Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

NIEUWE NORMERING 2018

Doel van de test
Met de SEV wordt aan de hand van gedragsbeoordelingen nagegaan in hoeverre kinderen kernsymptomen van sociaal- emotionele problematiek vertonen. De vier clusters van sociaal- emotionele problematiek die de SEV onderscheidt zijn: aandachtstekort met hyperactiviteit, sociale gedragsproblematiek, angstig en stemmingsgestoord gedrag en autistisch gedrag. Afname is geïndiceerd bij kinderen die druk, agressief, oppositioneel, angstig, depressief of stereotypisch gedrag vertonen of die ernstige communicatieproblemen hebben. Indien kinderen met een sociaal-emotionele problematiek geen goede begeleiding krijgen, lopen zij de kans later ernstige aanpassingsstoornissen te ontwikkelen. Tijdige onderkenning van de problemen is dan ook van groot belang. Afname van de SEV helpt bij het vroegtijdig opsporen van de kinderen met problemen en maakt het mogelijk om op tijd preventieve interventies in te zetten.
Toepassing• Screening: spoort vroegtijdig sociaal- emotioneel probleemgedrag op in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs.• Diagnose: bepaalt de specifieke aard en de ernst van de sociaal-emotionele problemen.• Behandeling: evalueert de voortgang en de effectiviteit van behandelingen.
De SEV staat op de lijst van de commissie Indicatiestelling (WAII) als aanbevolen test voor indicatiestelling voor het speciaal onderwijs en leerlinggebonden financiering.
Wat meet de SEV?De SEV is een instrument waarmee men nagaat in hoeverre kinderen problemen hebben met hun sociaal- emotionele ontwikkeling. De gedragsmatig geformuleerde items dekken de belangrijkste kernsymptomen van de genoemde probleemgebieden, zoals deze zijn beschreven in de DSM. De vormen van sociaal-emotionele problematiek die worden gemeten zijn:
Aandachtstekort met hyperactiviteit (ADHD) • aandachtstekort• hyperactiviteit• impulsiviteit
Sociaal probleemgedrag • oppositioneel-opstandig gedrag (ODD)• agressief gedrag (CD)• antisociaal gedrag (CD)
Angstig en stemmingsgestoord gedrag • angst in het algemeen• sociaal-angstig gedrag• angstig-depressief gedrag
Autistisch gedrag
Voor wie?De SEV wordt ingevuld door beoordelaars die goed op de hoogte zijn van het gedrag van het kind. Vaak zijn dit ouders of leerkrachten. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld maatschappelijk werkers, groepsleiders, psychologen, orthopedagogen en andere professionele hulpverleners die het kind goed kennen het instrument invullen. De uitslag mag alleen geïnterpreteerd worden door psychodiagnostisch bevoegde professionals.
Afname en scoringDe SEV bestaat uit 72 vragen. De afname duurt circa 30 minuten. Het invullen en scoren kan handmatig en digitaal. Digitaal afnemen en scoren gaat met behulp van Testweb.
Belangrijk: u kunt deze test alleen afnemen indien u over de SEV-handleiding beschikt.
NormenDe SEV heeft sinds februari 2018 een nieuwe normering.
Voor de interpretatie worden de volgende normgegevens verstrekt:
Algemene jeugdbevolking, ouders • algemeen (meisjes en jongens 4 t/m 18 jaar)• meisjes 4 t/m 11 jaar• jongens 4 t/m 11 jaar• meisjes 12 t/m 18 jaar• jongens 12 t/m 18 jaarAlgemene jeugdbevolking, leerkrachten • algemeen (meisjes en jongens 4 t/m 18 jaar)• meisjes 4 t/m 11 jaar• jongens 4 t/m 11 jaar• meisjes 12 t/m 18 jaar• jongens 12 t/m 18 jaar
MateriaalSEV-handleidingSEV-scoreformulieren (per 25)

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Achtergrond en doel

Samenvatting
Deze handleiding omvat negen hoofdstukken en enkele bijlagen. In H. 2 worden de belangrijkste sociaal-emotionele problemen van kinderen nader aangeduid en omschreven. In H. 3 wordt kort aangegeven hoe vaak deze belangrijkste vormen in de algemene jeugdbevolking worden aangetroffen en wat het beloop is van de verschillende problematieken. In H. 4 worden in het kort enkele oorzaken en behandelingsmogelijkheden genoemd. In de daaropvolgende drie hoofdstukken komt de testconstructie aan bod. In H. 5 wordt de opzet van het psychometrisch onderzoek geschetst, in H. 6 wordt ingegaan op de betrouwbaarheid van de test en in H. 7 komt de validiteit aan bod. Hoofdstuk 8 geeft de regels die gelden voor afname van de sev. In dit hoofdstuk zijn tevens praktische aanwijzingen voor de testafname te vinden. Daarbij worden normgegevens van de ‘normale’ jeugdpopulatie verstrekt. Deze werden recentelijk van een update voorzien. Dit normeringsonderzoek wordt beschreven in H. 9.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

2. Begripsbepaling

Samenvatting
Het begrip sociaal-emotionele problematiek heeft betrekking op de sociale en emotionele gedragsmoeilijkheden die zich kunnen voordoen in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. De belangrijkste clusters die met de sev in kaart kunnen worden gebracht zijn: aandachtstekort met hyperactiviteit (adhd), sociaal probleemgedrag (odd/cd), angstig en stemmingsverstoord gedrag, alsmede autistisch gedrag (pdd). Kinderen die kampen met aandachtstekort met hyperactiviteit hebben moeite hun aandacht gericht vast te houden. Daarnaast zijn ze overbeweeglijk en ongeremd. Sociaal probleemgedrag kan de vorm aannemen van opstandig, dwars of tegendraads gedrag. Daarnaast heeft het betrekking op gedrag waarbij de fundamentele rechten van anderen, normen of regels worden overtreden. Dat kan agressief gedrag zijn (bijv. vechten of vernielen). Het kan ook antisociaal gedrag betreffen (bijv. liegen of stelen). Angst- en stemmingsverstoord gedrag verwijst naar problemen in het emotionele functioneren van kinderen. Het kan daarbij gaan om angst in het algemeen, sociaal-angstig gedrag en angstig-depressief gedrag. Autistisch gedrag, ten slotte, verwijst naar ernstige gebreken in sociaal-interactief en communicatief gedrag bij kinderen met daarnaast sterk stereotiep gedrag.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

3. Prevalentie en beloop

Samenvatting
Dit hoofdstuk behandelt de prevalentie, de comorbiditeit (overlap) en het beloop van de verschillende sociaal-emotionele problemen die met behulp van de sev in kaart worden gebracht. Naar voren komt dat de prevalentie en comorbiditeit niet exact te bepalen zijn, doordat in epidemiologische onderzoekingen vaak uiteenlopende definities en criteria worden gehanteerd en er veel verschillende meetinstrumenten worden gebruikt om de sociaal-emotionele problematiek te bepalen. De schattingen lopen hierdoor sterk uiteen, waardoor een weinig nauwkeurig beeld ontstaat. Sociaal-emotionele problemen hebben doorgaans een slechte prognose. In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat aandachtstekort met hyperactiviteit en oppositioneel-opstandig gedrag, evenals angstig, depressief en autistisch gedrag, reeds op jonge leeftijd een aanvang nemen en gedurende de gehele levensloop een rol blijven spelen. Daarbij vormt oppositioneel-opstandig gedrag op jonge leeftijd nogal eens een voorbode van agressief en antisociaal probleemgedrag in de adolescentie en tijdens de volwassenheid
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

4. Oorzaken en behandeling

Samenvatting
Het ontstaan van sociaal-emotionele problemen wordt in vrijwel alle gevallen verklaard vanuit een samenspel van biologische (aanleg)factoren en omgevingsinvloeden. Afhankelijk van het type problematiek ligt het accent meer op de omgeving of de biologische aanleg. Bij autistisch gedrag en – in mindere mate – bij aandachtstekort met hyperactiviteit neemt de biologische component een belangrijke plaats in. Deze stoornissen hebben vaak het karakter van een moeilijk te overwinnen handicap. Ook bij oppositioneel-opstandig gedrag, agressief en antisociaal probleemgedrag en angstig en stemmingsverstoord gedrag, wordt verondersteld dat de biologische aanleg een rol speelt. Evidenter is echter aangetoond dat ongunstige opvoedingsomstandigheden een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van deze sociaal-emotionele gedragsproblematieken. Gebleken is dat ouders die zich autoritair gedragen, geen emotionele steun verlenen, weinig responsief reageren en inconsequent opvoeden, veel schade kunnen veroorzaken. Ouders die adequaat en voorspelbaar reageren op de gedragingen en behoeften van hun kinderen, kunnen daarentegen veel bijdragen aan de optimale ontplooiing van hun kinderen. Naast het gezin zijn school en vrienden van invloed op de wijze waarop de kinderen uitgroeien tot volwassenen. Wat de biologische factoren betreft, wordt veelal gewezen op mogelijke lichte hersenbeschadigingen en/of neurologische disfuncties. Het onderzoek op dit gebied heeft echter nog geen concrete biologische oorzaken aangereikt. Omdat traceerbare biologische kenmerken ontbreken, kan de diagnose van sociaal-emotionele problematiek bij kinderen vooralsnog alleen op gedragsniveau plaatsvinden.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

5. Psychometrisch onderzoek

Samenvatting
Om de betrouwbaarheid, validiteit en normering van de door de ouders ingevulde versie van de sev te bepalen, werd de ouders van een aselecte steekproef leerlingen uit het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Aan dit onderzoek namen ouders van 2536 leerlingen deel. Vergelijking van de demografische kenmerken met die van het cbs wijst uit dat deze onderzoeksgroep een representatieve afspiegeling is van de algemene Nederlandse jeugdbevolking. Voor de bepaling van de betrouwbaarheid, validiteit en normering van de door leerkrachten ingevulde sev stond een steekproef van 1243 leerlingen uit het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs ter beschikking. Ook deze onderzoeksgroep vormt een representatieve afspiegeling van de algemene Nederlandse jeugdbevolking.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

6. Betrouwbaarheid

Samenvatting
De Sociaal-Emotionele Vragenlijst (sev) is een gedragsbeoordelingsinstrument om vast te stellen of sprake is van sociaal-emotionele gedragsproblematiek bij kinderen. De gedragsproblemen die in kaart kunnen worden gebracht zijn: aandachttekort met hyperactiviteit en impulsiviteit, oppositioneel-opstandig, agressief en antisociaal gedrag, angst in het algemeen, sociaal-angstig en angstig-depressief gedrag, alsmede autistisch gedrag. Om de aanwezigheid van deze basisvormen van sociaal-emotionele problematiek te bepalen, dienen 72 gedragingen op deze gebieden beoordeeld te worden door personen die het kind goed kennen (bijv. ouders of leerkrachten). In dit hoofdstuk wordt de betrouwbaarheid van de sev-schalen onderzocht in een steekproef van 2536 kinderen uit de algemene Nederlandse jeugdbevolking, op basis van de oordelen van moeders en vaders (ouderversie). Hiernaast werd de betrouwbaarheid onderzocht in een tweede steekproef van 1243 kinderen uit de algemene Nederlandse jeugdbevolking die door hun leerkrachten werden beoordeeld (leerkrachtversie). Het onderzoek van de interne consistentie laat zien dat de vier sev-basisschalen zowel bij de moeders, vaders als leerkrachten voldoende intern betrouwbaar zijn. Dat geldt tevens voor de subschalen waaruit de basisschalen zijn opgebouwd. Het onderzoek van de interbeoordelaarsovereenstemming wijst uit dat de beoordelingen van de moeders en vaders redelijk overeenkomen. Ook onder de leerkrachten treffen we een redelijke overeenstemming in de oordelen aan.Verder laat het test-hertestonderzoek zien dat de door de ouders ingevulde sev-schalen tamelijk stabiele gedragseigenschappen van kinderen meten over een periode van vier tot vijf weken. Dat geldt tevens voor de leerkrachten. De uitslagen van het betrouwbaarheidsonderzoek wijzen uit dat de door de ouders of de leerkrachten ingevulde sev-schalen voldoen aan de eisen die gelden voor meetinstrumenten die diagnostischindicatieve doeleinden dienen.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

7. Validiteitsonderzoek

Samenvatting
De Sociaal-Emotionele Vragenlijst (sev) is een instrument om vast te stellen of sprake is van sociaal-emotionele gedragsproblematiek bij kinderen. De gedragsproblemen die met de sev in kaart kunnen worden gebracht zijn: aandachtstekort met hyperactiviteit, oppositioneel-opstandig, agressief en antisociaal gedrag, angst in het algemeen, sociaal-angstig en angstig-depressief gedrag alsmede autistisch gedrag. Ter ‘screening’ van deze basisvormen van sociaal-emotionele problematiek worden 72 gedragingen op deze gebieden beoordeeld door personen die het kind goed kennen, zoals ouders of leerkrachten. in dit hoofdstuk wordt de validiteit van de sev nader onderzocht, op basis van de oordelen van ouders en leerkrachten. Het onderzoek van de factorstructuur wijst allereerst uit dat de werkelijkheid redelijk goed wordt gerepresenteerd door een model waarbij de vier basisaspecten worden opgevat als aparte gedragsdimensies die onderling comorbide samenhangen. Dit komt overeen met onderzoek waar evidentie werd gevonden voor de comorbiditeit van sociaal-emotionele gedrags- en ontwikkelingsstoornissen. Het onderzoek van de convergente en divergente validiteit wijst uit dat er inzichtelijke verbanden bestaan tussen enerzijds de hoofd- en subschalen van de sev, en anderzijds de schalen van de cbcl en trf die overeenkomstige sociaal-emotionele problematieken meten. Deze verbanden ondersteunen de begripsvaliditeit van de sev-schalen. De predictieve validiteit werd onderzocht met behulp van het externe criterium ‘wel/geen indicatie van een sociaal-emotionele diagnose’. Hier komt naar voren dat de sev het genoemde criterium in redelijke mate kan voorspellen. Concluderend stellen we vast dat de validiteit van de hoofd- en subschalen van de sev in voldoende mate wordt ondersteund. Samen met de bevindingen van het betrouwbaarheidsonderzoek duidt dit erop dat de sev voldoende toegerust lijkt te zijn om de beoogde vormen van sociaal-emotionele problematiek bij kinderen op een psychometrisch solide wijze in kaart te brengen, op basis van de gedragsoordelen van ouders en leerkrachten.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

8. Testafname

Samenvatting
De sev kan worden ingevuld door beoordelaars die goed op de hoogte zijn van het gedrag van het kind. Doorgaans zijn dit de ouders of de leerkrachten. Daarnaast kunnen maatschappelijk werkers, groepsleiders, psychologen, orthopedagogen en andere professionele hulpverleners de test gebruiken. De uitslag mag echter alleen worden geïnterpreteerd door psychodiagnostisch geschoolde personen.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

9. Normeringsonderzoek

Samenvatting
Dit hoofdstuk beschrijft de opzet, uitvoering en resultaten van een recent onderzoek om de normen van de SEV te actualiseren. Dit normeringsonderzoek is gebaseerd op twee steekproeven bestaande uit 1280 ouders respectievelijk 1210 leraren. Vergelijking van centrale demografische kenmerken met die van het CBS wijst uit dat beide steekproeven de algemene jeugdbevolking van 4–18 jarige jeugdigen goed representeren. Het gebruik van de SEV heeft in de afgelopen jaren geen reden gegeven om het instrument te wijzigen. Dit betekent dat de eerder vastgestelde betrouwbaarheid en validiteit van het instrument onverkort van toepassing zijn. Dit wordt bevestigd door de hoge interne consistentie, test-hertest betrouwbaarheid, factoriele structuur en criteriumvaliditeit die in dit onderzoek in de actuele normgroepen met leraar- en ouder/opvoederinformanten is gebleken.
E. M. Scholte, J. D. van der Ploeg

Nawerk

Meer informatie