Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft een heldere beschrijving van de praktische vaardigheden waar een sportmasseur over moet beschikken. Alle beschreven handgrepen en tests zijn voorzien van duidelijke instructieve foto's. Sportmassage, sportverzorging en functietests is bij uitstek geschikt als praktisch hulpmiddel voor de voorbereidingen op het examen sportmasssage.

Deze druk is geactualiseerd volgens de nieuwe NGS-richtlijnen. Daarnaast zijn aanbevelingen van deskundigen in deze nieuwe uitgave verwerkt. Het resultaat is een nog completer boek dat onmisbaar is voor alle belanghebbenden op het gebied van sportmassage.

Het boek is overzichtelijk opgebouwd uit drie delen:

  • theorie en praktijk van de massagehandgrepen;
  • functietests van alle gewrichten en spieren;
  • sportblessures, EHBO en blessurepreventie.

Beide auteurs hebben jarenlange ervaring in het opleiden van sportmasseurs. Deze kennis in het boek verwerkt en daardoor is het zeer geschikt voor de opleiding tot sportmasseur. Ook aan praktiserende sportmasseurs, (sport)fysiotherapeuten en anderen die zich met massage en verzorging bezighouden, biedt dit boek een helder overzicht. 

Inhoudsopgave

Voorwerk

Sportmassage

Voorwerk

1. Geschiedenis van de massage

Woordverklaring. Het woord massage is afkomstig uit de Franse school en geïntroduceerd door Lepage in 1813. Waarschijnlijk is de term afkomstig uit het Midden-Oosten (met name Egypte) en afgeleid van het Arabische woord mass (drukken) aangevuld met de Franse uitgang ‘age’. Ook kan het komen van het Griekse ‘massein’, hetgeen kneden betekent, of van het Hebreeuwse maschesch (betasten).
M. van Aarst, W. Schermerhorn

2. Inleiding in de sportmassage

De sportmassage heeft zich ontwikkeld uit de heilmassage. Onderzoekingen van Zabludowski ten aanzien van massage bij sportmensen hebben aan de ontwikkeling van de sportmassage bijgedragen. In de jaren twintig organiseerde het Nederlands Genootschap voor Heilgymnastiek en Massage een opleiding sportmassage. Voor die tijd kon iedereen een opleiding organiseren. Deze situatie duurde tot 1954, toen het Nederlands Genootschap voor Sportmassage werd opgericht door A.H. Drese en anderen. Behalve bij het NGS worden ook sportmasseurs opgeleid bij het Centraal Instituut voor Opleiding van Sportleiders (CIOS). Deze opleiding is echter gekoppeld aan die van sportleider.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

3. Massagehandgrepen

In dit hoofdstuk zullen de massagehandgrepen theoretisch beschreven worden, waarbij de volgende aspecten steeds naar voren zullen komen: technische beschrijving; doel; te bereiken weefsel; verschillende vormen.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

4. Massage van de rug

Buikligging, de armen langs het lichaam, met handpalmen naar boven en de handen onder de heupen. Voeten op de voetenrol, opgerolde handdoek onder de benen net boven de knieschijven. Zo nodig een klein kussentje of handdoek onder de buik.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

5. Massage van de voorzijde van het bovenbeen

Langzit, met de rug tegen de schuine klep van de massagetafel of tegen de muur. Een opgerolde handdoek onder de knie en tevens onder de enkel. Het andere been is afgedekt. Ook wordt het ondergoed afgedekt met een handdoek. De spieren die in deze uitgangshouding met name gemasseerd kunnen worden zijn de strekspier (m. quadriceps), de aanvoerdersspieren (adductoren) en de afvoerdersspier (m. tensor fascia latae).
M. van Aarst, W. Schermerhorn

6. Massage van de voorzijde van het onderbeen

Idem als de uitgangshouding voor de massage van de voorzijde van het bovenbeen. De spieren die in deze uitgangshouding met name gemasseerd kunnen worden zijn de voorste scheenbeenspier (m. tibialis anterior) en de diepe strekspieren (mm. extensores).
M. van Aarst, W. Schermerhorn

7. Massage van de voet

Zoals beschreven bij de massage van de voorzijde van het onderbeen. De massage van de voet wordt meestal gecombineerd met de voorzijde van het onderbeen. Bij de massage van de kuit wordt de voet over het algemeen dus niet gemasseerd.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

8. Massage van de achterzijde van het bovenbeen

Buiklig, voeten op een voetenrol, opgerolde handdoek onder het bovenbeen net iets boven de knieschijf en zo nodig een plat kussentje onder de buik bij een persoon met een holle rug. Zorg voor afdekking van het niet te masseren been. De bilstreek wordt ook bij de achterzijde van het been gemasseerd, dus deze moet ook geheel onbedekt zijn.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

9. Massage van de achterzijde van het onderbeen

Idem als voor de massage van de achterzijde van het bovenbeen. Dek nu het bovenbeen af met een handdoek.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

10. Massage van de arm

De massage van de arm bestaat uit twee onderdelen. Men begint met de massage van de bovenarm en deze wordt gevolgd door de massage van de onderarm en hand.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

11. Massage van de onderarm en hand

Dezelfde als voor de massage van de bovenarm, met dien verstande dat de (sport)masseur nu aan de voorzijde van de cliënt staat.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

12. Massage van de schoudergordel en nek

De massage van de schoudergordel en nek bestaat globaal uit twee onderdelen. Eerst worden alle massagehandgrepen toegepast op de dorsale zijde (schoudergordel en nek) en vervolgens worden alle massagehandgrepen toegepast op de ventrale zijde (met name de m. pectoralis major).
M. van Aarst, W. Schermerhorn

Functietests

Voorwerk

13. Inleiding

Het tweede deel van dit boek zal gaan over het verzamelen van informatie omtrent het functioneren van het bewegingsapparaat van de sporter. Deze informatie wordt verkregen door anamnese (het stellen van vragen), inspectie (observeren) en het functieonderzoek van de verschillende spieren en gewrichten. Dit deel zal met name praktische handelingen beschrijven, waarbij de tekst en de foto’s elkaar zullen aanvullen. Het is misschien overbodig om hierbij te zeggen dat een goede theoretische kennis de basis vormt van het verantwoord praktisch handelen.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

14. Anamnese

Een anamnese, het stellen van vragen, neem je bij een sporter af om aan informatie te komen omtrent zijn of haar lichamelijk en geestelijk functioneren. Daarnaast probeer je tijdens een anamnese achter de zorgvraag te komen en stel je voor jezelf een differentiaaldiagnose op. Met een differentiaaldiagnose wordt het aantal verschillende blessures bedoeld waaraan een sporter mogelijk zou kunnen lijden.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

15. Inspectie

Na de anamnese ga je over op de inspectie (waarneming/observatie) van het lichaam. Je kijkt naar het lichaam of lichaamsdelen en neemt waar wat je opvalt. Belangrijk hierbij zijn onder andere asymmetrieën (links/rechtsverschil), zwellingen, roodheid, littekens, vorm- en standsveranderingen. Deze afwijkingen kunnen te maken hebben met de blessure waar de sporter op dat moment last van heeft.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

16. Functietests in het algemeen

Door informatie te vergaren uit de anamnese en de inspectie kun je overgaan tot een gericht functieonderzoek. Met een functieonderzoek probeer je middels bepaalde onderzoekstechnieken achter het functioneren van het lichaam te komen
M. van Aarst, W. Schermerhorn

17. Functieonderzoek van de wervelkolom

Bij de wervelkolom kijken we als verzorger met name naar het actieve functieonderzoek. De bewegingen die de sporter moet maken zijn: flexie (foto 1), extensie (foto 2), lateroflexie links (foto 3), lateroflexie rechts, rotatie links (foto 4) en rotatie rechts. Hierbij let men op: pijn, bewegingsuitslag, bewegingsverloop, links/ rechtsverschil, curvatuur van de wervelkolom en eventueel optredende compensaties.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

18. Functietests onderste extremiteit

De volgende gewrichten worden hierbij getest:
  • de heup;
  • de knie;
  • de enkel.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

19. Functietests bovenste extremiteit

De volgende gewrichten worden hierbij getest:
  • de schouder;
  • de elleboog;
  • de pols;
  • de vingers;
  • de duim.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

Sportverzorging

Voorwerk

20. Inleiding

Het derde deel van dit boek zal gaan over sportblessures en de behandeling ervan. De verschillende sportletsels worden beschreven, gevolgd door de eerste hulp bij sportongevallen en de verzorging van de sporter.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

21. Weke-delentraumata

Onder weke-delentraumata verstaan wij letsels waarbij weke (zachte) delen van het bewegingsapparaat betrokken zijn. Hieronder vallen onder andere spieren, pezen, slijmbeurzen enzovoort.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

22. Gewrichtstraumata

Met een distorsie wordt een verdraaiing, verzwikking of een verstuiking van het gewricht bedoeld. Het is het meest voorkomende gewrichtstrauma, waarbij de normale (gebruikelijke) bewegingsuitslag van een gewricht overschreden wordt.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

23. Bottraumata

De meest voorkomende bottraumata zijn de fracturen ofwel botbreuken. In het algemeen bestaan er drie soorten fracturen, te weten:
1.
open fractuur, de huid is kapot en men ziet een open wond;
 
2.
gesloten fractuur (ongecompliceerd), de huid is nog intact;
 
3.
gecompliceerde fractuur, de botuiteinden steken door de huid naar buiten toe.
 
M. van Aarst, W. Schermerhorn

24. Specifieke aandoeningen

In dit hoofdstuk wordt een aantal specifieke aandoeningen besproken die regelmatig voorkomen. Ze worden apart vermeld omdat ze een specifiek karakter hebben en niet onder spier- of gewrichtstraumata vallen. Bij elke aandoening zullen, indien mogelijk, de oorzaken, symptomen en de te ondernemen actie (therapie) besproken worden.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

25. Verbanden, bandages en tapes

In dit gedeelte gaan wij aan de hand van verschillende aandoeningen, de volgende verbanden, bandages en tapes bespreken:
  • drukverbanden;
  • wondverbanden;
  • doekverbanden;
  • bandages en tapes.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

26. Eerste hulp bij (sport)ongevallen, EHB(S)O

Met stoornissen van de algehele toestand worden stoornissen van het lichaam bedoeld, die in de meeste gevallen levensbedreigend kunnen zijn. Alvorens er overgegaan wordt tot de beschrijving van de verschillende vormen van stoornissen, wordt eerst de BAC-regel besproken. Alvorens er overgegaan wordt tot de beschrijving van de BAC-regel is het volgende zeer belangrijk.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

27. Bloedingen

Men kan bij bloedingen een indeling maken in in- en uitwendige bloedingen. Daarnaast kunnen deze in- en uitwendige bloedingen nog eens onderverdeeld worden in arteriële (slagaderlijke), veneuze (aderlijke) en capillaire (haarvaten) bloedingen.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

28. Vervoer bij ongevallen

Bij een ongeval is de veiligheid van het slachtoffer en de hulpverlener erg belangrijk. Als de veiligheid van één van beide of beiden in gevaar komt, moet het slachtoffer indien mogelijk vervoerd worden naar een veilige plek. Dit vervoer kan op verschillende manieren, te weten:
  • vervoer door één persoon;
  • vervoer door twee personen.
M. van Aarst, W. Schermerhorn

Nawerk

Meer informatie