Radicale cystectomie (RC) wordt beschouwd als de standaardbehandeling voor niet-gemetastaseerde spierinvasieve blaaskanker (MIBC), ondanks het ontbreken van bewijs uit gerandomiseerde studies dat deze behandeling superieur is aan blaassparende therapie (BST). In deze landelijke studie zijn alle patiënten geïncludeerd die tussen 2017 en 2019 met niet-gemetastaseerde MIBC gediagnosticeerd zijn, behandeld met curatieve intentie, hetzij via RC (n = 1.101), hetzij via BST (n = 331). Het primaire eindpunt was ziektevrije overleving (DFS); het secundaire eindpunt was algehele overleving (OS). De voor baseline verschillen gecorrigeerde DFS na twee jaar was 61,5 % voor BST en 55,3 % voor RC (HR 0,84; 95 %-BI 0,69–1,05). De OS na twee jaar was 74,0 % bij BST versus 66,0 % bij RC (HR 0,80; 95 %-BI 0,64–0,98). BST en RC bieden een vergelijkbare DFS, waarbij de OS gunstiger lijkt voor BST.
De aanbevolen behandeling voor niet-gemetastaseerde spierinvasieve blaaskanker (muscle invasive bladder cancer; MIBC) is cisplatinum-gebaseerde neoadjuvante chemotherapie, gevolgd door radicale cystectomie (RC) met bilaterale pelviene lymfadenectomie, conform de richtlijnen van de European Association of Urology en de American Urological Association [1, 2]. RC is echter een omvangrijke ingreep, geassocieerd met een hoge morbiditeit en een negatieve invloed op de kwaliteit van leven [3, 4].
Orgaansparende behandelingen, zoals chemoradiatie (CRT) en brachytherapie (BT), zijn in andere tumorgroepen inmiddels een standaard behandelingsoptie, bijvoorbeeld bij hoofd-halstumoren, longtumoren, baarmoederhalskanker en natuurlijk prostaatkanker [5‐8]. Bij MIBC worden orgaansparende behandelingen vooral toegepast bij patiënten die niet geopereerd kunnen worden of bewust voor blaasbehoud kiezen [2].
Kleine, niet-gerandomiseerde studies suggereren dat de ziektevrije overleving na blaassparende therapie (BST) vergelijkbaar is met die na RC [9‐15]. Gerandomiseerd bewijs voor non-inferioriteit ontbreekt echter. De enige gerandomiseerde trial die dit trachtte te onderzoeken, de Britse SPARE-studie, werd voortijdig gestaakt wegens slechte inclusie en non-compliance [16]. Nieuwe trials lijken weinig kansrijk, gezien de terughoudendheid van patiënten om gerandomiseerd te worden tussen BST en RC.
Daarom hebben wij een landelijke observationele studie uitgevoerd om de uitkomsten van beide behandelstrategieën te vergelijken, waarbij we gecorrigeerd hebben voor baseline verschillen tussen de twee behandelgroepen. We hebben een non-inferioriteitsanalyse gedaan naar de tweejaars ziektevrije overleving na BST en na RC.
Methoden
Patiënten en dataverzameling
De Nederlandse Kankerregistratie (NKR) registreert basisgegevens van alle patiënten bij wie een maligniteit wordt gediagnosticeerd. Voor patiënten met blaaskanker gediagnosticeerd tussen november 2017 en november 2019 werd aanvullende klinische informatie verzameld binnen het BlaZIB-project [17]. De CRAC-studie (Comparison of Radical Cystectomy and Bladder sparing treatment in MIBC) is een subcohort van BlaZIB en omvat alle patiënten met niet-gemetastaseerd MIBC die een curatief behandeladvies kregen en behandeld werden met radicale cystectomie (RC) of blaassparende therapie (BST). BST bestond uit chemoradiatie (CRT) of externe radiotherapie gevolgd door brachytherapie (BT). Patiënten die alleen met uitwendige radiotherapie behandeld werden, werden geëxcludeerd. Behandelopties voor alle patiënten werden besproken in een multidisciplinair overleg.
Neoadjuvante chemotherapie (NAC) was toegestaan; patiënten met neoadjuvante radiotherapie, recidief MIBC, gelijktijdige maligniteit (< 3 jaar levensverwachting) of niet-urotheelcarcinoom werden geëxcludeerd.
Variabelen en eindpunten
De volgende gegevens werden verzameld: patiëntkenmerken (leeftijd, geslacht, Eastern Cooperative Oncology Group (ECOG)-functionele status, Charlson Comorbidity Index (CCI), sociaaleconomische status (SES) op basis van postcodes), tumorkenmerken (klinisch T‑stadium, tumorgrootte, hydronefrose (afwezig, unilateraal of bilateraal), carcinoma in situ (afwezig, focaal of uitgebreid, multifocaliteit)) en behandelkenmerken (radicaliteit van transurethrale resectie (TUR), type behandeling (RC, CRT of BT), operatieduur, aantal verwijderde lymfeklieren, chemotherapie, radiotherapiedosis) en type ziekenhuis (academisch/specialistisch of perifeer).
Het primaire eindpunt was ziektevrije overleving (DFS), gedefinieerd als de tijd vanaf de start van de behandeling (RC of eerste dag BST) tot spierinvasief recidief, afstandsmetastase of overlijden. Patiënten die nog in leven waren zonder event, werden gecensureerd op de laatste controledatum. Het secundaire eindpunt was algehele overleving (OS). Recidief werd gedefinieerd als persisterende of recidiverende spierinvasieve ziekte, al dan niet met regionale lymfekliermetastasen. Niet-regionale lymfekliermetastasen of orgaanmetastasen werden geclassificeerd als afstandsmetastasen.
Statistische analyse
De steekproefomvang werd vooraf berekend op basis van non-inferioriteit in DFS (verwacht: 70 % RC vs. 50 % BST; marge: 10 %). Er waren minimaal 250 BST- en 750 RC-patiënten nodig (power 81,5 %, α = 0,05).
Baseline verschillen werden gecorrigeerd met inverse probability treatment weighting (IPTW), gebaseerd op de propensity-score uit een logistisch regressiemodel. Variabelen in het model waren leeftijd, geslacht, CCI, ECOG, SES, T‑stadium, tumorgrootte, CIS, hydronefrose, radicaliteit van TUR, NAC en type diagnosticerend ziekenhuis. De covariatenbalans werd beoordeeld via gestandaardiseerde verschillen (< 0,1 = optimaal) [18].
In een vooraf vastgestelde subgroepanalyse werden BT-patiënten geëxcludeerd wegens gunstiger prognostische kenmerken [19]. Brachytherapie wordt alleen geadviseerd bij patiënten met solitaire, gunstig gelegen kleine T2- en T3-tumoren. Daarnaast werd een sensitiviteitsanalyse uitgevoerd waarbij patiënten uitgesloten werden die binnen dertig dagen na de start van de behandeling overleden.
Alle analyses zijn uitgevoerd met SAS, versie 9.4.
Resultaten
Binnen het BlaZIB-cohort werden 2.563 patiënten met niet-gemetastaseerd MIBC geïdentificeerd, van wie er 1.432 voldeden aan de inclusiecriteria van de CRAC-studie. Figuur 1 toont de patiëntinclusie in een CONSORT-stroomschema. In totaal ondergingen 1.101 patiënten een RC en 331 patiënten BST, van wie er 43 met brachytherapie behandeld werden. Voor de patiënten in de CRT-groep werden verschillende radiotherapie- en chemotherapieschema’s gebruikt. Mitomycine C met capecitabine was de meest gebruikte radiosensitizer. Bij de meerderheid van instituten werd alleen de blaas bestraald, 19 % van de patiënten kreeg een blaasmarkering ten behoeve van de bestraling. Vier RC-patiënten kregen adjuvante radiotherapie. De patiënt-, tumor- en behandelkenmerken zijn weergegeven in tab. 1, 2 en 3, waarbij tab. 1 de patiënt- en tumorkenmerken toont, tab. 2 de tumorkenmerken en tab. 3 de behandelkenmerken.
Figuur 1
Het CONSORT-stroomdiagram, dat de patiëntselectie van het BlaZIB-cohort toont
Patiënt- en behandelingskenmerken van 1.432 patiënten met niet-gemetastaseerd spierinvasieve blaaskanker behandeld met radicale cystectomie versus blaassparende behandeling voor en na inverse probability treatment-weging. Deze tabel bevat de patiënt- en tumorkenmerken.
ongewogen
IPTW/gewogen
totaal
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
n
%
n
%
n
%
n
%
n
%
aantal patiënten
1.432
100,0
1.101
76,9
331
23,1
1.104
77,6
319
22,4
mediane leeftijd (IQR)
71 (64–76)
70 (64–75)
73 (66–78)
−0,3153
70 (64–76)
71 (64–77)
−0,0259
leeftijd (bij diagnose) categorie
0,3153
0,0331
< 60 jaar
202
14,1
166
15,1
36
10,9
155
14,0
43
13,5
60–69 jaar
426
29,7
338
30,7
88
26,6
331
30,0
94
29,6
70–79 jaar
649
45,3
508
46,1
141
42,6
500
45,3
139
43,7
≥ 80 jaar
155
10,8
89
8,1
66
19,9
118
10,7
42
13,2
mannelijk geslacht
1.056
73,7
805
73,1
251
75,8
−0,0623
810
73,4
231
72,4
0,0229
functionele statusscore
0,4808
0,0935
ECOG 0
620
43,3
463
42,1
157
47,4
473
42,9
150
46,9
ECOG 1
300
20,9
205
18,6
95
28,7
227
20,6
61
19,0
ECOG 2–3
40
2,8
20
1,8
20
6,0
40
3,6
11
3,4
onbekend
472
33,0
413
37,5
59
17,8
365
33,0
98
30,8
CCI-score
0,1502
0,0491
0
629
43,9
497
45,1
132
39,9
486
44,0
133
41,7
1
383
26,7
294
26,7
89
26,9
291
26,3
91
28,5
2 of meer
322
22,5
231
21,0
91
27,5
251
22,7
72
22,6
onbekend
98
6,8
79
7,2
19
5,7
77
7,0
23
7,3
SES
0,1470
0,0798
laag
370
25,8
292
26,5
78
23,6
282
25,5
74
23,3
midden
562
39,2
443
40,2
119
36,0
430
39,0
124
38,8
hoog
449
31,4
331
30,1
118
35,6
352
31,9
111
34,8
onbekend
51
3,6
35
3,2
16
4,8
40
3,6
10
3,2
cT
0,1093
0,0467
2
1.004
70,1
764
69,4
240
72,5
778
70,5
217
68,0
3
350
24,4
275
25,0
75
22,7
269
24,4
84
26,3
4
78
5,4
62
5,6
16
4,8
57
5,2
19
5,8
tumorafmeting
0,1093
0,0416
< 3 cm
284
19,8
188
17,1
96
29,0
217
19,6
66
20,7
> 3 cm
227
15,9
186
16,9
41
12,4
178
16,1
53
16,6
onbekend
921
64,3
727
66,0
194
58,6
710
64,3
200
62,8
De categorie onbekend is cursief
IPTW inverse probability treatment-weging, RC radicale cystectomie, BST blaassparende therapie, IQR interquartile range, ECOG Eastern Cooperative Oncology Group, CCI Charlson Comorbidity Index, SES socioeconomische status, cT clinical tumor stadium
Tabel 2
Patiënt- en behandelingskenmerken voor en na inverse probability treatment weging. Deze tabel bevat de tumor- en behandelkenmerken.
totaal
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
n
%
n
%
n
%
n
%
n
%
aantal patiënten
1.432
100,0
1.101
77,3
331
23,1
1.104
77,6
319
100,0
CIS
0,3051
0,0254
afwezig
1.052
73,5
779
70,8
273
82,5
814
73,7
240
75,2
aanwezig
285
19,9
248
22,5
37
11,2
218
19,8
60
18,8
onbekend
95
6,6
74
6,7
21
6,3
72
6,5
19
6,1
hydronefrose
0,4727
0,0309
afwezig
922
64,4
673
61,1
249
75,2
705
63,9
206
64,6
aanwezig
338
23,6
304
27,6
34
10,3
259
23,5
75
23,5
onbekend
172
12,0
124
11,3
48
14,5
140
12,7
38
12,0
multifocale tumor
0,0678
0,0491
afwezig
953
66,6
728
66,1
225
68,0
735
66,5
219
68,8
aanwezig
331
23,1
256
23,3
75
22,7
250
22,6
66
20,6
onbekend
148
10,3
117
10,6
31
9,4
120
10,9
34
10,7
TUR-resectie
0,4183
0,0836
macroscopisch radicaal
306
21,4
195
17,7
111
33,5
242
21,9
77
24,2
macroscopisch irradicaal
587
41,0
490
44,5
97
29,3
446
40,4
114
35,6
onduidelijk/onbekend
539
37,6
416
37,8
123
37,2
416
37,7
128
40,2
diagnosticerend ziekenhuistype
−0,3361
0,0011
academisch/tertiair
385
26,9
257
23,3
128
38,7
298
26,9
86
26,9
perifeer
1.047
73,1
844
76,7
203
61,3
807
73,1
233
73,2
De categorie onbekend is cursief
IPTW inverse probability treatment weging, RC radicale cystectomie, BST blaassparende therapie, CIS carcinoma in situ, TUR transurethrale resectie
Tabel 3
Patiënt- en behandelingskenmerken voor en na inverse probability treatment-weging. Deze tabel bevat de behandelkenmerken.
totaal
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
RC
BST
gestandaardiseerd verschil
n
%
n
%
n
%
n
%
n
%
aantal patiënten
1.432
100,0
1.101
77,3
331
23,1
1.104
77,6
319
100,0
behandeling
neoadjuvante chemotherapie
359
25,1
323
29,3
36
10,9
0,4733
277
25,1
81
25,4
−0,0039
RT-schema
1,3594
1,3654
BED a/ß10 = 70,1 (20/55)
–
–
49
14,8
–
–
39
12,4
BED a/ß10 = 74,4 (25/60)
–
–
84
25,4
–
–
90
28,2
BED a/ß10 = 76,8 (32/64)
–
–
31
9,4
–
–
34
10,6
BED a/ß10 = 79,2 (33/66)
–
–
89
26,9
–
–
76
23,9
20 fracties met brachy boost
–
–
43
13,0
–
–
38
12,0
ander schema
–
–
35
10,6
–
–
42
13,0
CRT chemotherapie type
14,0712
9,9885
capecitabine/mitomycine
–
–
129
39,0
–
–
135
42,4
5FU/mitomycin C
–
–
116
35,0
–
–
105
32,8
capecitabine
–
–
19
5,7
–
–
21
6,5
ander type
–
–
25
7,6
–
–
21
6,6
enkel EBRT + brachytherapie
–
–
42
12,7
–
–
37
11,6
RT-schema en CRT-chemotherapie type zijn alleen beschikbaar voor de blaassparende groep en daarom bevatten de cellen bij de RC-groep een liggend streepje
De mediane leeftijd was 71 jaar (IQR 64–76) en 74 % was man. De meeste patiënten hadden een cT2-tumor; 20 % had gelijktijdig CIS.
In de RC-groep werden mediaan vijftien lymfeklieren verwijderd (IQR 10–21), waarbij bij 261 patiënten (24 %) metastasen werden gevonden. In de ongewogen populatie hadden RC-patiënten vaker tumoren > 3 cm en hydronefrose, terwijl BST-patiënten vaker tachtig jaar of ouder waren en vaker een slechtere functionele status hadden. Na IPTW waren de groepen goed in balans (gestandaardiseerd verschil < 0,10).
De mediane klinische follow-up bedroeg 27 maanden (spreiding 1–47). Voor de OS was de follow-up 39 maanden (spreiding 27–51).
Ziektevrije overleving
Na twee jaar waren er 126 DFS-events in de BST-groep en 450 in de RC-groep. Dit verschil was niet significant (HR 0,88; 95 %-BI 0,73–1,05).
Figuur 2 toont de DFS per behandelgroep met 95 %-BI in de IPTW-populatie. Ook hier was het verschil niet significant (gecorrigeerd HR 0,84; 95 %-BI 0,69–1,05). De tweejaars-DFS was 61,5 % (95 %-BI 53,5–69,6 %) bij BST en 55,3 % (95 %-BI 51,6–59,1 %) bij RC. Daarmee werd voldaan aan de non-inferioriteitslimiet van 10 %. Deze resultaten waren consistent met de restricted mean survival time (RMST)-analyse (zie appendix tabel 1 in de digitaal aanvullende content).
Figuur 2
Ziektevrije overleving van de gewogen populatie van patiënten met niet-gemetastaseerde spierinvasieve blaaskanker behandeld met radicale cystectomie versus blaassparende therapie, inclusief 95 %-BI en aantal at risk
In de BST-groep overleden 90 patiënten binnen twee jaar versus 379 in de RC-groep. In de ongecorrigeerde analyse was dit verschil niet significant (HR 0,86; 95 %-BI 0,70–1,05).
Figuur 3 toont de IPTW-analyse-uitkomsten: de OS was hier significant beter in de BST-groep dan in de RC-groep (gecorrigeerd HR 0,80; 95 %-BI 0,64–0,98). De IPTW-tweejaars-OS was 74,0 % (95 %-BI 67,0–80,9 %) voor BST versus 66,0 % (95 %-BI 62,7–68,8 %) voor RC. Deze bevindingen werden bevestigd in de RMST-analyse (appendix tabel 2 in de digitaal aanvullende content).
Figuur 3
Algehele overleving van de gewogen populatie van patiënten met niet-gemetastaseerde spierinvasieve blaaskanker behandeld met radicale cystectomie versus blaassparende therapie, inclusief 95 %-BI en aantal at risk
Bij 21 patiënten (6,4 %) in de BST-groep werd een niet-spierinvasief recidief vastgesteld. De cumulatieve incidentie van recidieven na 24 maanden was 17 % in de RC-groep versus 26 % in de BST-groep (p = 0,0003).
Bij 22 patiënten (6,6 %) werd een salvage-cystectomie uitgevoerd: negentien na CRT en drie na BT. Indicaties waren: residuele tumor na CRT (n = 10), recidief MIBC (n = 8), niet-spierinvasieve recidief (n = 3) en één als onderdeel van een rectumcarcinoombehandeling. De mediane tijd tot salvage-cystectomie was 15,2 maanden.
De cumulatieve incidentie van afstandsmetastasen na 24 maanden was 27 % in de RC-groep versus 20 % in de BST-groep (p = 0,0111).
Sensitiviteitsanalyses
Ook na uitsluiting van patiënten die binnen dertig dagen na de start van de behandeling overleden (n = 19), was er geen verschil in DFS en OS tussen RC en BST. In de subgroepanalyses waarbij BT patiënten werden uitgesloten, werden geen significante verschillen gevonden in tweejaars-DFS (gecorrigeerd HR 0,87; 95 %-BI 0,71–1,06) en OS (gecorrigeerd HR 0,83; 95 %-BI 0,67–1,03).
Discussie
In deze landelijke cohortstudie vergeleken we de DFS tussen patiënten met niet-gemetastaseerd MIBC na behandeling met RC of BST. Om te corrigeren voor baselineverschillen tussen beide behandelgroepen is gebruikgemaakt van propensity score gewogen analyses, een robuuste methode als alternatief voor gerandomiseerde studies [20]. Er was geen statistisch significant verschil in de ongecorrigeerde, noch in de gecorrigeerde tweejaars-DFS en er werd daarmee voldaan aan de non-inferioriteitslimiet van 10 %. De gecorrigeerde OS was wél significant beter in de BST-groep dan in de RC-groep.
Deze bevindingen sluiten deels aan bij een recente meta-analyse van Matsukawa et al., waarin oncologische uitkomsten na RC en TMT vergeleken werden [21]. Alleen cohortstudies waarin gematcht was, werden in deze studie geïncludeerd. In de gepoolde analyse werd geen verschil gevonden in kankerspecifieke overleving (HR 1,05; 95 %-BI 0,69–1,58), noch in de OS (HR 1,05; 95 %-BI 0,78–1,40). De studie van Zlotta et al. liet een vergelijkbaar resultaat zien als onze studie [22]; er was geen significant verschil in DFS tussen de behandelgroepen, maar wel in OS. Ten opzichte van ons cohort had het Zlotta-cohort hogere absolute cijfers voor zowel DFS als OS. Mogelijk zijn die toe te schrijven aan de meer restrictieve inclusie en de academische setting van het Zlotta-cohort. Ook onderdeel van de meta-analyse was de studie van Softness et al. [23]. Hierin werd de SPARE-trial nagebootst met behulp van een propensity score-analyse; de OS van patiënten behandeld met neoadjuvante chemotherapie (NAC) gevolgd door RC werd vergeleken die van patiënten behandeld met NAC gevolgd door trimodale therapie (TMT). De onderzoekers vonden in beide groepen een tweejaars-OS van ongeveer 70 %, vergelijkbaar met de door ons gevonden tweejaars-OS van 66 % en 74 % in respectievelijk de RC- en BST-groep. Seisen et al. rapporteerden een initieel vergelijkbare tweejaars-OS tot 25 maanden, waarna de overleving in de TMT-groep sterk afnam [14]. Ze opperden dat dit verschil mogelijk het gevolg was van een initieel hogere postoperatieve sterfte in de RC-groep. Wij vonden in onze sensitiviteitsanalyse echter geen invloed van postoperatieve mortaliteit. Bovendien, indien een dergelijk vergelijkbaar tijdseffect in onze populatie aanwezig was geweest, zouden wij hiervan aanwijzingen hebben verwacht binnen onze mediane follow-up van 39 maanden. Een mogelijke verklaring voor de geobserveerd gunstigere OS in onze BST-groep is een door radiotherapie geïnduceerde immunologische reactie [24, 25]. Daarnaast is het niet uitgesloten dat de mortaliteit in de RC-groep door residuele confounding hoger ligt dan in de BST-groep.
De tweejaars-DFS in onze BST-groep komt overeen met de resultaten van eerdere studies [26]. Voor RC zijn iets betere DFS-cijfers gerapporteerd, mogelijk door verschillen in de patiëntselectie, zoals het uitsluiten van patiënten met positieve snijvlakken [27]. In onze RC-populatie had 9 % positieve snijvlakken, wat het risico op een recidief verhoogt [28].
In onze BST-populatie onderging 7 % van de patiënten een salvage-cystectomie, wat aansluit bij eerdere rapportages. Patiënten behandeld met CRT in de RCT van James et al. hadden een tweejaarsrisico op cystectomie van 11,4 % [26]. Kool et al. rapporteerden een salvage-cystectomierisico van 8,8 % in een Canadese multi-institutionele cohortstudie [11].
Door het ontbreken van een uniform onderscheid tussen een regionaal recidief versus afstandsmetastasen, variëren gerapporteerde recidiefrisico’s sterk. Bij RC varieert het vijfjaarsrisico op een ziekterecidief tussen 29–50 % [29, 30], bij BST tussen 20–40 % [31]. In de meta-analyse van Matsukawa et al. rapporteerden zestien studies het percentage patiënten die afstandsmetastasen ontwikkelden; dat varieerde tussen de 4–29 %, zonder een verschil tussen de behandelgroepen [21]. In ons cohort traden afstandsmetastasen significant vaker op na RC dan na BST (25 % versus 18 %; p = 0,0079). Een mogelijke verklaring is onderdiagnostiek bij BST-patiënten door minder intensieve follow-up, vooral bij oudere patiënten.
Sterke punten van deze studie zijn de landelijke dekking, uitgebreide klinische data en betrouwbare overlevingsdata via koppeling met de Basisregistratie Personen (BRP) (voorheen de gemeentelijke basisadministratie). IPTW is een bewezen methode om confounding door indicatie te beperken [20], al blijft de invloed van ongemeten confounders mogelijk. Het ontbreken van een gestandaardiseerde follow-up kan de detectie van recidieven beïnvloed hebben. Omdat het een observationele studie betreft, werden geen gestandaardiseerde follow-upprotocollen gevolgd.
Conclusie
In deze Nederlandse nationale studie vonden wij een vergelijkbare DFS bij patiënten met niet-gemetastaseerd MIBC twee jaar na RC en BST. De OS leek gunstiger na BST. Beide behandelopties zouden standaard aangeboden moeten worden aan geschikte patiënten, binnen het kader van ‘samen beslissen’. Bij de keuze van behandeling dienen de kwaliteit van leven, toxiciteit en kosteneffectiviteit meegewogen te worden.
Open Access This article is licensed under a Cre1ative Commons Attribution 4.0 International License, which permits use, sharing, adaptation, distribution and reproduction in any medium or format, as long as you give appropriate credit to the original author(s) and the source, provide a link to the Creative Commons licence, and indicate if changes were made. The images or other third party material in this article are included in the article’s Creative Commons licence, unless indicated otherwise in a credit line to the material. If material is not included in the article’s Creative Commons licence and your intended use is not permitted by statutory regulation or exceeds the permitted use, you will need to obtain permission directly from the copyright holder. To view a copy of this licence, visit http://creativecommons.org/licenses/by/4.0/.
Spierinvasieve blaaskanker in Nederland: oncologische uitkomsten na radicale cystectomie en blaassparende therapie
Auteurs
Dr. Katharina Brück
Dr. Richard P. Meijer
Prof. dr. Joost L. Boormans
Prof. dr. Lambertus A. Kiemeney
Prof. dr. J. Alfred Witjes
Dr. Lisa M. C. van Hoogstraten
Dr. Michiel S. van der Heijden
Dr. A. Rogier Donders
Dr. Martine Franckena
Prof. dr. Carin A. Uyl-de Groot
Dr. Annemarie M. Leliveld-Kors
Dr. Katja K. H. Aben
Dr. Maarten C. C. M. Hulshof
de CRAC-studiegroep en de BlaZIB-studiegroep
Chang SS, Bochner BH, Chou R, et al. Treatment of non-metastatic muscle-invasive bladder cancer: AUA/ASCO/ASTRO/SUO Guideline. J Urol. 2017;198(3):552–9.CrossRefPubMedPubMedCentral
2.
Witjes JA, Bruins HM, Cathomas R, et al. European Association of Urology Guidelines on muscle-invasive and metastatic bladder cancer: summary of the 2020 guidelines. Eur Urol. 2021;79(1):82–104.CrossRefPubMed
3.
Lowrance WT, Rumohr JA, Chang SS, et al. Contemporary open radical cystectomy: analysis of perioperative outcomes. J Urol. 2008;179(4):1313–8.CrossRefPubMed
4.
Shabsigh A, Korets R, Vora KC, et al. Defining early morbidity of radical cystectomy for patients with bladder cancer using a standardized reporting methodology. Eur Urol. 2009;55(1):164–74.CrossRefPubMed
Aluwini S, van Rooij PH, Kirkels WJ, et al. Bladder function preservation with brachytherapy, external beam radiation therapy, and limited surgery in bladder cancer patients: long-term results (corrected). Int J Radiat Oncol Biol Phys. 2014;88(3):611–7.CrossRefPubMed
10.
Arcangeli G, Strigari L, Arcangeli S. Radical cystectomy versus organ-sparing trimodality treatment in muscle-invasive bladder cancer: a systematic review of clinical trials. Crit Rev Oncol Hematol. 2015;95(3):387–96.CrossRefPubMed
11.
Kool R, Marcq G, Breau RH, et al. Radiation-based therapy for muscle-invasive bladder cancer: contemporary outcomes across tertiary centers. Eur Urol Oncol. 2023;6(6):597–603.CrossRefPubMed
12.
Kulkarni GS, Hermanns T, Wei Y, et al. Propensity score analysis of radical cystectomy versus bladder-sparing trimodal therapy in the setting of a multidisciplinary bladder cancer clinic. J Clin Oncol. 2017;35(20):2299–305.CrossRefPubMed
13.
Nieuwenhuijzen JA, Pos F, Moonen LM, et al. Survival after bladder-preservation with brachytherapy versus radical cystectomy; a single institution experience. Eur Urol. 2005;48(2):239–45.CrossRefPubMed
14.
Seisen T, Sun M, Lipsitz SR, et al. Comparative effectiveness of trimodal therapy versus radical cystectomy for localized muscle-invasive urothelial carcinoma of the bladder. Eur Urol. 2017;72(4):483–7.CrossRefPubMed
15.
van der Ploeg S‑B, Witjes M, Witjes JA, et al. Brachytherapy versus cystectomy in solitary bladder cancer: a case control, multicentre, East-Netherlands study. Radiother Oncol. 2009;93(2):352–7.CrossRefPubMed
16.
Huddart RA, Birtle A, Maynard L, et al. Clinical and patient-reported outcomes of SPARE – a randomised feasibility study of selective bladder preservation versus radical cystectomy. BJU Int. 2017;120(5):639–50.CrossRefPubMedPubMedCentral
17.
Ripping TM, Kiemeney LA, van Hoogstraten LMC, et al. Insight into bladder cancer care: study protocol of a large nationwide prospective cohort study (BlaZIB). BMC Cancer. 2020;20(1):455–455.CrossRefPubMedPubMedCentral
18.
Nguyen TL, Collins GS, Spence J, et al. Double-adjustment in propensity score matching analysis: choosing a threshold for considering residual imbalance. BMC Med Res Methodol. 2017;17(1)78.CrossRefPubMedPubMedCentral
19.
Koning CCE, Blank L, Koedooder C, et al. Brachytherapy after external beam radiotherapy and limited surgery preserves bladders for patients with solitary pT1-pT3 bladder tumors. Ann Oncol. 2012;23(11):2948–53.CrossRefPubMed
20.
Rosenbaum PR, Rubin DB. The central role of the propensity score in observational studies for causal effects. Biometrika. 1983;70(1):41–55.CrossRef
21.
Matsukawa A, Yanagisawa T, Miszczyk M, et al. Trimodality therapy versus radical cystectomy for muscle-invasive bladder cancer: a systematic review and meta-analysis of matched cohort studies. Eur Urol Focus. 2025;11(2):374–85.CrossRefPubMed
22.
Zlotta AR, Ballas LK, Niemierko A, et al. Radical cystectomy versus trimodality therapy for muscle-invasive bladder cancer: a multi-institutional propensity score matched and weighted analysis. Lancet Oncol. 2023;24(6):669–81.CrossRefPubMed
23.
Softness K, Kaul S, Fleishman A, et al. Radical cystectomy versus trimodality therapy for muscle-invasive urothelial carcinoma of the bladder. Urol Oncol. 2022;40(6):272.e1–272.e9.CrossRefPubMed
24.
Efstathiou JA, Mouw KW, Gibb EA, et al. Impact of immune and stromal infiltration on outcomes following bladder-sparing trimodality therapy for muscle-invasive bladder cancer. Eur Urol. 2019;76(1):59–68.CrossRefPubMedPubMedCentral
25.
Sharabi AB, Lim M, DeWeese TL, et al. Radiation and checkpoint blockade immunotherapy: radiosensitisation and potential mechanisms of synergy. Lancet Oncol. 2015;16(13):e498–e509.CrossRefPubMed
26.
James ND, Hussain SA, Hall E, et al. Radiotherapy with or without chemotherapy in muscle-invasive bladder cancer. N Engl J Med. 2012;366(16):1477–88.CrossRefPubMed
27.
Sonpavde G, Khan MM, Lerner SP, et al. Disease-free survival at 2 or 3 years correlates with 5‑year overall survival of patients undergoing radical cystectomy for muscle invasive bladder cancer. J Urol. 2011;185(2):456–61.CrossRefPubMed
28.
Sargos P, Baumann BC, Eapen L, et al. Risk factors for loco-regional recurrence after radical cystectomy of muscle-invasive bladder cancer: a systematic-review and framework for adjuvant radiotherapy. Cancer Treat Rev. 2018;70:88–97.CrossRefPubMedPubMedCentral
29.
Hussein AA, Elsayed AS, Aldhaam NA, et al. Ten-year oncologic outcomes following robot-assisted radical cystectomy: results from the international robotic cystectomy consortium. J Urol. 2019;202(5):927–35.CrossRefPubMed
30.
Mari A, Campi R, Tellini R, et al. Patterns and predictors of recurrence after open radical cystectomy for bladder cancer: a comprehensive review of the literature. World J Urol. 2018;36(2):157–70.CrossRefPubMed
31.
Mak RH, Hunt D, Shipley WU, et al. Long-term outcomes in patients with muscle-invasive bladder cancer after selective bladder-preserving combined-modality therapy: a pooled analysis of Radiation Therapy Oncology Group protocols 8802, 8903, 9506, 9706, 9906, and 0233. J Clin Oncol. 2014;32(34):3801–9.CrossRefPubMedPubMedCentral