Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Deze tweede, compleet herziene editie van Reumatologie is niet zozeer geschreven vanuit een aandoening, maar vanuit de klacht en de daarbij behorende casuïstiek. Vrijwel alle hoofdstukken zijn in nauwe samenwerking tussen reumatoloog en huisarts tot stand gekomen. Nadrukkelijk komt aan bod wat de huisarts zelf kan doen, en wanneer verwijzing naar de tweede lijn gewenst, of zelfs noodzakelijk is. Op deze manier is de relevantie voor de huisartspraktijk gegarandeerd.

Het boek is opgebouwd uit een aantal clusters. Na algemeen inleidende hoofdstukken volgt een klachtgericht deel. De klachten zijn ingedeeld naar lokalisatie en worden geïllustreerd met casuïstiek. Daarna volgt een ziektegericht deel waarin de belangrijkste reumatische ziektebeelden worden beschreven. Ten slotte is er een therapiedeel waarin alle mogelijkheden uitgebreid aan bod komen.

Reumatologie verschijnt in de reeks Praktische huisartsgeneeskunde. In deze reeks verschijnen uitgaven met praktische en klachtgerichte informatie over de verschillende deelgebieden van de huisartsgeneeskunde.

Reumatologie is in de eerste plaats geschreven voor huisartsen, al dan niet in opleiding, maar ook basisartsen/medisch studenten en reumaverpleegkundigen/verpleegkundig specialisten zullen hier veel relevante informatie in kunnen vinden.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Erratum behorend bij: Voorwerk

R. Geenen

Inleiding

Voorwerk

1. De patiënt met reumatische klachten

Na anamnese, lichamelijk onderzoek, in sommige gevallen aangevuld met simpel aanvullend laboratoriumonderzoek en beeldvorming, kan de huisarts het merendeel van de klachten thuisbrengen op grond van leeftijd, geslacht, het onderscheid tussen acute en niet-acute symptomen, tussen waarschijnlijke gewrichts- of juist wekedelenaandoeningen, tussen mono, oligo- of polyarticulaire gewrichtsaandoeningen en tussen inflammatoire en niet-inflammatoire aandoeningen.
Hiermee kan de huisarts goed differentiëren tussen aandoeningen waarbij een expectatief beleid gewenst is, en die aandoeningen waarbij verwijzing nodig is. Met behulp van elke beperkte aanvullende test kan de huisarts zijn diagnose verder differentiëren.
J.O.M. Zaat, A.A.M. Blaauw

Klachten

Voorwerk

2. De wervelkolom

Rugklachten komen veel voor in de huisartsenpraktijk. In de overgrote meerderheid van de gevallen ontbreekt een duidelijk organisch substraat. Het is de taak van de arts om minder voorkomende, specifieke oorzaken van nekpijn en rugpijn te onderscheiden van de grote groep aspecifieke rugklachten. Voor specifieke rugklachten zijn alarmsignalen omschreven die in de praktijk helpen bij het herkennen van ernstige aandoeningen.
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van drie casussen de diagnostiek rond rug- en nekklachten nader toegelicht. Er is bijzondere aandacht voor axiale spondyloartritis, een specifiek reumatische oorzaak van rugklachten.
F.A. van Gaalen, A.M. van Slobbe

3. De schouder

Klachten van de schouder komen frequent voor in de huisartsenpraktijk. De prevalentie van schouderklachten bedraagt ongeveer 35 patiënten per 1000 patiënten per jaar. Een huisarts met een praktijkgrootte van 2500 patiënten zal zo’n drie keer per week geconsulteerd worden voor schouderklachten. De schouder is een complexe structuur die bestaat uit meerdere gewrichten, pezen/spiergroepen en bursae. Klinisch is het niet altijd even makkelijk om te onderscheiden waar de schouderklachten op berusten. Schouderklachten kunnen ook veroorzaakt worden door afwijkingen buiten de schouder zelf. Voorbeelden hiervan zijn radiculaire klachten afkomstig uit de cervicale wervelkolom of referred pain, veroorzaakt door pathologie vanuit de thorax of het abdomen. In eerste instantie zijn bij acute, niet-traumatische schouderklachten anamnese en lichamelijk onderzoek vaak voldoende om het vervolgbeleid te bepalen.
H.A. Martens, K. Bevers, J. Galavazi

4. De elleboog

De elleboog is een samengesteld gewricht waarbij het scharnierende gedeelte verantwoordelijk is voor flexie en extensie. Het roterende deel maakt pro- en supinatie mogelijk. Pijn in de elleboog wordt veelal veroorzaakt door goedaardige, lokale wekedelenproblematiek. Door de oppervlakkige ligging is het ellebooggewricht goed toegankelijk voor lichamelijk onderzoek. Op grond van een gedegen anamnese is de diagnose vaak eenvoudig te stellen. Aanvullend onderzoek is zelden noodzakelijk. De therapie voor deze wekedelenproblematiek is in de meeste gevallen met name ondersteunend: leefregels, symptomatische therapie en soms lokale therapie zijn voor het merendeel van de aandoeningen van de elleboog voldoende.
H.A. Martens, K. Bevers, J. Galavazi

5. De hand en de pols

Niet-traumatische hand- en polsklachten komen frequent voor in de huisartsenpraktijk en worden veroorzaakt door een scala aan ziektebeelden, die voor een groot deel in de eerste lijn behandeld kunnen worden. Vooral verschillende vormen van artritis vereisen tijdige herkenning en vlotte verwijzing naar de tweede lijn voor verdere diagnostiek en behandeling. Met een gedegen anamnese en lichamelijk onderzoek is het voor de huisarts goed mogelijk om tot een (waarschijnlijkheids)diagnose te komen. Adequate kennis van zowel de anatomie als de onderliggende ziektebeelden is een voorwaarde hiervoor. Dit hoofdstuk biedt de huisarts een handzaam overzicht hoe in de dagelijkse praktijk om te gaan met de verschillende ziektebeelden die de oorzaak zijn van hand- en polsklachten.
D. Boumans, C.J. Haagsma, C.M. Hussaarts

6. De heup

Het heupgewricht is de schakel tussen het bekken en het bovenbeen. Het is een kogelgewricht, waardoor het bovenbeen ten opzichte van het bekken in bijna alle richtingen kan bewegen. Door middel van stevige ligamenten is het een stabiel gewricht. De spieren rond de heup zijn zeer stevig omdat ze een rol spelen bij de stabiliteit van het rechtop staan en lopen.
In dit hoofdstuk gaan we in op de functionele anatomie van de heup en het lichamelijk onderzoek. Aan de hand van casuïstiek gaan we in op de klachten waarmee patiënten bij de huisarts in de praktijk komen wanneer er problemen zijn in en rond het heupgewricht.
N.M.A. van Dillen, D.W.M. Lucassen

7. De knie

Klachten van het bewegingsapparaat zijn in 15 % van de gevallen de reden van contact tussen huisarts en patiënt. Binnen deze categorie contactredenen komen nek- en rugklachten op de eerste plaats en knieklachten op de tweede plaats. De meest voorkomende niet-traumatische knieproblemen op volwassen leeftijd zijn gonartrose, bursitiden, het patellofemoraal pijnsyndroom, het tractus iliotibialis frictiesyndroom, en de kniekuilcyste. Artritis is zeldzaam in de huisartsenpraktijk, maar is belangrijk, omdat dit beeld aanzienlijke consequenties kan hebben. Bij kinderen en adolescenten is de contactreden vaak genua vara, genua valga, de ziekte van Osgood-Schlatter, jumper’s knee en patellofemoraal pijnsyndroom.
M. K. Janssen, J. N. Belo

8. De enkel en de voet

Een groot deel van alle volwassenen (15–20 %) heeft gedurende korte of langere tijd last van klachten aan de enkel en de voet. Goede epidemiologische informatie over de diagnostiek, frequentie van voorkomen, impact en prognose van (non-inflammatoire) enkel- en/of voetklachten is in de huisartsenpraktijk echter schaars. Een probleem bij de beoordeling van enkel- en voetklachten wordt gevormd door het feit dat er zoveel verschillende structuren aangrijpingspunt van ontsteking, slijtage, trauma of surmenage kunnen zijn. Goede kennis van de anatomie is dan ook onontbeerlijk. Grofweg kan pijn in de enkel en voet worden onderverdeeld in non-articulaire en articulaire pijn (artritis). Non-articulaire pijn hangt meestal samen met standsafwijkingen en overbelasting, al dan niet met overgewicht. Hierbij is de prognose meestal gunstig, en eenvoudige maatregelen (leefstijladviezen en goed schoeisel) bieden vaak voldoende uitkomst. Soms kunnen de voetklachten ook een onderdeel zijn van een systemisch-inflammatoire aandoening (zoals reumatoïde artritis (RA), spondylartropathie (SpA), of jicht): de prognose hangt dan vooral af van de ernst van de onderliggende aandoening.
W.F. Lems, C.M.J. Wildervanck-Dekker

Ziektebeelden

Voorwerk

9. Reumatoïde artritis

De laatste jaren heeft er een revolutie plaatsgevonden in de behandeling van reumatoïde artritis (RA). Nieuwe middelen, maar ook combinatiebehandelingen en eerder ingrijpen, hebben, samen met het streven naar volledige onderdrukking van de ziekteactiviteit, geleid tot een aanmerkelijke verbetering in de prognose. Daarnaast heeft dit beleid ook het aantal complicaties van de ziekte doen verminderen. Daarom dient elke patiënt met de verdenking op reumatoïde artritis zo snel mogelijk en liefst binnen maximaal vier weken, naar de reumatoloog verwezen te worden. Voorafgaande diagnostiek is niet nodig en kan zelfs voor vertraging zorgen. In het algemeen zal de reumatoloog met antireumatische medicatie starten en het effect daarvan controleren. Omdat RA een chronische aandoening is, is er een aantal momenten waarbij overleg tussen huisarts en reumatoloog gewenst is, bijvoorbeeld bij koorts tijdens gebruik van biologicals of andere immunosuppressiva.
W.H. Bos, M. Hollander, W.F. Lems

10. Spondyloartritis

Spondyloartritis (SpA), voorheen spondyloartropathie genoemd, wordt gekenmerkt door ontsteking en weefselschade aan het axiale skelet, de perifere gewrichten en extra-articulaire weefsels, zoals de huid (psoriasis), ogen (acute anterieure uveïtis) en darmen (inflammatoir darmlijden). De weefselschade wordt gedomineerd door overmatige aanmaak van nieuwe bot, waardoor gewrichten verstijven (ankyloseren). De ernst van de klachten kan variëren.
Dit hoofdstuk beschrijft de diagnostiek van SpA in de huisartsenpraktijk in een aantal stappen. Herkenning van het ziektebeeld en op tijd verwijzen naar de reumatoloog is van belang. Correcte interpretatie van het aanvullend onderzoek valt binnen de expertise van de reumatoloog. Voor het instellen en aanpassen van de behandeling is primair de reumatoloog verantwoordelijk. De huisarts speelt wel een belangrijke rol in de follow-up van de behandeling.
D.L.P Baeten, D. Shackleton

11. Systemische autoimmuunziekten

Systemische auto-immuunziekten vormen een groep van relatief zeldzame aandoeningen gekenmerkt door een variabele presentatie en beloop (van acuut tot sluipend), laboratoriumkenmerken van systemische inflammatie en auto-immuniteit, en doorgaans goede repons op immuunsuppressieve medicatie. Hieronder vallen systemische lupus erythematodes, het syndroom van Sjögren, systemische sclerose, vasculitis en idiopathische inflammatoire myositis. Systemische auto-immuunziekten kunnen gepaard gaan met betrokkenheid van vitale organen en kunnen leiden tot ernstige invaliditeit en vroegtijdig overlijden. Vroege verwijzing naar een specialist is daarom wenselijk. Sinds de invoering van intensieve immuunsuppressieve behandeling en biologicals is de prognose van een aantal systemische auto-immuunziekten sterk verbeterd.
J.M. van Laar, R.M.M. Kievits-Smeets

12. Jicht en CPP-artritis (pseudojicht)

In dit hoofdstuk wordt besproken hoe de diagnose jicht kan worden gesteld, welke plaats de jichtcalculator heeft en waaruit de aanvalscouperende behandeling bestaat (met non-steroïdale anti-inflammatoire ‘drugs’ (NSAID’s), colchicine of glucocorticoïden, dan wel interleukine-1-blokkers) en de profylactische behandeling (colchicine of laaggedoseerd prednison) bij uraatverlagende therapie. Tevens wordt ingegaan op de uraatverlagende behandeling om jichtproblematiek op langere termijn te voorkomen. Daarnaast worden calciumpyrofosfaat (CPP)- artritis, vroeger ook wel pseudojicht genoemd, besproken.
T.L. Jansen, N.A. Vorwald

13. Artrose

Artrose is de meest voorkomende aandoening van het bewegingsapparaat die vooral de knieën, handen, heupen en wervelkolom aandoet en leidt tot gewrichtspijn en functieverlies. Artrose wordt gekenmerkt door een langzaam verlies van gewrichtskraakbeen met botnieuwvorming (osteofyten), die gepaard gaat met activiteit in het subchondrale bot en verschijnselen van ontsteking. Artrose treedt vooral op met toenemen van de leeftijd.
De diagnose wordt gesteld op basis van klachten, het risicoprofiel en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek, eventueel ondersteund door radiologisch onderzoek. De behandeling is gericht op klachtenverlichting en vindt hoofdzakelijk plaats in de eerste lijn. Aangezien het beloop heterogeen is en vaak langzaam progressief, is het belangrijk dat de patiënt goed wordt voorgelicht over de aard van de aandoening en het te verwachten beloop, en educatie krijgt over zelfmanagementprincipes.
G. Kloppenburg, J.N. Belo

14. Botaandoeningen: osteoporose en fractuurpreventie, osteomalacie en de ziekte van Paget

Osteoporose is een van de factoren die de kans op fracturen verhoogt, naast klinische risicofactoren en andere ziekten en medicaties. Fractuurpreventie bestaat uit een vijfstappenplan: (1) aandacht voor risicopatiënten (case finding bij patiënten ouder dan 50 jaar met een recente fractuur, patiënten die bekend zijn met ziekten en/of medicaties die gepaard gaan met een verhoogd fractuurrisico, en personen die andere risicofactoren hebben voor fracturen), (2) evaluatie van het fractuurrisico met behulp van dual energy X-ray absorptiometry (DEXA) en vertebral fracture assessment (VFA), (3) differentiaaldiagnose, (4) therapie en (5) follow-up. Vitamine-D-deficiëntie (met risico op osteomalacie bij ernstig vitamine-D-tekort) komt frequent voor bij ouderen en personen die weinig zonexpositie hebben en wordt gecorrigeerd met vitamine-D-supplementen van minstens 800 IE/dag. De ziekte van Paget is een focale aandoening van de botombouw, met als gevolg botpijnen, botmisvormingen, stressfracturen, doofheid, versnelde artrose en neurologische compressiesymptomen. De therapie bestaat uit het toedienen van bisfosfonaten.
P. Geusens, J. van den Berg, E. Raaijmakers

15. Fibromyalgie

Fibromyalgie (FM) is een syndroom dat wordt gekenmerkt door langdurige pijn in het gehele lichaam, zonder dat een onderliggende aandoening of proces kan worden aangetoond. De diagnose FM is gebaseerd op de kliniek. Aanvullend onderzoek is alleen nodig op indicatie ter uitsluiting van andere oorzaken van pijn. Recente onderzoeken laten zien dat bij FM-patiënten amplificatie/sensitisatie van centrale pijncentra aangetoond kan worden. Hiermee lijkt verhoogde activiteit in de pijncentra een kandidaat te zijn voor de verklaring van de pijn bij deze patiënten. Of hiermee ook de oorzaak van FM op het spoor is gekomen, blijft onzeker. Los van de oorzaak en diagnostiek van FM is ook de behandeling omgeven door onzekerheden. Een curatieve therapie is niet beschikbaar. Medicamenteuze pijnstilling is nauwelijks effectief. Cognitief-gedragstherapeutische benadering van de patiënt heeft op korte termijn het beste effect. Een multidimensionele benadering die wordt gecoördineerd door de huisarts heeft de voorkeur.
M.A.F.J. van de Laar, W.D. Boswinkel

16. Reuma bij kinderen: (systemische) juveniele idiopathische artritis

Jeugdreuma of juveniele idiopathische artritis is de meest voorkomende oorzaak van chronische gewrichtsontsteking op de kinderleeftijd. Het voldoet aan de volgende kenmerken: ontstaan voor het 16e levensjaar, duur langer dan zes weken én geen aanwijsbare oorzaak. Bewegingsbeperking staat bij kinderen meer op de voorgrond dan andere symptomen van artritis. Bij kinderen onder de 2 jaar is het stellen van de diagnose moeilijk vanwege compensatiegedrag en beoordeling van de gewrichten met aanwezig peutervet. Differentiaaldiagnostisch kan gedacht worden aan lymeartritis of virusinfecties. Aanvullende diagnostiek heeft geen meerwaarde, maar is van belang voor de subtypering en behandeling, en vindt plaats in een kinderreumatologisch centrum. De huisarts verwijst kinderen wanneer een artritis zonder andere aanwijsbare oorzaak langer dan zes weken bestaat en/of wanneer een artritis na twee weken geen resultaat geeft op NSAID’s. Verdere behandeling bestaat uit glucocorticosteroïdinjecties, methotrexaat en monoklonale antilichamen. Mogelijke complicaties zijn contracturen, spieratrofie, beenlengteverschillen en visusdaling door uveïtis.
J. F. Swart, R.M. Haighton-van Hemert

17. Infectieuze gewrichtsaandoeningen

Er zijn verschillende vormen van infectieuze artritis. In dit hoofdstuk zal naast over septische artritis, ook worden gesproken over aan micro-organismen gerelateerde artritiden. Bij het eerste ziektebeeld zijn levende micro-organismen in het gewricht binnengedrongen en aantoonbaar in het gewrichtspunctaat. Bij het tweede ziektebeeld is er sprake van een infectie elders in het lichaam die een artritis veroorzaakt: reactieve artritis. Het mechanisme dat hier artritis induceert, is niet precies bekend. Er zijn aanwijzingen dat zowel versleping van dode bacteriën naar het gewricht als een immuunreactie die kruiselings reageert tussen de infectie en het gewricht, een rol kan spelen. Ten slotte kunnen virussen van invloed zijn. Of dit komt door specifieke infiltratie van gewrichten of doordat een dergelijk beeld beschouwd moet worden als een immuuncomplexziekte, is nog niet duidelijk. De meeste virale en reactieve artritiden genezen spontaan en restloos. Septische artritis moet met spoed behandeld worden om irreversibele gewrichtsschade en disseminatie van de infectie te voorkomen.
D. Vosse, K. den Ouden

18. Reumatische klachten als uiting van algemene ziekten

Reumatische klachten (spier- of gewrichtsklachten) kunnen een (eerste) uiting zijn van andere ziektebeelden. Dergelijke klachten worden in de huisartsenpraktijk gezien bij patiënten met maligniteiten, niet-maligne hematologische ziektebeelden en een aantal endocriene ziekten.
Ook bij een aantal minder frequent voorkomende aandoeningen kunnen reumatische klachten voorkomen. Deze aandoeningen zullen niet verder worden beschreven in dit hoofdstuk.
H. Bootsma, J.M. Meijer

Therapie

Voorwerk

19. Medicamenteuze therapie van reumatische aandoeningen

De medicamenteuze therapie van verschillende reumatische aandoeningen vertoont veel overlap. Voor pijn zijn, naast analgetica, niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID’s) en COX-2-selectieve NSAID’s (COXIB’s) aangewezen, die ook stijfheid, veroorzaakt door inflammatoire reumatische aandoeningen, verminderen. Afhankelijk van comorbiditeit kan de meest optimale strategie met NSAID of COXIB gekozen worden. Specifiek voor reumatische ziekten met gewrichtsontsteking worden disease-modifying antirheumatic drugs (DMARD’s) gebruikt, enerzijds de synthetische DMARD’s, zoals methotrexaat, en biologische middelen (biologicals). Voor beginnende reumatoïde artritis worden glucocorticoïden ook tot de DMARD’s gerekend. Vooral voor inflammatoire systemische auto-immuunziekten en vasculitis zijn glucocorticoïden nog steeds de hoeksteen van de behandeling, hoewel in toenemende mate ook biologicals worden gebruikt. Bij deze laatste twee groepen aandoeningen heeft ook het cytostaticum cyclofosfamide een plaats, dat dan als krachtig immunosuppressivum wordt gebruikt.
J.G.W. Jacobs, A.J. van der Veer

20. Chirurgie bij reumatische aandoeningen

Hoewel door de huidige antireumatica het volume van reumachirurgie afneemt is er nog steeds een plaats voor chirurgische behandeling van gewrichten die zijn aangedaan door reumatische ziekten. Vaak zijn deze behandelingen nagenoeg hetzelfde als bij artrose, zoals het plaatsen van een totale heupprothese, maar veel genoemde behandelingen vinden vrijwel alleen bij reumatische ziekten plaats, zoals een totale elleboogprothese en een totale enkelprothese. Naar onze mening is het van belang dat naast reumatologen ook huisartsen op de hoogte zijn van deze behandelingen, die weinig algemene toepassingen kennen en dus ook niet algemeen bekend zijn. Daarnaast is van belang dat de timing van een chirurgische behandeling in een vroeg stadium plaatsvindt, vooral bij reumatische aandoeningen, en kan het van belang zijn om in een vroeg stadium een (orthopedisch) chirurg te betrekken bij de beoordeling of er een indicatie is voor een chirurgische behandeling. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op ingrepen die specifiek zijn voor reumachirurgische behandeling en behandelingen waarbij reconstructieve chirurgie in een vroeg stadium van belang is.
H.J.L. van der Heide, N.J. van Es

21. Niet-medicamenteuze therapie bij reumatische aandoeningen

Mensen met reumatische aandoeningen kunnen problemen ondervinden op meerdere domeinen van hun dagelijks functioneren. Verschillende disciplines kunnen een rol spelen bij de begeleiding van mensen met reumatische aandoeningen. De belangrijkste elementen van niet-medicamenteuze zorg zijn educatie, oefentherapie en het adviseren over de aanschaf en het gebruik van hulpmiddelen en spalken. Belangrijke doelen van niet-medicamenteuze zorg zijn het leren omgaan met pijn en beperkingen, het realiseren en bestendigen van een gezond beweegpatroon en bevordering van zelfmanagement, ofwel het mogelijk maken dat de patiënt de vaardigheden ontwikkelt om dagelijkse beslissingen ten aanzien van de behandeling en gevolgen van de aandoening te nemen, ook ten aanzien van veranderingen in leefstijl. Structurele samenwerkingsverbanden tussen meerdere disciplines in eerste en tweede lijn zouden kunnen bijdragen aan een betere kwaliteit van zorg.
C.H.M. van den Ende, G.B.J. Hurenkamp

Algemene aspecten

Voorwerk

22. Reumaverpleegkundige zorg

De reumaverpleegkundige zorg beoogt patiënten te ondersteunen bij het vinden van een balans tussen wensen en verantwoordelijkheden ten aanzien van werk en gezin enerzijds, en de gevolgen van de reumatische aandoening en de behandeling anderzijds. Het uitgangspunt is optimaal zelfmanagement. Reumaverpleegkundigen signaleren beperkingen ten gevolge van de aandoening, geven voorlichting over de aandoening en de behandeling, bieden begeleiding bij het omgaan met de gevolgen van de aandoening, coördineren de multidisciplinaire zorg en verzorgen deskundigheidsbevordering voor andere zorgverleners. Zij zijn werkzaam in het ziekenhuis of in een revalidatiesetting, op een klinische afdeling, dagbehandeling en/of op de polikliniek. Daarnaast zijn reumaverpleegkundigen werkzaam in de huisartsenpraktijk of in de thuiszorg. We onderscheiden twee niveaus van verpleegkundige zorg: de gespecialiseerde reumaverpleegkundige en de verpleegkundig specialist in de reumatologie. De functies zijn in ontwikkeling en in de praktijk is er een overlap van taken, waardoor het onderscheid niet altijd duidelijk is.
Y.J.L. van Eijk-Hustings

23. Zwangerschap en reumatische ziekten

Ondanks wat vaak wordt aangenomen, debuteren reumatische aandoeningen vaak bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Sommige reumatische ziekten, zoals reumatoïde artritis, verbeteren tijdens de zwangerschap, terwijl andere, zoals systemische lupus erythematodes, de neiging hebben om op te vlammen. Verder kunnen reumatische ziekten invloed hebben op de vruchtbaarheid en het beloop en uitkomst van de zwangerschap. Dit kan zowel gerelateerd zijn aan de ziekte zelf als aan het gebruik van medicatie. Ook functionele beperkingen, die het gevolg kunnen zijn van een reumatische ziekte, kunnen de zorg voor kinderen lastiger maken. Voor goede informatie aan en begeleiding van een patiënte met een reumatische aandoening is kennis van al deze aspecten noodzakelijk. Het meeste is bekend over zwangerschap en reumatoïde artritis. Het hoofdstuk zal zich daar dan ook met name op richten. Andere reumatische ziekten zullen kort worden beschreven.
R.J.E.M. Dolhain, A. Vlietstra

24. Psychosociale aspecten van reumatische aandoeningen

De verbeterde medicamenteuze behandeling heeft ertoe geleid, waarschijnlijk in combinatie met een grotere nadruk in de behandeling op het leiden van een actief en waardevol leven, dat het welbevinden en functioneren van mensen met sommige reumatische aandoeningen in de afgelopen jaren zijn verbeterd. Toch is het voor veel patiënten nog steeds een hele opgave om te leren omgaan met de lichamelijke, psychische en sociale gevolgen van ontsteking, pijn en moeheid. Dit hoofdstuk bespreekt: (1) cytokinen, gedrag, cognities, sociale steun en onbegrip als determinanten van welbevinden en functioneren, (2) de prevalentie van moeheid, fysieke handicaps, depressie en angst en (3) manieren om het welbevinden en functioneren te verhogen, namelijk zelfregulatie met nadruk op actieplannen, cognitieve gedragstherapie, bewegingsinterventies en de behandeling van depressie en angst. Het hoofdstuk eindigt met een recept voor het omgaan met een reumatische aandoening: ‘Geniet van bewegen, doe leuke dingen, verdriet is toegestaan en pluk het uur (carpe horam)’.
R. Geenen

25. Het patiëntenperspectief op de reumazorg

In dit hoofdstuk reflecteert Maarten de Wit op de lange reis van een onmondige tiener met huidklachten en een gezwollen knie tot een zelfbewuste man die actief betrokken is bij reumaonderzoek en de ontwikkeling van nieuwe behandelstrategieën. Een wonderlijke reis, waarin het stukje bij beetje duidelijk wordt hoe belangrijk goede communicatie en een heldere taakverdeling tussen de eerste en tweede lijn is om incidenten in de zorg te voorkomen. Dit persoonlijke verhaal beschrijft vanuit een patiëntenperspectief hoe het besef van de feilbaarheid van behandelaars patiënten aanzet om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen gezondheid. Zelfmanagement en het monitoren van comorbiditeiten en bijwerkingen gaan daarbij hand in hand.
M.P.T. de Wit

26. Werk en sociale zekerheid

Deelname aan het arbeidsproces behoort tot de belangrijkste sociale rollen van mensen in de werkzame leeftijd. Ook voor de maatschappij is deelname aan het arbeidsproces essentieel, enerzijds om de productie van diensten en goederen te garanderen, en anderzijds om uitgaven aan sociale zekerheid te beheersen.
In Nederland ontvangt ongeveer 7 % van de werkzame bevolking een uitkering voor arbeidsongeschiktheid, waarvan een derde wordt toegeschreven aan musculoskeletale aandoeningen. Hoewel het grootste deel van deze arbeidsongeschiktheid kan worden toegeschreven aan prevalente aandoeningen, zoals chronische lage rugklachten en onbegrepen pijnsyndromen, hebben ook patiënten met inflammatoire ziekten en degeneratieve reumatische aandoeningen een duidelijk verhoogde kans op arbeidsongeschiktheid. Daarnaast hebben patiënten met reumatische aandoeningen extra verzuim en ervaren zij verminderd arbeidsvermogen, terwijl zij op het werk zijn (presenteïsme).
In dit hoofdstuk worden modellen gepresenteerd die uitgangspunt zijn bij het onderzoek naar de relatie tussen ziekte en werk, worden de cijfers over arbeidsparticipatie bij reumatische aandoeningen samengevat en worden factoren besproken die arbeidsparticipatie hinderen of bevorderen. Tot slot wordt gereflecteerd over de rol van de eerste- en tweedelijnszorg met het oog op optimaliseren van de arbeidsparticipatie.
A. Boonen

27. Het Reumafonds en de reumapatiëntenverenigingen

Het Reumafonds is er voor bijna twee miljoen Nederlanders met een vorm van reuma. Het kan gaan om reumatoïde artritis, artrose of een van de overige honderd chronische aandoeningen aan gewrichten, spieren en pezen. Het Reumafonds wil mensen met reuma helpen bij het verbeteren van de kwaliteit van hun leven, het maken van keuzes in de zorg en het omgaan met reuma. We ondersteunen mensen met reuma en hun naasten op een persoonlijke en betrokken manier met voorlichting, steun en advies en komen op voor de belangen van patiënten bij politiek, overheid en zorg. We organiseren activiteiten, zoals de zelfmanagementcursus Reuma Uitgedaagd! Daarnaast financiert het Reumafonds wetenschappelijk onderzoek en patiëntenactiviteiten. Met als doel, een betere kwaliteit van leven voor mensen met reuma en uiteindelijk genezing van reuma.
S. de Jong, I.C. Lether

Nawerk

Meer informatie