Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek geeft een overzicht van de moderne psychiatrie in al haar facetten. Het eerste deel beschrijft de wetenschappelijke principes en methoden van de psychiatrie. Daarbij wordt op evenwichtige wijze aandacht geschonken aan biologische, psychologische en sociale invalshoeken. In het tweede deel staan de voornaamste psychische stoornissen centraal. Aan de hand van praktijkvoorbeelden komen daarvan telkens de essentiële kenmerken, verklaringen en behandelvormen aan bod.

Het boek probeert jargon zoveel mogelijk te vermijden en is in heldere taal geschreven. Het is dan ook bedoeld voor iedereen die op een snelle en toegankelijke manier kennis wil maken met het psychiatrisch werkveld. Dat kunnen studenten zijn of geïnteresseerde leken, maar ook mensen met psychische problemen en hun directe omgeving. Verder is het boek heel geschikt voor wie beroepshalve met de wereld van de psychiatrie te maken krijgt: zorgprofessionals, maatschappelijk werkers en personeelsmanagers, maar ook degenen die werken bij politie en justitie of in het onderwijs. Mede op basis van de DSM-5 is deze vijfde herziene editie in veel opzichten geactualiseerd. Daarnaast biedt nu ook een website ondersteunende (internet)bronnen bij ieder hoofdstuk.

Drs. Ron van Deth is psycholoog en publicist en verbonden aan het Europees Instituut voor Educatie in Driebergen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Diagnostiek en benadering

Voorwerk

1. Psychiatrie en maatschappij

Samenvatting
Opvattingen over ‘gek’ of ‘gestoord’ gedrag zijn sterk tijd- en cultuurgebonden. Vergeleken met lichamelijke ziekten is een psychische stoornis moeilijker objectief, wetenschappelijk te benaderen. Deskundig onderzoek en behandeling van psychiatrische patiënten vereisen echter ook wetenschappelijk onderbouwde kennis van psychische stoornissen. De hedendaagse psychiatrie volgt hierbij het medische model of de systematische werkwijze in de geneeskunde. Na een beschrijving en ordening van de kenmerken van de stoornis (diagnose) zoekt men naar de mogelijke verklaringen. Op grond hiervan tracht men een geschikte behandeling of therapie toe te passen. Daarbij veronderstelt men (prognose) dat het verdere verloop van de stoornis gunstig wordt beïnvloed. In het beste geval kan men maatregelen treffen om de stoornis te voorkomen (preventie).
De grote meerderheid van patiënten komt terecht bij allerlei vormen van ambulante hulpverlening, vaak vanuit brede GGZ-instellingen. Inmiddels is de GGZ gereorganiseerd in basis-GGZ, generalistische basis-GGZ en gespecialiseerde GGZ.
R. van Deth

2. Diagnose

Samenvatting
Beschrijvende diagnostiek is het vaststellen en onderscheiden van stoornissen zonder een uitspraak te doen over de verklaring ervan. De betrouwbaarheid ervan hangt af van de gehanteerde classificatie en de gebruikte diagnostische methode. Het Amerikaans classificatiesysteem DSM-5 ordent de psychische stoornissen op basis van een ontwikkelingsperspectief: naarmate een stoornis vroeger in de levensloop kan optreden, staat deze meer vooraan, zowel bij de indeling van de hoofdgroepen als bij de ordening binnen elke hoofdgroep. Verder wil de DSM-5 ook een leidraad zijn voor de therapie.
Om voor elke patiënt een diagnose volgens DSM-5 te stellen, gaat men bij voorkeur systematisch te werk met behulp van het diagnostisch interview. Hierin worden allereerst gegevens over het leven van de patiënt verzameld (anamnese). Daarnaast is de interviewer gespitst op een beoordeling van de psychische toestand van de patiënt. Om deze informatie volledig te maken, is vaak een lichamelijk onderzoek (o. a. hersenonderzoek) noodzakelijk en kan ook gebruik worden gemaakt van psychodiagnostische tests.
R. van Deth

3. Verklaring

Samenvatting
Bij de verklaring van psychische stoornissen moet onderscheid worden gemaakt tussen voorbeschikking of kwetsbaarheid, uitlokkende factoren en bestendigende invloeden. Een bevredigende verklaring berust meestal op een biopsychosociale zienswijze: een psychische stoornis als resultaat van een samenspel van lichamelijke, psychische en sociale factoren.
Biologische verklaringen gaan uit van de veronderstelling dat psychische stoornissen voortkomen uit een verstoring in het lichamelijk functioneren, met name van het centrale zenuwstelsel. Moderne beeldvormende technieken, zoals scans, kunnen veranderingen of disfuncties in de hersenen nauwkeurig in kaart brengen. Aanwijzingen voor genetische kwetsbaarheid komen voort uit familiestudies. De biologische verstoring (aangeboren of verworven) aan de basis van een psychische stoornis wordt vooral gezocht in de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen van specifieke hersendelen. Voor deze prikkelgeleiding zijn scheikundige stoffen nodig, de neurotransmitters.
Tegenover deze biologische verklaringen staat een brede waaier van psychosociale opvattingen over het ontstaan van psychische stoornissen: leertheorie (conditionering), cognitieve theorie, sociale theorieën en systeemtheorie.
R. van Deth

4. Behandeling

Samenvatting
Wanneer biologische factoren een belangrijke rol spelen in het ontstaan van een psychische stoornis, wordt eerst gedacht aan biologische behandeling. De meest gebruikte biologische behandeling is de toediening van psychofarmaca: benzodiazepinen (bij angst), antidepressiva (bij depressies), lithium (bij bipolaire-stemmingsstoornissen) en antipsychotica (bij psychosen).
Psychotherapie is de behandeling van psychische problemen of stoornissen met behulp van psychologische methoden door daartoe opgeleide deskundigen. Er zijn vijf grote richtingen: psychodynamische, cliëntgerichte, gedrags- en cognitieve therapie en systeemtherapie. ‘Eclectische’ therapeuten combineren elementen uit verschillende therapierichtingen.
De sociaal-psychiatrische hulpverlening is vooral gericht op de wisselwerking tussen psychische problematiek en maatschappelijke verhoudingen. Bij acuut optredende problemen is een snelle interventie in de concrete leefsituatie van de persoon-in-crisis nodig. Voor patiënten met een ernstige of chronische psychische stoornis streeft de sociaal-psychiatrische hulpverlening rehabilitatie na: door training van vaardigheden en zorg voor een aangepast milieu wordt een zo groot mogelijke autonomie voor de betrokken patiënt beoogd.
R. van Deth

5. Verloop en preventie

Samenvatting
Epidemiologie is de studie naar het vóórkomen van een ziekte of stoornis in een bepaalde bevolkingsgroep. Het kan gaan om de nieuwe gevallen in een bepaalde periode (incidentie) of alle gevallen van een stoornis op een bepaald moment (prevalentie). Dergelijke cijfers zijn niet alleen nuttig voor verder onderzoek maar ook voor het beleid in de gezondheidszorg.
Als een stoornis langer dan zes maanden blijft bestaan, spreken we van een chronisch verloop. Een chronische stoornis gaat meestal gepaard met een zekere graad van beperking in de sociale aanpassing van de betrokken patiënt. Men kan er dan naar streven dit chronische verloop en de gevolgen zo beperkt mogelijk te houden (tertiaire preventie). Beter is snel en effectief in te grijpen zodra de stoornis optreedt (secundaire preventie) en nog beter is het de stoornis te voorkomen (primaire preventie).
R. van Deth

Psychische stoornissen

Voorwerk

6. Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen

Samenvatting
Bij neurobiologische ontwikkelingsstoornissen gaat het om problemen in de ontwikkeling, waarbij hersenafwijkingen een belangrijke rol spelen. Ze beginnen in de kindertijd, maar duren vaak tot in de volwassenheid voort. De belangrijkste zijn: verstandelijke beperking, autismespectrumstoornis, ADHD en ticstoornissen.
Mensen met een verstandelijke beperking hebben een lager IQ en zijn in meer of mindere mate in staat zich zelfstandig te handhaven in de samenleving.
Autismespectrumstoornis gaat gepaard met tekortkomingen in sociale communicatie, beperkte, stereotiepe gedragspatronen en eenzijdige belangstelling. Cognitief-gedragstherapeutische technieken leren patiënten vooral om te gaan met de beperkingen.
Mensen met ADHD zijn onrustig, chaotisch en ongeorganiseerd, waardoor zij dikwijls negatieve reacties oproepen. Medicatie kan iemand toegankelijker maken voor cognitieve gedragstherapie en een helder gestructureerde omgeving kan het verloop gunstig beïnvloeden.
Ticstoornissen (waaronder het tourettesyndroom) worden gekenmerkt door onopzettelijke, herhaalde motorische bewegingen of verbale uitingen. Naast sommige antipsychotica en clonidine gebruikt men als behandeling cognitief-gedragstherapeutische technieken.
R. van Deth

7. Schizofrenie en andere psychotische stoornissen

Samenvatting
Vooral door hallucinaties en wanen is bij een psychose de relatie met de werkelijkheid sterk verstoord. Bij hallucinaties meent de patiënt iets waar te nemen wat er in werkelijkheid niet is. Wanen zijn niet te corrigeren, onjuiste overtuigingen, die behoren tot de inhoudelijke denkstoornissen. De belangrijkste psychosen zijn schizofrenie en niet-schizofrene stoornissen. Tot de niet-schizofrene psychosen behoren: de waanstoornis, kortdurende psychotische stoornis, schizofreniforme stoornis en gedeelde psychotische stoornis.
Schizofrenie wordt gekenmerkt door een breed scala van cognitieve, emotionele en gedragsafwijkingen. De symptomen worden verdeeld in ‘positieve’, zoals hallucinaties en wanen, en ‘negatieve’, zoals verminderde emotionele expressie, initiatiefverlies en spraakarmoede. Bij schizofrenie is vaak sprake van genetische kwetsbaarheid en verder berust de stoornis op structurele en biochemische hersenafwijkingen, mogelijk een gevolg van geboortecomplicaties of virusinfecties. De stoornis wordt behandeld met antipsychotica, in combinatie met een brede psychosociale aanpak in de vorm van rehabilitatie, cognitieve gedragstherapie en psycho-educatie.
R. van Deth

8. Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen

Samenvatting
Bij depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen is de stemming langdurig en ernstig ontregeld. Bij de depressieve stoornis gaat het om abnormale neerslachtigheid en lusteloosheid. Dikwijls zijn patiënten met de dood bezig en sommige doen ook daadwerkelijk suïcidepogingen. Vermoedelijk spelen zowel biologische als psychologische en sociale factoren een rol. In de praktijk combineren hulpverleners met name bij de ernstige vormen dan ook verschillende behandelingen. Naast biologische behandeling met antidepressiva worden toegepast: cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke psychotherapie en soms elektroconvulsietherapie.
Een manische periode wordt gekenmerkt door uitzonderlijke energie, vrolijkheid, zelfoverschatting en grote prikkelbaarheid. Manische periodes wisselen vrijwel altijd af met depressieve periodes (bipolaire-stemmingsstoornissen). Afhankelijk van de mate waarin de verschillende depressieve en manische periodes voorkomen, worden onderscheiden: bipolaire-I-stoornis, bipolaire-II-stoornis en cyclothyme stoornis. De stoornissen worden vooral behandeld met lithium. Daarnaast is cognitieve gedragstherapie en ondersteuning vanuit de directe omgeving voor de patiënt onmisbaar.
R. van Deth

9. Angststoornissen

Samenvatting
Angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychische aandoeningen. Een specifieke fobie is een hevige, onredelijke angst voor een bepaalde prikkel of situatie, die daarom zo veel mogelijk vermeden wordt. Angst voor of vermijding van sociale situaties waarin de betrokkene meent te worden onderworpen aan de kritische aandacht van anderen, wijst op een sociale-angststoornis. Bij een paniekstoornis is sprake van onregelmatige angstaanvallen met allerlei lichamelijke klachten die ten onrechte geïnterpreteerd worden als tekenen van ernstige ziekte. Vaak gaat dit gepaard met vermijding van situaties waarin de betrokkene vreest dat een paniekaanval kan optreden, ontsnapping moeilijk is en hulp niet direct beschikbaar lijkt. In zulke gevallen spreken we van agorafobie. Patiënten met een gegeneraliseerde-angststoornis zijn dikwijls nerveus en angstig, en zien tegen alles op.
Naast een biologische gevoeligheid spelen persoonlijkheidskenmerken en opvoeding een rol. Heel wat angststoornissen zijn volgens de leertheorie geconditioneerde reacties, waarbij vooral het vermijdingsgedrag de stoornis in stand houdt. De cognitieve theorie benadrukt dat angstpatiënten er vaak irrationele gedachten op nahouden. Aangezien het vermijdingsgedrag de angst in stand houdt, maakt men vooral gebruik van het principe van de blootstelling (exposure) aan de angstsituatie en probeert de onredelijke gedachtegang of interpretatie van angstpatiënten te corrigeren.
R. van Deth

10. Dwangstoornissen

Samenvatting
Dwangpatiënten slagen er niet in herhaalde, ongewilde gedachten en/of handelingen te onderbreken of te stoppen. De dwanggedachten roepen hevige angst en spanning op, die ze met dwanghandelingen proberen te verminderen. Daardoor blijven op de langere termijn de dwanggedachten echter in stand.
Onderscheiden worden: de obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), excoriatiestoornis (huidpulkstoornis), trichotillomanie (haaruittrekstoornis), morfodysfore stoornis (ingebeelde lelijkheid) en verzamelstoornis (dwangmatig verzamelen). De mate waarin patiënten dit gedrag ervaren als storend en niet bij henzelf passend, verschilt per stoornis. OCS, trichotillomanie en excoriatiestoornis worden veelal meer als ik-vreemd (egodystoon) ervaren. Patiënten met een morfodysfore stoornis vinden hun gedrag misschien wel wat overdreven, maar ook wel weer bij hen passen. Mensen met een verzamelstoornis ervaren het verzamelen van spullen als iets wat ze zelf graag lijken te willen (egosyntoon). Hun hardnekkige gedachten over het verzamelen komen in de buurt van een waan.
De behandeling van dwangstoornissen bestaat vooral uit exposure met responspreventie: blootstelling aan situaties die dwanggedachten oproepen zonder dat de patiënt de dwanghandelingen mag uitvoeren. Daarnaast worden dwanggedachten vaak met cognitieve gedragstherapie in de werkelijkheid getoetst op hun houdbaarheid. Bij een excoriatiestoornis en trichotillomanie staat het aanleren van zelfcontrole centraal, waardoor ze hun ongewenste gewoonte beter leren beheersen.
R. van Deth

11. Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen

Samenvatting
Spanningsbronnen of stressoren stellen de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van mensen op de proef. Wanneer men deze stressoren als bedreigend ervaart, ontstaat stress. Dit gaat met tal van klachten en symptomen gepaard. Er kunnen stoornissen in het gevoelsleven optreden en allerlei lichamelijke klachten.
Naast de ernst en duur van de stressor, bepalen vooral de wijze waarop betrokkenen hiermee omgaan (coping), bepaalde persoonlijkheidskenmerken en sociale ondersteuning of er een aanpassingsstoornis ontstaat. Bij de behandeling worden veelal eerst de spanningsklachten aangepakt en vervolgens het copinggedrag en de stressor zelf. Bij gecompliceerde rouw gaat het er om de rouwverwerking weer op gang te brengen, vooral door het vermijdingsgedrag en niet-helpende gedachten aan te pakken.
Na een psychotrauma (blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld) kan een acute of posttraumatische- stressstoornis (PTSS) ontstaan. De patiënten kunnen diverse klachten vertonen en hebben last van herbelevingen van de schokkende ervaring. Exposure en EMDR zijn hier veel toegepaste therapieën.
R. van Deth

12. Dissociatieve stoornissen

Samenvatting
Bij dissociatieve stoornissen is er tijdelijk en gedeeltelijk een verstoring in de samenhang van het bewustzijn. Dat kan zijn weerslag hebben op het geheugen en de ervaring van de eigen persoon (zelfgevoel). Dissociatieve amnesie is een vorm van ernstig geheugenverlies voor persoonlijke informatie. Soms wordt deze psychogene geheugenstoornis gesimuleerd om er voordeel mee te behalen (bijvoorbeeld in rechtszaken). Bij de dissociatieve identiteitsstoornis bepalen regelmatig twee, maar vaak veel meer deelpersoonlijkheden of alters het gedrag. Deze stoornis wordt dikwijls verward met schizofrenie en borderline-persoonlijkheidsstoornis. Vrijwel altijd spelen traumatische jeugdervaringen als seksueel en lichamelijk misbruik mee.
Dissociatie zou functioneren als een overlevingsstrategie door pijnlijke ervaringen geheel of gedeeltelijk uit het bewustzijn te verdringen. Daarom werd in het verleden vaak met hypnose gepoogd ‘verdwenen’ herinneringen op te wekken of traumatische ervaringen te herbeleven en verwerken. Het gevaar bestaat echter dat te sterke therapeutische suggesties het geheugen vervormen en de neiging tot dissociëren aanwakkeren. Voor men aan enige vorm van traumatherapie begint, moet de behandeling zich richten op het verminderen van het problematische gedrag in de huidige leefsituatie. Patiënten moeten leren omgaan met spanningen en conflicten zonder te dissociëren. Vaak is een gezond sociaal netwerk daarbij onontbeerlijk.
R. van Deth

13. Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen

Samenvatting
Patiënten met de ziekteangststoornis zijn uitzonderlijk bezorgd dat zij aan een ernstige lichamelijke ziekte (gaan) lijden en bezoeken allerlei artsen ter geruststelling, terwijl er hoogstens lichte lichamelijke klachten zijn. Bij een somatisch-symptoomstoornis is sprake van dezelfde aanhoudende overbezorgdheid, maar dan in combinatie met ten minste matige lichamelijke klachten. Bij een conversiestoornis is – meestal na een ingrijpende gebeurtenis – op medisch onverklaarbare wijze de werking van spieren of zintuigen gestoord.
Veel patiënten met een somatisch-symptoomstoornis of ziekteangststoornis staan niet (meteen) open voor een psychologische benadering, omdat dit in hun ogen een miskenning betekent van hun zorgen. Grondig medisch onderzoek is zeker noodzakelijk, maar mag niet nodeloos worden herhaald, omdat dit het ziektegedrag versterkt. Een goede samenwerking tussen medici en psychosociale hulpverleners is vereist. Terwijl één arts de lichamelijke conditie ernstig neemt, wordt geleidelijk naar een begripvolle, niet-confronterende psychologische aanpak overgeschakeld. Met cognitieve gedragstherapie worden vervolgens de onderliggende overtuigingen en gedachten aangepakt en wordt de aandacht verlegd naar andere onderwerpen. Doel is dat de patiënt beter leert omgaan met de overbezorgdheid en (de gevolgen van) de lichamelijke problemen.
R. van Deth

14. Voedings- en eetstoornissen

Samenvatting
Bij jonge kinderen treden voedingsstoornissen op die men zelden ziet bij volwassenen. Daartoe behoren pica, ruminatiestoornis en vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis. Tot de eetstoornissen behoort anorexia nervosa met twee vormen: het restrictieve type (dat ‘vast’) en het eetbuien-/purgerende type (dat ‘vreet-braakt-purgeert’’). Dit laatste type is soms lastig af te bakenen van boulimia nervosa of vraatzucht. Daarnaast wordt de eetbuistoornis onderscheiden, die tot overgewicht kan leiden.
De verschillende verklaringen worden gecombineerd in een biopsychosociaal model. Gedragstherapie leert anorexiapatiënten stapsgewijs met een stijgend gewicht om te gaan. Bij boulimia nervosa en eetbuistoornis moeten patiënten leren zelf controle over hun eetgedrag te houden. Cognitieve therapie probeert de irrationele opvattingen over voeding, gewicht en uiterlijk te corrigeren. Bij gezins- en psychotherapie staan de interpersoonlijke problemen centraal. In de praktijk worden verschillende therapieën gecombineerd om zowel de eet- en gewichtsproblemen als het zelfbeeld en het sociaal functioneren aan te pakken. Ondanks behandeling bestaat bij ongeveer een derde van de patiënten het risico dat de eetstoornis chronisch wordt (of herhaaldelijk terugval vertoont).
R. van Deth

15. Slaap-waakstoornissen

Samenvatting
Patiënten met een insomniastoornis hebben last van in- of doorslaapproblemen of zijn na een redelijk aantal uren slaap niet voldoende uitgerust. Naast biologische factoren kunnen een onrealistisch verwachtingspatroon van de slaap, bepaalde leerervaringen, stress en een slechte slaap-waakhygiëne de problemen verergeren.
Bij een circadianeritme-slaap-waakstoornis moet men de slaaptijden geleidelijk bijstellen, zodat de biologische klok weer in het normale dag-nachtritme staat. Bij een nachtmerriestoornis verstoren beangstigende dromen herhaaldelijk de slaap, maar anders dan bij de non-REM-slaap-arousalstoornissen herinnert iemand zich die verstoring ’s ochtends nog. Kenmerkend voor deze laatste stoornissen zijn pavor nocturnus en slaapwandelen. Bij pavor nocturnus of nachtelijke angstaanval wordt men herhaaldelijk schreeuwend wakker.
Patiënten met een hypersomnolentiestoornis hebben last van grote slaperigheid. Bij narcolepsie zijn er onbedwingbare slaapaanvallen overdag. Bij deze stoornissen worden vaak stimulerende middelen als amfetaminen voorgeschreven. Bij slaapapneu wordt de slaap talloze malen onderbroken door adempauzes, vaak doordat de luchtdoorstroming in het neus-keelgebied belemmerd wordt. De behandeling richt zich dan ook op verbetering van de ademhaling tijdens de slaap, of operatief ingrijpen. Een goede slaap-waakhygiëne met leefregels voor vaste slaaptijden, voldoende beweging overdag en beperking van middelen als koffie en alcohol zijn bij alle slaap-waakstoornissen van groot belang.
R. van Deth

16. Stoornissen rond seksualiteit en sekse

Samenvatting
Bij seksuele disfuncties of seksuele stoornissen doet zich een probleem voor in een fase van de seksuele responscylus. Het verlangen naar seksualiteit kan verminderd zijn (bij mannen: hypoactief-seksueelverlangenstoornis) en in de tweede fase kan zich een erectiestoornis voordoen. In de eerste en tweede fase kan bij vrouwen een seksuele-interesse-/opwindingsstoornis optreden. In de derde fase kunnen orgasmestoornissen voorkomen en voortijdige ejaculatie. Tijdens of na de gemeenschap kan bij vrouwen ook pijn of verkramping in de onderbuik optreden. Sommige disfuncties worden behandeld met sekstherapie, waarbij de seksuele activiteiten bij het vrijen eerst sterk beperkt worden en vervolgens geleidelijk worden uitgebreid.
Mensen met een parafiele stoornis hebben een afwijkende seksuele voorkeur waaronder zij en/of anderen gebukt gaan. De meest voorkomende zijn de exhibitionisme-, fetisjisme-, transvestie-, voyeurisme-, pedofiele, seksueel-sadisme- en seksueel-masochismestoornis. Naast medicijnen die de seksuele drang onderdrukken wordt cognitieve gedragstherapie toegepast. De resultaten zijn echter teleurstellend (vaak terugval) en dit is voor een deel toe te schrijven aan het gebrek aan motivatie van de betrokkenen.
Mensen met genderdysforie hebben heel sterk het gevoel dat zij geboren zijn in het lichaam van de andere sekse. Voor deze vrij zeldzame stoornis is geslachtsverandering met hormoontherapie en chirurgisch ingrijpen meestal de enige oplossing.
R. van Deth

17. Impulsbeheersingsstoornissen en gedragsstoornissen

Samenvatting
Impulsbeheersingsstoornissen zijn vrij zeldzaam, maar kunnen tot aanzienlijke sociale problemen leiden. Kleptomanen kunnen moeilijk weerstand bieden aan de drang tot stelen, zonder overigens belang te hechten aan het gestolen goed. Pyromanie is de onweerstaanbare drang tot brandstichten en bij de periodiek explosieve stoornis gaat het om onverwachte agressieve uitbarstingen. Veel impulsbeheersingsstoornissen worden behandeld met cognitieve gedragstherapie, die gericht is op het vergroten van de zelfcontrole. Een gunstig effect is ook beschreven van antidepressiva die de activiteit van serotonine verbeteren; een tekort aan deze neurotransmitter wordt in verband gebracht met impulsiviteit. In het algemeen hebben patiënten met impulsbeheersingsstoornissen ook na behandeling een aanzienlijke kans op terugval.
Jongeren met de normoverschrijdend-gedragsstoornis hebben geen enkel respect voor de rechten van anderen en kunnen zich moeilijk verplaatsen in anderen. De stoornis komt vooral bij jongens voor en velen van hen begeven zich op het criminele vlak. Vermoedelijk zijn zij van nature beweeglijker, hebben ze een verlaagd opwindingsniveau en zijn ze moeilijker te hanteren dan andere kinderen. Een ongunstige gezinssituatie kan bepalend zijn of deze genetische kwetsbaarheid zich ontwikkelt tot een normoverschrijdend-gedragsstoornis. In plaats van medicatie zijn cognitieve gedrags- en gezinstherapie zinvoller.
R. van Deth

18. Stoornissen in het gebruik van alcohol en drugs

Samenvatting
Psychoactieve stoffen kunnen vergiftiging (intoxicatie), psychische en fysieke afhankelijkheid of verslaving veroorzaken. Gebruik is afhankelijk van de beschikbaarheid van de drug en kan beginnen onder druk van een groep of uit nieuwsgierigheid. Bij het ontstaan van verslaving spelen genetische kwetsbaarheid, biochemische processen in de hersenen en leerprocessen een rol. Tolerantie, onthoudingsverschijnselen, psychosociale en cognitieve problemen leiden tot instandhouding of verergering van de verslaving.
Er worden drie groepen psychoactieve stoffen onderscheiden:
1.
bewustzijnsverlagende middelen (alcohol en opiaten (opium, morfine, heroïne, methadon));
 
2.
stimulerende middelen (amfetaminen, cocaïne, cafeïne, nicotine);
 
3.
bewustzijnsveranderende middelen (marihuana, hasj en hallucinogenen als LSD).
 
De middelen GHB en XTC zijn in deze driedeling niet onder te brengen met kenmerken van vooral bewustzijnsverlagende en stimulerende middelen.
De behandeling van verslavingen bestaat allereerst uit ontgifting en aanpak van medische complicaties. Naast motiverende gespreksvoering wordt een zelfcontroleprogramma uitgewerkt. Om de sociale druk tot alcohol- of drugsgebruik te weerstaan, wordt sociale vaardigheidstraining aangeboden. Partnerrelatie- of gezinstherapie kan nodig zijn en vaak vereisen sociale problemen (werk, financiën, justitie) begeleiding door het maatschappelijk werk. Bij veel verslaafden zijn de kansen op blijvend herstel echter niet groot en moet men rekening houden met (herhaalde) terugval.
R. van Deth

19. Neurocognitieve stoornissen

Samenvatting
Bij neurocognitieve stoornissen is sprake van verminderd cognitief functioneren door hersenafwijkingen die op latere leeftijd ontstaan. Een delier behoort tot deze stoornissen. Kenmerkend zijn een vrij plotseling optreden van een verlaagd bewustzijn, concentratie- en oriëntatiestoornissen, hallucinaties en waanideeën. Een delier komt vooral voor bij oudere patiënten in een algemeen ziekenhuis. De behandeling richt zich steeds op de onderliggende oorzaak en meestal verdwijnt het delier dan binnen enkele dagen of weken.
Daarnaast onderscheidt men al naar gelang de oorzaak de volgende andere belangrijke neurocognitieve stoornissen: vasculaire hersenaantasting, frontotemporale hersenaantasting en hersenaantasting met lewylichaampjes. De meest voorkomende neurocognitieve stoornis is echter de ziekte van Alzheimer (‘dementie’). Kenmerken hiervan zijn het geleidelijk ontstaan van cognitieve beperkingen (afasie, agnosie, apraxie) en vooral geheugenproblemen. De ziekte gaat gepaard met het afsterven van hersencellen, ophoping van eiwitten en kluwens van vezels in de hersenen. Genetische kwetsbaarheid lijkt bij het ontstaan van deze afbraak van het hersenweefsel een belangrijke rol te spelen. Voor de ziekte van Alzheimer bestaat geen effectieve behandeling. Psychologische methoden als realiteitsoriëntatietraining (in het beginstadium) en validatie (in latere stadia) kunnen wel het welzijn van patiënten verbeteren.
R. van Deth

20. Persoonlijkheidsstoornissen

Samenvatting
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen in drie groepen onderscheiden worden:
1.
Cluster A wordt gekenmerkt door vreemde of excentrieke gedragingen en bestaat uit paranoïde, schizoïde- en schizotypische-persoonlijkheidsstoornissen. Deze groep stoornissen lijkt sterk op schizofrenie, maar wanen en hallucinaties ontbreken.
 
2.
Cluster B heeft dramatische, emotionele, of onvoorspelbare gedragingen gemeen en bestaat uit de antisociale-, borderline-, histrionische- en narcistische-persoonlijkheidsstoornissen.
 
3.
Bij cluster C staat angst centraal en hiertoe behoren de vermijdende-, afhankelijke- en dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis.
 
Persoonlijkheidsstoornissen ontstaan in een wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Specifieke psychotherapievormen zijn voor deze stoornissen de aangewezen vorm van behandeling: psychodynamische (overdrachtsgerichte en mentaliseren bevorderende therapie) en cognitief-gedragstherapeutische (dialectische gedragstherapie en schemagerichte therapie). Met deze betrekkelijk recente vormen van psychotherapie zijn de resultaten van behandeling bij persoonlijkheidsstoornissen verbeterd. Blijvende veranderingen in de persoonlijkheid vragen echter jarenlange, intensieve therapie. Een aantal persoonlijkheidsstoornissen wordt vanaf het veertigste levensjaar vanzelf minder.
R. van Deth

Nawerk

Meer informatie

Extras