Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Wanneer disfunctionele denk– en gedragspatronen hardnekkig zijn, liggen er vaak zogeheten "schema"s" aan ten grondslag. Dit zijn belangrijke overtuigingen en gevoelens die het individu aanneemt zonder zich daarover vragen te stellen. Schema"s ontwikkelen zich in de kindertijd en breiden zich daarna uit. Schema"s houden zichzelf in stand en bieden sterke weerstand tegen verandering. Traditionele therapieën blijken dan ook doorgaans te beperkt te zijn om die schema"s omver te werpen.Schemagerichte therapie is een geïntegreerde therapeutische benadering waarin elementen uit cognitieve, gedragstherapeutische en psychodynamische modellen, hechtingsmodellen en gestaltmodellen met elkaar worden gecombineerd. Deze therapie is erop gericht schema"s bij de patiënt te onderkennen en te doorbreken. Het is een effectieve behandeling voor een breed scala van klinische problemen, zelfs bij patiënten die immuun voor behandeling lijken.

Dit boek is het eerste uitgebreide werk voor clinici die schemagerichte therapie in hun praktijk willen toepassen. Het conceptuele model van de therapie wordt op uiterst heldere wijze beschreven. Vervolgens worden er behandelprotocollen gegeven. Het geheel wordt geïllustreerd aan de hand van praktijkvoorbeelden en therapiefragmenten. De auteurs bespreken in deze uitgave niet alleen de behandeling van patiënten met as–I–stoornissen, maar er worden ook recent ontwikkelde protocollen gegeven voor de behandeling van borderline–patiënten en narcistische patiënten.

Met dit boek, geschreven door onder anderen de grondlegger van de schemagerichte therapie, Jeffrey Young, beschikken therapeuten eindelijk over een allesomvattende handleiding voor de behandeling van die bijzonder lastige patiënten met chronische, langdurige schema's en patronen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Schemagerichte therapie: conceptueel model

Schemagerichte therapie is een innovatieve, integratieve therapie, ontwikkeld door Young en collega’s (Young, 1990, 1999), die een belangrijke uitbreiding vormt op de traditionele cognitief-gedragstherapeutische behandelvormen en begrippen. In deze therapie worden elementen die zijn ontleend aan cognitieve gedragstherapie, hechting, Gestalt, objectrelaties en constructivistische en psychoanalytische scholen vermengd en gebundeld tot één vruchtbaar theoretisch én behandelingsmodel.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

2. Schema’s: diagnostiek en voorlichting

De fase van diagnostiek en voorlichting in schemagerichte therapie kent zes hoofddoelen:
1.
het vaststellen van disfunctionele levenspatronen;
 
2.
het vaststellen en oproepen van oude onaangepaste schema’s;
 
3.
inzicht krijgen in de oorsprong van schema’s in kindertijd en adolescentie;
 
4.
het vaststellen van coping-stijlen en -reacties;
 
5.
beoordeling van het temperament;
 
6.
dit alles samenvoegen: conceptualisering van de casus.
 
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

3. Cognitieve strategieën

Wanneer de fase van diagnostiek en voorlichting is voltooid die in het vorige hoofdstuk is beschreven, zijn de therapeut en de patiënt klaar om aan de veranderingsfase te beginnen. Deze fase omvat cognitieve, experiëntiële, gedragsmatige en interpersoonlijke strategieën om schema’s, coping-stijlen en modi te wijzigen. We beginnen het veranderingsproces meestal met cognitieve technieken, die in dit hoofdstuk centraal staan.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

4. Experiëntiële strategieën

Experiëntiële technieken hebben twee doelen: (1) emoties oproepen die verband houden met oude onaangepaste schema’s en (2) ‘reparenting’ van de patiënt teneinde die emoties te helen en gedeeltelijk tegemoet te komen aan de onvervulde behoeften van de patiënt uit de kindertijd. Bij velen van onze patiënten lijken experiëntiële technieken een zeer diepgaande verandering teweeg te brengen. Via experiëntiële oefeningen kunnen patiënten de overstap maken van verstandelijk weten dat hun schema’s onjuist zijn naar er emotioneel in geloven. Terwijl cognitieve en gedragstechnieken hun kracht ontlenen aan een opeenhoping van kleine veranderingen die door herhaling worden bereikt, zijn experiëntiële technieken veel dramatischer. Zij ontlenen hun kracht aan enkele zeer overtuigende, corrigerende emotionele ervaringen. Experiëntiële technieken slaan munt uit het menselijk vermogen om informatie effectiever te verwerken als daar affect bij zit.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

5. Gedragspatronen doorbreken

Tijdens de behandelfase waarin gedragspatronen worden doorbroken, proberen de patiënten om gedragspatronen die door hun schema’s worden ingegeven te vervangen door een gezondere coping-stijl. Het doorbreken van gedragspatronen is het langste en in sommige opzichten meest cruciale onderdeel van schemagerichte therapie. Als dit niet gebeurt, is terugval waarschijnlijk. Ook al hebben patiënten inzicht in hun oude onaangepaste schema’s en ook al hebben ze de cognitieve en experiëntiële oefeningen gedaan, dan nog zullen hun schema’s zich laten gelden als zij hun gedragspatronen niet veranderen. De vooruitgang die zij hebben geboekt, zal afkalven en uiteindelijk zullen ze weer onder het regime van hun schema’s terechtkomen. Als patiënten de volle winst willen binnenhalen en vasthouden, is het essentieel dat zij hun gedragspatronen veranderen.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

6. De therapeutische relatie

In schemagerichte therapie wordt de therapeutische relatie gezien als een wezenlijk element in de diagnostiek en behandeling van schema’s. De therapeutische relatie heeft twee eigenschappen die kenmerkend zijn voor schemagerichte therapie: een therapeutische houding van empathische confrontatieen het gebruik van beperkte reparenting. Bij empathische confrontatie – of empathische realiteitstoetsing – gaat het erom dat de therapeut begrip toont voor de redenen waarom patiënten hun schema’s bestendigen en hen tegelijkertijd confronteert met de noodzaak van verandering. Beperkte reparenting houdt in dat er, binnen de juiste grenzen van de therapeutische relatie, datgene geboden wordt waaraan de patiënten als kind behoefte hadden, maar wat zij van hun ouders niet kregen.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

7. Uitvoerige behandelstrategieën voor schema's

In dit hoofdstuk bespreken we elk van de 18 schema’s afzonderlijk, inclusief de klinische presentatie van het schema, de behandeldoelen, de strategieën die voor ons centraal staan en speciale problemen. We beschrijven ook specifieke behandelstrategieën, zoals cognitieve, experiëntiële en gedragsgerichte strategieën en aspecten van de therapeutische relatie.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

8. Werken met schemamodi

Zoals we in hoofdstuk 1 uiteen hebben gezet, is een modus het geheel van – al dan niet goed aangepaste – schema’s of schema-activiteiten die op dat moment voor het individu werkzaam zijn. Dat wij het begrip modus hebben ontwikkeld, maakt deel uit van een natuurlijke ontwikkeling waarin we het model hebben toegespitst op patiënten met steeds zwaardere stoornissen. We zijn begonnen met traditionele cognitieve gedragstherapie, waarmee we veel patiënten met as-I-stoornissen hebben kunnen helpen. Maar veel andere patiënten, met name patiënten met chronische symptomen of as-II-stoornissen, moesten het ofwel grotendeels zonder hulp stellen ofwel zij kregen hulp voor hun as-I-stoornissen maar kenden nog steeds aanzienlijke emotionele verwarring en beperkt functioneren, dat wil zeggen, belangrijke karakterologische psychopathologie. Schemagerichte therapie heeft de meesten van deze patiënten geholpen, maar er is wel een groep patiënten met ernstige stoornissen overgebleven die verdere behandeling vergt, met name de patiënten met een borderline of narcistische persoonlijkheidsstoornis.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

9. Schemagerichte therapie voor de borderline persoonlijkheidsstoornis

Oude onaangepaste schema’s zijn herinneringen, emoties, lichamelijke gewaarwordingen en cognities die verband houden met de destructieve aspecten van de ervaringen van het individu in de kindertijd, die patronen hebben gevormd die zich het gehele leven herhalen. De centrale thema’s zijn voor karakterologische en meer gezonde patiënten dezelfde: het zijn thema’s als verlating, misbruik, emotionele verwaarlozing, tekortschieten en onderwerping. Karakterologische patiënten hebben soms meer schema’s en hun schema’s kunnen ernstiger zijn, maar zij hebben in het algemeen geen andere schema’s. Het is niet de aanwezigheid van schema’s waarin karakterologische patiënten zich onderscheiden van gezondere patiënten, het zijn veeleer de extreme coping-stijlen die zij hanteren om met deze schema’s om te gaan en de modi waarin deze coping-stijlen uitkristalliseren.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

10. Schemagerichte therapie voor de narcistische persoonlijkheidsstoornis

Volgens onze ervaring zijn het de patiënten met een borderline of narcistische persoonlijkheidsstoornis die de therapeut voor de meest hardnekkige problemen plaatsen. In zekere zin stellen deze twee groepen patiënten de therapeut voor tegengestelde dilemma’s: patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis zijn te behoeftig en overgevoelig voor veel therapeuten, terwijl patiënten met een narcistische persoonlijkheidsstoornis (NPS) vaak niet kwetsbaar of gevoelig genoeg zijn. Beide groepen staan ambivalent tegenover het therapeutische proces. Evenals bij onze behandeling van patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis is ook onze aanpak van patiënten met NPS op modi gebaseerd. Het was grotendeels met het oog op een meer succesvolle behandeling van deze twee typen patiënten dat we het begrip modus hebben ontwikkeld. Met de modusbenadering kunnen we een therapeutische alliantie opbouwen met dat deel van de patiënt dat gezondheid nastreeft en tegelijkertijd vechten tegen het slecht aangepaste deel, dat neigt naar isolement, zelfvernietiging en het beschadigen van anderen.
Jeffrey E. Young, Janet S. Klosko, Marjorie E. Weishaar

Nawerk

Meer informatie