunde te bundelen in een op zichzelf staande uitgave.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding

Thuisverblijvende gehandicapten hebben in het algemeen een bijzonder slechte mondhygiëne en een grote tandheelkundige behandelachterstand. Door problemen met het uitvoeren van mondhygiënische maatregelen en minder natuurlijke reiniging van de mond bestaat een verhoogd risico op gingivitis, parodontitis, stomatitis, infectie van wonden en cariës. De behandelachterstand wordt enerzijds veroorzaakt doordat gehandicapten of hun ouders of verzorgers vaak niet om hulp vragen. Door de problemen die voortkomen uit het gehandicapt-zijn kan het gebit als weinig belangrijk worden ervaren of behandeling te bedreigend worden gevonden. Bovendien zijn transportproblemen, onvoldoende toegankelijkheid van de praktijk, kosten van behandeling en het niet kunnen vinden van een geschikte tandarts vaak belemmerende factoren. Anderzijds zijn tandartsen, mondhygiënisten en tandartsassistenten vaak huiverig gehandicapten daadwerkelijk te behandelen.
M.F. van Grunsven

2. Het gehandicapt-zijn

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) omschrijft een gehandicapte als een persoon die als gevolg van een lichamelijke of geestelijke ziekte of aandoening ernstig belemmerd wordt in het deelnemen aan de voor zijn of haar leeftijd, geslacht en sociaal-culturele achtergrond normaal geachte sociale activiteiten.
M.F. van Grunsven

3. Bijzondere tandheelkunde

De International Association of Dentistry for the Handicapped (IADH) noemt tandheelkundige zorg voor gehandicapten „Special Care in Dentistry”. In analogie hiermee spreekt men in Nederland over „Bijzondere Tandheelkunde” of over „Bijzondere Tandheelkundige Hulp”.
M.F. van Grunsven

4. Slechte mondhygiëne bij gehandicapte kinderen

In de literatuur over tandheelkundige verzorging van gehandicapten wordt bijna unaniem gewezen op een meestal bestaande, sterk onvoldoende mondhygiënische situatie (Van Grunsven, 1977;Van Grunsven en Koelen, 1990).Aan een gemiddelde hoge plaqueretentie, en de vaak ook sterke tandsteenvorming, kan een aantal factoren bijdragen (Cornips en Van Grunsven, 1990).
M.F. van Grunsven

5. Behandelachterstand bij gehandicapte kinderen

Het merendeel van de verstandelijk en motorisch gehandicapte personen die in een instelling worden opgenomen, blijkt voor opname niet tandheelkundig te zijn behandeld, hoewel de noodzaak daartoe meestal zeer duidelijk is. Bij 90% van de thuisverblijvende, 6- tot 20-jarige verstandelijk gehandicapte kinderen die voor een enkele maanden durende klinische observatie werden opgenomen in „Hendrik van Boeijen” te Assen, blijkt curatieve tandheelkundige hulp geïndiceerd. Van deze kinderen was in de periode 1968-1972 slechts 13% ooit door een tandarts behandeld. In de periode 1990-1993 was dit het geval bij 36% van de kinderen. In het merendeel van de gevallen had behandeling bestaan uit extracties. Een toegenomen belangstelling voor het behandelen van gehandicapte kinderen blijkt uit bovengenoemde percentages, maar komt ook tot uitdrukking in het aantal kinderen met gerestaureerde gebitselementen: in de periode 1968-1972 slechts 6% van de kinderen, in de periode 1990-1993 30% van de kinderen (Van Grunsven, 1993).
M.F. van Grunsven

6. Relatie tandarts-patiënt

Van tandartsen, mondhygiënisten en assistenten wordt vaak gezegd dat hun beroep een grote mate van stress kan veroorzaken. Het uitvoeren van tandheelkundige ingrepen vereist een grote concentratie op het handelen. Het gebied van de medisch-tandheelkundige interactie legt in toenemende mate zijn stempel op diagnostiek, indicatiestelling en behandeling. Kosten-baten-analyses zowel individueel als maatschappelijk moeten binnen kleine marges en strikt plaatsvinden. Patiënten stellen steeds hogere eisen aan informatie en inspraak en aan de uitvoering van de verzorging. Daarbij zijn patiënten vaak gespannen en staat het tandheelkundig gebeuren meestal onder een zekere tijdsdruk. In zo’n situatie kunnen ogenschijnlijk kleine verstoringen van de dagelijkse planning en routine groot ongemak en stress veroorzaken.
M.F. van Grunsven

7. Patiënt-gerichte attitude

Een patiënt-gerichte attitude van de tandarts kan omschreven worden als een houding waarmee hij aangeeft de opvattingen, verwachtingen en gevoelens van de patiënt te willen begrijpen en respecteren.
M.F. van Grunsven

8. Communicatie

Onderzoek naar de gedragscomponenten van de Rogeriaanse houding heeft een aantal gedragingen opgeleverd die werden aangeduid als gespreksvaardigheden (Ivey, 1974). Als belangrijkste worden hier genoemd: luisteren, aanmoedigen tot verder praten, vragen stellen – open en gesloten vragen –, parafraseren – het in eigen bewoordingen weergeven van de inhoud van de boodschap van de patiënt –, reflecteren – het verwoorden van de gevoelens van de patiënt –, en samenvatten.
M.F. van Grunsven

9. Cliënt-gerichte tandheelkunde: „overlegmodel”

De ideeën van Rogers over een cliënt-gerichte benadering zijn verder uitgewerkt voor de medische en de tandheelkundige situatie (Hopkins, 1972; Ingersoll, 1982). Naast het tot uiting brengen van een patiënt-gerichte houding door middel van gespreksvaardigheden wordt het belangrijk geacht dat:
  • de tandarts bereid is tot samenwerking, overleg en het maken van afspraken met de patiënt en/of diens ouders, verzorgers,
  • de tandarts de verantwoordelijkheid erkent van de patiënt voor diens eigen (mond)gezondheid, en
  • de tandarts zich bewust is van zijn eigen uitgangspunten,motieven en gevoelens.
M.F. van Grunsven

10. Strategieën voor de preventie en reductie van angst, vrees en pijn

Tandartsen die in het verleden met succes jonge en angstige kinderen, extreem angstige volwassenen en verstandelijk en motorisch gehandicapte patiënten konden behandelen, gingen daarbij voornamelijk intuïtief te werk. Zij wisten van hun ervaringen te leren en werden wijs in zaken die een tandarts in het omgaan met zijn patiënten moet doen of juist moet nalaten.
M.F. van Grunsven

11. Aangepaste preventie

Tandenpoetsen en het uitvoeren van andere preventieve maatregelen vormt bij gehandicapte kinderen vaak een groot probleem. Bovendien bestaat vooral bij thuisverblijvende gehandicapten dikwijls een grote behandelachterstand. Een en ander heeft tot gevolg dat mede hierdoor de aard, de verbreiding en de ernst van de mondaandoeningen vaak anders en groter is dan bij niet-gehandicapte leeftijdgenoten.
M.F. van Grunsven, M.C.J.H. Cornips

12. Tandheelkundige symptomen en de diagnostiek van handicaps

Ongeveer vier tot zes procent van de pasgeboren kinderen heeft een aangeboren afwijking, zodat in Nederland jaarlijks rond 10 000 kinderen worden geboren met een meer of minder ernstige stoornis of handicap. Deze aangeboren afwijkingen kunnen geheel of gedeeltelijk op erfelijke factoren berusten of veroorzaakt zijn door exogene factoren.
M.F. van Grunsven, M. Hoff

13. Kinderen met een verstandelijke handicap

Het verschijnsel „verstandelijke handicap” wordt met een veelheid aan begrippen benoemd. In Nederland gaat momenteel de voorkeur ernaar uit om te spreken van „mensen met een verstandelijke handicap” met betrekking tot die personen die ook „geestelijk gehandicapt” of „zwakzinnig” worden genoemd. In deVerenigde Staten van Amerika gebruikt men het begrip „mental retardation”, een term die elders wordt gereserveerd om een vertraagde mentale ontwikkeling aan te geven. In het Engels worden de volgende begrippen gehanteerd: „mental handicap”, „intellectual disability” en „intellectual impairment”. Vooral in Scandinavische landen wordt de term „mensen met speciale behoeften” steeds vaker gebruikt, om aan te geven dat mensen met een verstandelijke handicap allen speciale behoeften hebben, die echter individueel zeer kunnen verschillen en dus individueel moeten worden bepaald (Van Gennep, 1993).
M.F. van Grunsven

14. Kinderen met een motorische handicap

Motorische handicaps vinden hun oorsprong in lokale of gegeneraliseerde afwijkingen van het zenuwstelsel, in spieraandoeningen of in het ontbreken van delen van het bewegingsapparaat. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan kinderen bij wie de motorische handicap is veroorzaakt door hersenbeschadiging op jonge leeftijd. Achtereenvolgens wordt ingegaan op een aantal aspecten van het cerebraal bewegingsgestoord-zijn, het begeleiden van deze kinderen bij tandheelkundige behandeling, en op enkele aan de handicap gerelateerde tandheelkundige bijzonderheden.
M.F. van Grunsven, M. Hoff

15. Medisch gecompromitteerde kinderen

Het aantal chronisch zieke kinderen is vrij stabiel de laatste jaren. Tengevolge van vroegtijdige diagnose en meer effectieve medische hulp overleeft een groter aantal van deze ernstig zieke kinderen. Zo is het op dit ogenblik duidelijk dat bij kinderen met acute lymfatische leukemie, of kystische fibrose (mucoviscidose) een spectaculaire stijging van de levensverwachting is opgetreden. Tengevolge van dit alles is de noodzaak van gespecialiseerde tandheelkundige behandelingen van kinderen met ernstige ziekten toegenomen. Hiervoor is basiskennis van de ziekte noodzakelijk, alsook kennis betreffende de orale complicaties die behoren tot de symptomatologie van de verschillende ziekten.
L.C. Martens, L.A.M. Marks

16. Kinderen met een zintuiglijke handicap

Veel visuele handicaps berusten op erfelijke factoren. Daarnaast kunnen prenatale oorzaken, zoals rode hond en toxoplasmose van de moeder, perinatale oorzaken, zoals retrolentale fibrose en cerebrale beschadiging, alsook postnatale oorzaken, zoals meningitis, encephalitis en traumata, afwijkingen van het oog doen ontstaan. Slechtziendheid zonder meer komt als aangeboren afwijking niet zo vaak voor, maar wordt veelal in combinatie met zwakzinnigheid of met doofheid of andere lichamelijke handicaps gezien.
M. Hoff, M.F. van Grunsven

17. Tandheelkundige verzekeringen voor gehandicapten

De ziektekostenverzekeraars kennen een grote diversiteit aan aanspraken op tandheelkundige hulp voor gehandicapten. Onderscheid wordt gemaakt tussen „tandheelkundig gehandicapten” en „gehandicapten voor gewone tandheelkundige verzorging”. De criteria hiervoor zijn niet altijd even duidelijk (zie hoofdstuk 3 – Bijzondere tandheelkunde).
M.F. van Grunsven

18. Bevordering tandheelkundige zorg voor thuisverblijvende gehandicapten

In november 1987 bracht de Werkgroep Heroriëntatie Bijzondere Tandheelkunde in een rapport de resultaten uit van haar bestudering van de problematiek rond de zogeheten bijzondere tandheelkundige hulp aan de Subcommissie Tandheelkundige Verstrekkingen van de Commissie Verstrekkingen van de Ziekenfondsraad (Herbijt, 1987). In december 1988 werd een voorlichtingskundig onderzoek ten behoeve van de verbetering van tandheelkundige zorg voor gehandicapte kinderen met een lijvig rapport afgesloten (Vis e.a., 1988). Op basis van de conclusies van genoemde rapporten is vervolgens een groot aantal activiteiten ontwikkeld om de tandheelkundige verzorging van thuisverblijvende gehandicapten te verbeteren. Met ingang van 1 januari 1990 is artikel 9a van het Besluit Tandheelkundige Hulp Ziekenfondsverzekering ingrijpend gewijzigd (zie hoofdstuk 3 – Bijzondere tandheelkunde). In 1991 is gestart met een landelijk project „Mondzorg voor gehandicapten”.
M.F. van Grunsven

Nawerk

Meer informatie