Skip to main content
main-content
Top

Tip

Swipe om te navigeren naar een ander artikel

Gepubliceerd in: GZ - Psychologie 2/2018

01-04-2018 | onder collega’s

Sako Visser en Maartje Schoorl: ‘Hoofdopleiders moeten meer politiek gaan denken’

Auteur: Erik Hardeman

Gepubliceerd in: GZ - Psychologie | Uitgave 2/2018

share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
insite
ZOEKEN

Samenvatting

De invoering van de titel gezondheidszorgpsycholoog (gz-psycholoog), in 1998, was een schot in de roos. Dat oordeel wordt door vrijwel iedereen in de sector onderschreven.
De invoering van de titel gezondheidszorgpsycholoog (gz-psycholoog), in 1998, was een schot in de roos. Dat oordeel wordt door vrijwel iedereen in de sector onderschreven. Met de opname van dit nieuwe beroep in de Wet BIG werd voldaan aan een breed gevoelde behoefte aan goed opgeleide basispsychologen met een erkende registratie. Ondanks dit succes blijft er twintig jaar na dato nog het nodige te wensen over, vinden hoofdopleiders Sako Visser en Maartje Schoorl. Een gezamenlijke analyse in vier kernbegrippen.
‘Gz-psychologen krijgen soms zelfs een bonus als ze langer blijven’

De gz-psycholoog

Sako Visser: ‘Laat ik beginnen met een positieve constatering: los van alle kritische kanttekeningen lijdt het geen twijfel dat de gz-psycholoog een succes is geworden.’
Maartje Schoorl: ‘Er was in 1998 behoefte aan een basisberoep in de psychologie en de gz-psycholoog voorziet in die behoefte. Dat blijkt wel uit het feit dat onze afgestudeerde opleidelingen zo snel aan het werk komen. Er is zelfs schaarste. gz-psychologen krijgen tegenwoordig op sommige afdelingen een bonus als ze langer willen blijven.’
Visser: ‘Dat is dan meteen het eerste probleem. Wij leiden op dit moment jaarlijks zo’n negenhonderd opleidelingen op tot gz-psycholoog, maar dat zouden er gezien de vraag vanuit de markt zeker vijfhonderd meer kunnen zijn. De opleidingen zouden dat extra aantal gemakkelijk aankunnen, maar ze krijgen er helaas de subsidie niet voor. Heel vreemd, want in de opleidingen voor klinisch psychologen en psychotherapeuten blijven plaatsen onbezet - er blijft subsidiegeld onbenut -, maar het ministerie wil die subsidies om onduidelijke redenen niet overhevelen naar de GZ-opleiding.’
Schoorl: ‘En dat terwijl er onder afgestudeerde masterpsychologen belangstelling genoeg is. Sterker nog, er is een stuwmeer van mensen met een master Psychologie die graag de GZ-opleiding in willen, maar voor wie geen plaats is. En wat is het paradoxale gevolg? Dat veel van die mensen nu onbetaald of tegen een mager salaris op werkervaringsplaatsen worden aangenomen. Ze moeten wel, want om toegelaten te worden tot de opleiding telt werkervaring. Dat is een heel onwenselijke situatie.’
Visser: ‘Ik denk trouwens dat daar ook een taak ligt voor ons als hoofdopleiders. Wij moeten het ministerie duidelijk maken dat er een grote behoefte is aan gz-psychologen en dat het de verantwoordelijkheid van politiek Den Haag is om ervoor te zorgen dat vacatures vervuld kunnen worden door gekwalificeerde vakmensen die goede zorg leveren. Maar daarvoor moeten we ons veel beter organiseren en veel politieker gaan denken. Wij wachten nog te veel af. We moeten als hoofdopleiders veel meer de leiding nemen en zeggen: dit is wat er maatschappelijk van ons gevraagd wordt.’
Schoorl: ‘Extra opleidingsplaatsen zouden het tekort aan gz-psychologen inderdaad kunnen verkleinen, maar daarmee zouden we er niet zijn, want van dat stuwmeer zijn we dan nog niet verlost. Dat probleem kan pas worden opgelost als de universiteiten zouden stoppen met het maar blijven toelaten van grote aantallen psychologiestudenten. Eigenlijk is er een numerus fixus nodig voor de studie klinische psychologie.’
Visser: ‘Maar ook de instellingen zouden hierin verantwoordelijkheid moeten nemen. Sommige managers vinden het wel handig dat masterstudenten eerst een paar jaar goedkoop ervaring in de praktijk opdoen, terwijl het veel beter zou zijn om het voor getalenteerde studenten mogelijk te maken om na afronding van hun master meteen door te stromen naar de opleiding. Het zou mooi zijn als de universiteiten, de GZ-opleidingen en de praktijkinstellingen daarvoor samen een plan zouden maken. Voor de beroepsgroep zou dat trouwens ook belangrijk zijn, want als er onvoldoende gekwalificeerde gz-psychologen beschikbaar zijn, gaan de instellingen andere professionals aannemen, bijvoorbeeld sociaal verpleegkundigen of andere hbo-afgestudeerden. Dat gebeurt trouwens al.’
Schoorl: ‘Gelukkig zie je hier en daar tekenen dat er iets begint te veranderen. Aan de Radboud Universiteit in Nijmegen loopt nu een pilot met een numerus fixus en de Rotterdamse en Leidse universiteiten zijn in gesprek met Parnassia over een Stage-plus project, waarin studenten uit de master voor de GZ-opleiding worden voorgeselecteerd. Het zijn kleine initiatieven, maar toch heb ik het gevoel dat langzaam begint door te dringen dat dat stuwmeer ons gezamenlijke probleem is en dat we er een oplossing voor moeten vinden.’

Het beroepengebouw

Visser: ‘Een ander probleem is dat er nog steeds veel onduidelijkheid heerst over het beroepengebouw in de ggz. Een van de doelstellingen van de initiatiefnemers was twintig jaar geleden om met de gz-psycholoog een duidelijk en voor iedereen herkenbaar basisberoep te creëren, vergelijkbaar met de basisarts in de geneeskunde, maar dan wel hoger gekwalificeerd. Maar zolang ook de psychotherapeut wordt gerekend tot de basisberoepen is van duidelijkheid geen sprake. Dat voelen de psychotherapeuten zelf ook wel. Vandaar dat ze gezegd hebben: misschien moeten we een specialisme worden. Maar daar zijn de klinisch psychologen het weer niet mee eens.’
Schoorl: ‘Dat is niet helemaal waar. De klinisch psychologen willen de psychotherapeuten graag omarmen, maar zeggen zij, als je specialist wilt worden, hoort daar wetenschappelijk onderzoek bij, en wat is dan voor de buitenwereld nog het verschil tussen een psychotherapeut en een klinisch psycholoog?’
Visser: ‘In feite is de psychotherapeut door de komst van de gz-psycholoog een beetje tussen wal en schip terecht geraakt. Als we nu een beroepengebouw voor de ggz zouden ontwerpen, zou waarschijnlijk niemand erover denken om tussen de gz-psycholoog als basisberoep en de klinisch psycholoog als specialist nog een derde functie te plaatsen. Maar voorlopig zullen we met deze situatie moeten leven. En daar komt nu nog bij dat de orthopedagoog-generalist waarschijnlijk als basisberoep erkend gaat worden, en dat het NIP ervoor lobbyt om die erkenning ook te krijgen voor de kinder- en jeugdpsycholoog. Dat maakt de situatie er niet helderder op, en het is al helemaal niet te begrijpen voor de buitenwereld.’
‘Een gz-psycholoog moet uiteenlopende patiënten-groepen kunnen behandelen’
Schoorl: ‘De gz-psycholoog is twintig jaar geleden bedacht als generalistisch beroep en een verdeling in subdisciplines staat volgens ons haaks op dat uitgangspunt. Maar je merkt dat er in sommige kringen een sterke neiging bestaat om de patiëntengroep in deelgroepen op te delen. Vooral de kinder- en jeugdmensen vinden dat hun vak en heel eigen aard heeft, terwijl de GZ-opleiding juist hard bezig is om sectoren meer ruimte te geven, maar dat wel binnen één opleiding. Het uitgangspunt moet volgens ons zijn dat een gz-psycholoog patiënten uit alle verschillende doelgroepen moet kunnen behandelen. Het is echt een stap terug om aparte basisberoepen in te voeren, zeker ook omdat ons beroepengebouw er daardoor voor de patiënt niet bepaald begrijpelijker op wordt.’

De wetenschap

Schoorl: ‘Toen ik nog werkte als stagecoördinator bij de Universiteit Leiden, vroeg ik vaak aan stagiaires volgens welke theoretische visie er bij hen op de afdeling werd gewerkt. De reactie was er een van opperste verbazing. Wat ik bedoelde met een theoretische visie, wilden ze weten. Voor mij maakte die reactie duidelijk dat het besef dat het vak van gz-psycholoog gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke inzichten, wordt losgelaten zodra mensen de universiteit verruilen voor de klinische praktijk. Ik vind dat ondermijnend voor ons beroep en ik denk dat het goed zou zijn als er in de opleiding nog meer aandacht voor wetenschappelijk onderzoek zou komen.’
Visser: ‘De wetenschap speelt in de beroepspraktijk trouwens wel een rol via richtlijnen, protocollen en standaarden die gebaseerd zijn op wetenschappelijke evidentie.’
Schoorl: ‘Maar netjes werken volgens richtlijnen en protocollen, hoe evidence-based die ook mogen zijn, is niet hetzelfde als een wetenschappelijke attitude hebben. Het gaat erom dat gz-psychologen wetenschappelijk kunnen denken, dat ze kritisch zijn en de literatuur raadplegen bij klinische vragen. Daarvoor zou je al in de master kunnen voorselecteren op wie er geschikt is voor de GZ-opleiding; dus welke studenten over zowel de vereiste klinische als academische vaardigheden beschikken, waarna die studenten zo snel mogelijk aan de opleiding zouden moeten kunnen beginnen.’
Visser: ‘Daarmee voorkom je ook dat studenten in de paar jaar tussen het afstuderen en het begin van de opleiding de wetenschappelijke attitude die ze op de universiteit meekrijgen, weer helemaal kwijtraken. Het probleem is alleen dat de universiteiten dat geen goed idee vinden omdat ze vrezen zo een grote groep afgestudeerden over te houden die niet geschikt zijn voor de GZ-opleiding. En dat zien ze als anti-reclame.’
‘Beter kunnen we master en GZ-opleiding integreren’
Schoorl: ‘Een betere optie zou daarom misschien zijn om de master en de GZ-opleiding meer te integreren. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan een 2-jarige master gevolgd door een kortere GZ-opleiding. Afgestudeerde masterstudenten zouden daardoor qua wetenschappelijke attitude veel beter beslagen ten ijs komen en veel gemakkelijker de GZ-opleiding in kunnen stromen. Ik zou daar zelf erg voor zijn, ik denk dat je dan ook veel beter kunt verantwoorden dat gz-psycholoog een academisch beroep is.’

De opleiding

Visser: ‘Het heeft een tijd geduurd voordat de GZ-opleiding zijn definitieve vorm vond. Aanvankelijk gingen de gedachten van de initiatiefnemers niet veel verder dan: er moet diagnostiek in en er moet behandeling in, dus laten we dat maar ongeveer half-half doen. Dat uitgangspunt was niet gebaseerd op andere inhoudelijke overwegingen met als gevolg dat de opleidingen in de begintijd overal een andere vorm hadden. Bij visitaties werd echter duidelijk dat we om te kunnen beoordelen of onze afgestudeerden deskundig genoeg waren om het vak van gz-psycholoog uit te oefenen, heldere eindtermen moesten vaststellen. Dat leidde in 2008 tot het besluit om een competentieprofiel voor de opleiding te ontwikkelen, met ook een opleidingsplan en een toetsboek. De hoofdopleiders hebben daar een belangrijke bijdrage aan geleverd en het resultaat was ernaar, want de kwaliteit van de opleiding is er enorm door verbeterd. De praktijkinstellingen zijn tegenwoordig zeer tevreden over onze opleidelingen.’
Schoorl: ‘Als hoofdopleiders werken wij tegenwoordig sowieso meer dan ooit samen. Zo ontwikkelen wij momenteel, in afstemming met beroepsverenigingen en vertegenwoordigers van instellingen en sectoren, landelijke normen voor vrijstellingen. Ook denken wij na over een verdere individualisering van de opleidingstrajecten door middel van vrijstellingen op basis van al aanwezige competenties. In het kader van die individualisering moet hier trouwens ook genoemd worden dat steeds meer opleidingen kiezen voor een modulaire opzet van het onderwijs. Het uitgangspunt blijft weliswaar dat het cursorische gedeelte van de GZ-opleiding in beginsel klassikaal en groepsgewijs plaatsvindt en qua inhoud breed en generalistisch is, maar om opleidelingen met speciale opleidingswensen tegemoet te komen, staan veel opleidingen open voor hun wens om hun kennis in bepaalde richtingen te verdiepen. Je kunt je bijvoorbeeld voorstellen dat voor iemand die later wil gaan werken in de forensische sfeer een verdiepende module forensische psychologie heel waardevol kan zijn.’
Visser: ‘Maar we blijven wel vasthouden aan een opleiding over de volle breedte van het vakgebied. Wij eisen bijvoorbeeld dat mensen die in een instelling voor verstandelijk beperkten werken in het kader van hun opleiding ook een tijdlang ervaring opdoen in een instelling voor mensen met een normaal IQ.’
Schoorl: ‘Van nog recentere datum is het streven om onze opleidelingen meer mee ‘naar buiten’ te nemen, naar cliënten toe. ‘Werken in de wijk’ is in de basis ggz een belangrijke nieuwe ontwikkeling en we vinden dat onze opleidelingen daar zo vroeg mogelijk kennis mee moeten maken, en dat zij deze nieuwe manier van werken moeten helpen vormgeven. Een steeds belangrijkere competentie is daarin het samenwerken, ook multidisciplinair.’
Visser: ‘Dat is echt een grote verandering ten opzichte van het recente verleden, waarin de spreekkamer heilig was voor de gz-psycholoog. Dat was een betrekkelijk veilige plek, bovendien vaak in een omgeving met meerdere collega’s. Nu moeten gz-psychologen binnen de basis ggz patiënten gaan behandelen in een huisartsenpraktijk, een wijkcentrum of bij de patiënt thuis, en zijn ze veel meer op zichzelf aangewezen.’
Schoorl: ‘Bovendien kunnen ze daar te maken krijgen met patiënten met zware problemen die tot dan toe vooral zijn behandeld met medicatie. Wij leren onze opleidelingen dat je zulke patiënten ook heel goed met psychologische methoden kunt helpen, maar dat vraagt wel om een heel nieuwe manier van werken. Daarom willen we er al in de opleiding veel aandacht aan besteden, zodat ze er straks in hun beroepspraktijk redelijk vertrouwd mee zijn.’
Visser: ‘Zo blijven we voortdurend streven naar verbeteringen van de opleiding, want er blijft nog genoeg te wensen over en we kunnen zeker niet achterover leunen. Maar we hebben in twintig jaar wel heel wat bereikt. De gz-psycholoog is onomstreden en de opleiding heeft een stevige basis. Daarover mogen we best tevreden zijn.’
Maartje Schoorl is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Zij werkt als behandelaar en onderzoekscoördinator bij PsyQ en is universitair hoofddocent bij de afdeling Klinische psychologie van de Universiteit Leiden. Zij is als hoofdopleider verbonden aan de GZ-opleiding V&O in Leiden, en de KP-opleiding V&O Leiden/Rotterdam.
Sako Visser is klinisch psycholoog. Hij werkt als hoofd zorgprogramma en onderzoeker bij Pro Persona GGZ en is hoogleraar Gezondheidszorgpsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is hoofdopleider van de GZ-opleiding in Amsterdam.
share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail
Metagegevens
Titel
Sako Visser en Maartje Schoorl: ‘Hoofdopleiders moeten meer politiek gaan denken’
Auteur
Erik Hardeman
Publicatiedatum
01-04-2018
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Gepubliceerd in
GZ - Psychologie / Uitgave 2/2018
Print ISSN: 1879-5080
Elektronisch ISSN: 1879-5099
DOI
https://doi.org/10.1007/s41480-018-0023-x