Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek biedt een toegankelijk overzicht van alle facetten van de moderne psychiatrie: van diagnose tot behandeling. Daarbij wordt nadrukkelijk ingegaan op innovatieve bewegingen in de Nederlandse GGZ, zoals eigen regie, herstel, gezamenlijke besluitvorming, zelfmanagement en ervaringsdeskundigheid. Het boek is gericht op iedereen die in zijn werk of studie te maken krijgt met psychische problematiek.

De zesde druk van Psychiatrie: Van diagnose tot behandeling is inhoudelijk verbeterd, geactualiseerd en uitgebreid, waardoor het completer is geworden. De nieuwe opmaak met tal van illustraties maakt het boek aantrekkelijker en overzichtelijker.

In ieder hoofdstuk is een studieblok opgenomen met samenvattingen, kernbegrippen en doelen. Ook biedt deze editie studenten ruime mogelijkheden om hun kennis en inzicht te oefenen en te toetsen met flashcards én 260 multiplechoicevragen. De uitgebreide website bij dit boek heeft behalve links naar video’s, films, websites en boeken, ook videoclips die belangrijke aspecten van de hoofdstukken toelichten. Door deze toevoegingen offline en online is het boek uitermate geschikt als studiemateriaal.

Een ander belangrijk nieuw element zijn de psycho-educatieve teksten. Deze maken duidelijk wat zorgprofessionals te bieden hebben, maar vooral wat cliënten en hun directe omgeving zélf kunnen doen. Hiermee richt het boek zich ook op mensen met psychische problematiek.

Psychiatrie: Van diagnose tot behandeling is geschreven door drs. Ron van Deth. Hij is psycholoog en publicist en verbonden aan het Europees Instituut voor Educatie in Driebergen. Hij was jarenlang eindredacteur van PsychoPraktijk en schreef onder andere Psychotherapie: Van theorie tot praktijk, Inleiding in de psychopathologie en (als co-auteur) Pedagogische adviezen voor speciale kinderen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Diagnostiek en benadering

Voorwerk

1. Psychiatrie en maatschappij

Samenvatting
  • Opvattingen over ‘gek’ of ‘gestoord’ gedrag zijn sterk tijd- en cultuurgebonden. Vergeleken met lichamelijke ziekten is een psychische stoornis moeilijker objectief, wetenschappelijk te benaderen.
  • De psychiatrie volgt over het algemeen het medische model. Na een beschrijving en ordening van de kenmerken van de stoornis (diagnose) zoekt men naar de mogelijke verklaringen en op grond hiervan een geschikte behandeling of therapie. Daarbij veronderstelt men (prognose) dat het verdere verloop van de stoornis gunstig wordt beïnvloed. In het beste geval kan men maatregelen treffen om de stoornis te voorkomen (preventie).
  • Inmiddels wordt het medische model geleidelijk aangepast. Op basis van een veel gelijkwaardigere werkrelatie tussen zorgverlener en cliënt komt de zorgvraag centraler te staan, groeit het belang van de context, het cliëntperspectief en de regie die cliënten over hun leven en hun zorg voeren.
  • De grote meerderheid van cliënten komt terecht bij allerlei vormen van ambulante zorg. De ggz is georganiseerd in basis-ggz, generalistische basis-ggz en (hoog-) specialistische ggz.
Ron van Deth

2. Diagnose

Samenvatting
  • Het Amerikaanse classificatiesysteem DSM-5 ordent de psychische stoornissen onder andere op basis van een ontwikkelingsperspectief: naarmate een stoornis vroeger in de levensloop kan optreden, staat deze meer vooraan, zowel bij de indeling van de hoofdgroepen als bij de ordening binnen elke hoofdgroep. Classificeren is echter niet de kern van diagnosticeren, terwijl de kritiek op dit systeem groeit. Zo zou het systeem leiden tot toenemende psychiatrisering en kan etikettering nadelige gevolgen hebben voor cliënten.
  • Diagnostiek verloopt bij voorkeur systematisch met behulp van het diagnostisch interview en is afgestemd op de individuele cliënt. Hierin worden allereerst gegevens over het leven van de cliënt verzameld (anamnese). Daarnaast is de interviewer gespitst op een beoordeling van de psychische toestand van de cliënt. Om deze informatie volledig te maken, is vaak een lichamelijk onderzoek (o.a. hersenonderzoek) noodzakelijk en kan ook gebruik worden gemaakt van psychodiagnostische tests. Bij verantwoorde diagnostiek wordt systematisch de kennis, ervaring en verwachtingen van cliënten en hun naasten betrokken.
Ron van Deth

3. Verklaring

Samenvatting
  • Bij de verklaring van psychische problematiek wordt een onderscheid gemaakt tussen voorbeschikking of kwetsbaarheid, uitlokkende, bestendigende en beschermende factoren.
  • Een verklaring berust meestal op een biopsychosociale zienswijze: een psychische stoornis als resultaat van een samenspel van lichamelijke, psychische en sociale factoren.
  • Biologische verklaringen gaan uit van de veronderstelling dat psychische stoornissen voortkomen uit een verstoring in het lichamelijk functioneren, met name van het centrale zenuwstelsel. Moderne beeldvormende technieken, zoals scans, kunnen veranderingen of disfuncties in de hersenen nauwkeurig in kaart brengen. Aanwijzingen voor genetische kwetsbaarheid komen voort uit adoptiestudies. De biologische verstoring (aangeboren of verworven) aan de basis van psychische problematiek wordt vooral gezocht in de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen van specifieke hersendelen. Voor deze prikkelgeleiding zijn scheikundige stoffen nodig; de neurotransmitters.
  • Tegenover deze biologische verklaringen staat een brede waaier van psychosociale opvattingen over het ontstaan van psychische stoornissen: leertheorie (conditionering), cognitieve theorie, systeemtheorie en milieutheorie.
Ron van Deth

4. Behandeling

Samenvatting
  • Wanneer biologische factoren een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van een psychische stoornis, worden vaak eerst biologische behandelopties overwogen. De meest voorkomende biologische behandeloptie bestaat uit psychofarmaca: antipsychotica (bij psychosen), antidepressiva (bij depressies), lithium (bij bipolaire-stemmingsstoornissen) en benzodiazepinen (bij angst).
  • Psychotherapie is de behandeling van psychische problemen of stoornissen met behulp van psychologische methoden door daartoe opgeleide deskundigen. De belangrijkste richting is de cognitieve gedragstherapie. ‘Eclectische’ therapeuten combineren elementen uit verschillende therapierichtingen.
  • De sociaalpsychiatrische zorg is vooral gericht op de wisselwerking tussen psychische problematiek en maatschappelijke verhoudingen. Bij acuut optredende problemen is een snelle interventie in de concrete leefsituatie van de persoon-in-crisis nodig. Vooral bij cliënten met een ernstige of chronische psychische stoornis wordt steeds vaker herstelgerichte zorg bepleit: mensen voeren zo veel mogelijk de regie over hun leven, benutten hun mogelijkheden voor optimaal functioneren in hun directe omgeving en de maatschappij.
Ron van Deth

5. Verloop en preventie

Samenvatting
  • Epidemiologie is de studie naar het vóórkomen van een ziekte of stoornis in een bepaalde bevolkingsgroep. De uitkomsten zijn niet alleen nuttig voor verder onderzoek, maar ook voor het beleid in de gezondheidszorg.
  • Als een stoornis langer dan zes maanden blijft bestaan, spreken we van een chronisch verloop. Een chronische stoornis gaat meestal gepaard met een zekere mate van beperking in de sociale aanpassing van de betrokkene. Men kan er dan naar streven de resterende functies zo optimaal mogelijk te benutten via herstelgerichte zorg (tertiaire preventie), maar het is beter om snel en effectief in te grijpen zodra de stoornis optreedt (secundaire preventie). Het is nog beter om de stoornis te voorkómen (primaire preventie).
  • De begeleiding van (asiel)migranten vereist van westerse zorgverleners een cultuursensitieve aanpak. Veel kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) of van verslaafde ouders (KVO) hebben specifieke ondersteuning nodig, naast het verbeteren van de interactie met de ouders.
Ron van Deth

Psychische stoornissen

Voorwerk

6. Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen

Samenvatting
  • Bij neurobiologische ontwikkelingsstoornissen gaat het om problemen in de ontwikkeling, waarbij hersenafwijkingen een belangrijke rol spelen. Ze beginnen in de kindertijd, maar duren vaak tot in de volwassenheid voort. De belangrijkste zijn: verstandelijke beperking, autismespectrumstoornis, ADHD en ticstoornissen.
  • Mensen met een verstandelijke beperking hebben een lager IQ en hebben in meer of mindere mate moeite zich zelfstandig te handhaven in de samenleving. Een verstandelijke beperking kan tal van oorzaken hebben.
  • Autismespectrumstoornis (ASS) gaat gepaard met tekortkomingen in sociale communicatie, beperkte, stereotiepe gedragspatronen en eenzijdige interesses. Cognitief-gedragstherapeutische technieken leren cliënten vooral om te gaan met de beperkingen.
  • Mensen met ADHD zijn onrustig, chaotisch en ongeorganiseerd, waardoor zij dikwijls negatieve reacties oproepen. Cognitieve gedragstherapie – soms in combinatie met medicatie – en een helder gestructureerde omgeving kan het verloop gunstig beïnvloeden.
  • Ticstoornissen (waaronder het tourettesyndroom) worden gekenmerkt door onopzettelijke, herhaalde motorische bewegingen of verbale uitingen. Naast sommige antipsychotica en clonidine worden vaak cognitief-gedragstherapeutische technieken geadviseerd.
Ron van Deth

7. Schizofrenie en andere psychotische stoornissen

Samenvatting
  • Vooral door hallucinaties en wanen is bij een psychose de relatie met de werkelijkheid sterk verstoord.
  • Bij hallucinaties meent de cliënt iets waar te nemen wat er in werkelijkheid niet is. Wanen zijn niet te corrigeren, onjuiste overtuigingen die behoren tot de inhoudelijke denkstoornissen.
  • De belangrijkste psychosen zijn schizofrenie en andere psychotische stoornissen zoals: de waanstoornis, kortdurende psychotische stoornis, schizofreniforme stoornis en gedeelde psychotische stoornis.
  • Schizofrenie wordt gekenmerkt door een breed scala van cognitieve, emotionele en gedragsafwijkingen. De symptomen worden verdeeld in ‘positieve’, zoals hallucinaties en wanen, en ‘negatieve’, zoals verminderde emotionele expressie, initiatiefverlies en spraakarmoede.
  • Bij schizofrenie is vaak sprake van genetische kwetsbaarheid. Verder berust de stoornis op structurele en biochemische hersenafwijkingen, mogelijk een gevolg van geboortecomplicaties of virusinfecties. De belangrijkste biologische behandeloptie is antipsychotica, in combinatie met een brede psychosociale aanpak in de vorm van cognitieve gedragstherapie, psycho-educatie en herstelgerichte zorg.
Ron van Deth

8. Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen

Samenvatting
  • Bij depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen is de stemming langdurig en ernstig ontregeld.
  • De depressieve stoornis wordt gekenmerkt door abnormale neerslachtigheid en lusteloosheid. Dikwijls zijn cliënten met de dood bezig en sommige doen ook daadwerkelijk suïcidepogingen. Hierbij spelen zowel biologische als psychologische en sociale factoren een rol. In de praktijk worden met name bij de ernstige vormen dan ook verschillende behandelingen gecombineerd. Naast biologische behandeling met antidepressiva wordt gebruikgemaakt van cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke psychotherapie en soms elektroconvulsieve therapie (ECT).
  • Een manische periode wordt gekenmerkt door uitzonderlijke energie, vrolijkheid, zelfoverschatting en grote prikkelbaarheid. Manische periodes wisselen vrijwel altijd af met depressieve periodes (bipolaire-stemmingsstoornissen). Afhankelijk van de mate waarin de verschillende depressieve en (hypo)manische periodes voorkomen, worden onderscheiden: bipolaire-I-stoornis, bipolaire-II-stoornis en cyclothyme stoornis. De stoornissen worden vooral langdurig behandeld met lithium. Daarnaast is cognitieve gedragstherapie en ondersteuning vanuit de directe omgeving voor de cliënt onmisbaar.
Ron van Deth

9. Angststoornissen

Samenvatting
  • Angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychische aandoeningen. Rond de 15 tot 20 % van de bevolking – onder wie vooral vrouwen – krijgt ooit te maken met angststoornissen.
  • Onderscheiden worden: specifieke fobieën, sociale-angststoornis, selectief mutisme, separatieangststoornis, paniekstoornis, gegeneraliseerde-angststoornis, paniekstoornis en agorafobie. Ze komen het meeste voor tussen 25 en 45 jaar. Veelal spelen verschillende factoren in meer of mindere mate een rol:
    biologische factoren, zoals genetische kwetsbaarheid, neurobiologische afwijkingen en aangeboren angstgevoeligheid;
    psychologische factoren, zoals traumatische (jeugd)ervaringen en eenzaamheid;
    sociale factoren, zoals gezinssituatie, opvoeding, geringe sociale vaardigheden en gepest worden.
  • Heel wat angststoornissen zijn volgens de leertheorie geconditioneerde reacties, waarbij vooral het vermijdingsgedrag de stoornis in stand houdt. De cognitieve theorie benadrukt dat angstcliënten er vaak irrationele gedachten op nahouden.
  • Aangezien het vermijdingsgedrag de angst in stand houdt, is blootstelling (exposure) aan de angstsituatie een belangrijke behandeloptie en probeert men de onredelijke gedachtegang of interpretatie van cliënten te corrigeren. Andere behandelopties zijn: socialevaardigheidstraining, ontspanningsoefeningen, Acceptance and Commitment Therapy (ACT) en mindfulness.
Ron van Deth

10. Dwangstoornissen

Samenvatting
  • Mensen met dwangstoornissen slagen er niet in herhaalde, ongewilde gedachten en/of handelingen te onderbreken of te stoppen. De dwanggedachten roepen hevige angst en spanning op, die ze met dwanghandelingen proberen te verminderen. Daardoor blijven op de langere termijn de dwanggedachten echter in stand.
  • Onderscheiden worden: de obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), excoriatiestoornis (huidpulkstoornis), trichotillomanie (haaruittrekstoornis), morfodysfore stoornis (ingebeelde lelijkheid) en verzamelstoornis (dwangmatig verzamelen).
  • Een belangrijke behandeloptie bij dwangstoornissen is vooral exposure met responspreventie: blootstelling aan situaties die dwanggedachten oproepen zonder dat de cliënt de dwanghandelingen mag uitvoeren. Daarnaast worden dwanggedachten vaak met cognitieve gedragstherapie in de werkelijkheid getoetst op hun houdbaarheid. Bij een excoriatiestoornis en trichotillomanie staat het aanleren van zelfcontrole centraal, waardoor ze hun ongewenste gewoonte beter leren beheersen.
Ron van Deth

11. Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen

Samenvatting
  • Spanningsbronnen of stressoren stellen de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van mensen op de proef. Wanneer iemand deze stressoren als bedreigend ervaart, kan stress ontstaan.
  • Stress gaat gepaard met tal van klachten en symptomen. Zo kunnen er stoornissen in het gevoelsleven optreden en allerlei lichamelijke klachten.
  • Naast de ernst en duur van de stressor bepalen vooral de wijze waarop betrokkenen hiermee omgaan (coping), bepaalde persoonlijkheidskenmerken en sociale ondersteuning of er een aanpassingsstoornis ontstaat. Bij de behandeling worden veelal eerst de spanningsklachten aangepakt en vervolgens het copinggedrag en de stressor zelf.
  • Na een psychotrauma (blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld) kan een acute of posttraumatische-stressstoornis (PTSS) ontstaan. Cliënten kunnen uiteenlopende stressklachten vertonen en hebben last van herbelevingen van de schokkende ervaring.
  • Traumagerichte cognitieve gedragstherapie en EMDR zijn belangrijke behandelopties bij PTSS.
Ron van Deth

12. Dissociatieve stoornissen

Samenvatting
  • Bij dissociatieve stoornissen is tijdelijk en gedeeltelijk de samenhang van het bewustzijn verstoord. Dat kan zijn weerslag hebben op het geheugen en de ervaring van de eigen persoon (zelfgevoel).
  • Dissociatieve amnesie is een vorm van ernstig geheugenverlies voor persoonlijke informatie. Soms wordt zo’n geheugenstoornis gesimuleerd om er voordeel mee te behalen (bijvoorbeeld in rechtszaken).
  • Bij de dissociatieve identiteitsstoornis bepalen regelmatig twee – maar vaak veel meer – deelpersoonlijkheden, identiteiten of ‘alters’ het gedrag.
  • Dissociatie zou een overlevingsstrategie zijn door pijnlijke ervaringen geheel of gedeeltelijk uit het bewustzijn te verdringen. Daarom werd in het verleden vaak met hypnose gepoogd om ‘verdwenen’ herinneringen op te wekken of traumatische ervaringen te herbeleven en verwerken.
  • Cliënten moeten leren omgaan met spanningen en conflicten zonder te dissociëren. Daarnaast wordt gewerkt aan traumaverwerking en de integratie van de identiteiten. Vaak is de opbouw van een evenwichtig sociaal netwerk daarbij onmisbaar.
Ron van Deth

13. Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen

Samenvatting
  • Mensen met de ziekteangststoornis zijn uitzonderlijk bezorgd dat zij aan een ernstige lichamelijke ziekte (gaan) lijden en bezoeken allerlei artsen ter geruststelling, terwijl er hoogstens lichte lichamelijke klachten zijn.
  • Bij een somatisch-symptoomstoornis is sprake van dezelfde aanhoudende overbezorgdheid, maar dan in combinatie met ten minste matige lichamelijke klachten.
  • Bij een conversiestoornis is – meestal na een ingrijpende gebeurtenis – op medisch onverklaarbare wijze de werking van spieren of zintuigen gestoord.
  • Veel cliënten met een somatisch-symptoomstoornis of ziekteangststoornis staan niet (meteen) open voor een psychologische benadering, omdat dit in hun ogen een miskenning betekent van hun problematiek. Grondig medisch onderzoek is zeker noodzakelijk, maar mag niet nodeloos worden herhaald, omdat dit het ziektegedrag versterkt.
  • Met cognitieve gedragstherapie worden vervolgens de onderliggende overtuigingen en gedachten aangepakt en wordt de aandacht verlegd naar andere onderwerpen. Het doel is dat de cliënt beter leert omgaan met de overbezorgdheid en (de gevolgen van) de lichamelijke problemen.
Ron van Deth

14. Voedings- en eetstoornissen

Samenvatting
  • Bij jonge kinderen treden voedingsstoornissen op die men zelden ziet bij volwassenen. Daartoe behoren pica, ruminatiestoornis en vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis (orthorexia nervosa).
  • Tot de eetstoornissen behoort anorexia nervosa met twee vormen: het restrictieve type (dat ‘vast’) en het eetbuien-/purgerende type (dat ‘overeet-braakt-purgeert’). Dit laatste type is soms lastig af te bakenen van boulimia nervosa of vraatzucht. Daarnaast wordt de eetbuistoornis onderscheiden, die tot overgewicht kan leiden.
  • Cognitieve gedragstherapie leert mensen met anorexia nervosa stapsgewijs met een stijgend gewicht om te gaan. Bij boulimia nervosa en eetbuistoornis gaan cliënten leren zelf controle over hun eetgedrag te houden. Daarnaast probeert men de irrationele opvattingen over voeding, gewicht en uiterlijk te corrigeren. Bij systeem- en psychotherapie staan de interpersoonlijke problemen centraal.
  • In de praktijk worden verschillende therapieën gecombineerd om zowel de eet- en gewichtsproblemen als het negatief zelfbeeld en het sociaal functioneren te veranderen.
Ron van Deth

15. Slaap-waakstoornissen

Samenvatting
  • Mensen met een insomniastoornis hebben last van in- of doorslaapproblemen of zijn na een redelijk aantal uren slaap niet voldoende uitgerust. Naast biologische factoren kunnen een onrealistisch verwachtingspatroon van de slaap, bepaalde leerervaringen, stress en een slechte slaap-waakhygiëne de problemen verergeren.
  • Mensen met een hypersomnolentiestoornis hebben last van grote slaperigheid. Bij narcolepsie zijn er onbedwingbare slaapaanvallen overdag. Bij deze stoornissen worden vaak stimulerende middelen als amfetaminen voorgesteld.
  • Andere slaap-waakstoornissen zijn de circadianeritme-slaap-waakstoornis, de non-REM-slaap-arousalstoornissen en slaapapneu.
  • Een goede slaap-waakhygiëne – met leefregels voor vaste slaaptijden, voldoende beweging overdag en beperking van middelen als koffie en alcohol – is bij alle slaap-waakstoornissen een belangrijke behandeloptie. Benzodiazepinen worden wel veel voorgeschreven, maar moeten hoogstens voor korte tijd worden gebruikt.
Ron van Deth

16. Stoornissen rond seksualiteit en sekse

Samenvatting
  • Bij seksuele disfuncties of seksuele stoornissen doet zich een probleem voor in een fase van de seksuele responscyclus. Onderscheiden worden hypoactief-seksueelverlangenstoornis, erectiestoornis, seksuele-interesse-/opwindingsstoornis, orgasmestoornis, voortijdige ejaculatie en pijn bij het vrijen. Sommige disfuncties worden behandeld met sekstherapie, waarbij de seksuele activiteiten bij het vrijen eerst sterk beperkt worden en vervolgens geleidelijk worden uitgebreid.
  • Mensen met een parafiele stoornis hebben een afwijkende seksuele voorkeur, waaronder zijzelf en/of anderen gebukt gaan. De meest voorkomende zijn de exhibitionisme-, fetisjisme-, transvestie-, voyeurisme-, pedofiele, seksueel-sadisme- en seksueel-masochismestoornis. Naast medicijnen die de seksuele drang onderdrukken, wordt cognitieve gedragstherapie toegepast.
  • Mensen met genderdysforie hebben heel sterk het gevoel dat zij geboren zijn in het lichaam van de andere sekse. Voor deze vrij zeldzame stoornis kunnen geslachtsverandering met hormoontherapie en chirurgisch ingrijpen een oplossing zijn, al heeft niet iedereen daaraan behoefte.
Ron van Deth

17. Impulsbeheersingsstoornissen en gedragsstoornissen

Samenvatting
  • Impulsbeheersingsstoornissen zijn vrij zeldzaam, maar kunnen tot aanzienlijke sociale en maatschappelijke problemen leiden.
  • Mensen met kleptomanie kunnen moeilijk weerstand bieden aan de drang tot stelen, zonder overigens belang te hechten aan het gestolen goed. Pyromanie is de onweerstaanbare drang tot brandstichten. Bij de periodiek explosieve stoornis gaat het om onverwachte agressieve uitbarstingen.
  • Veel impulsbeheersingsstoornissen worden behandeld met cognitieve gedragstherapie, die gericht is op het vergroten van zelfcontrole.
  • Jongeren met de normoverschrijdend-gedragsstoornis hebben geen enkel respect voor de rechten van anderen en kunnen zich moeilijk verplaatsen in anderen. De stoornis komt vooral bij jongens voor en velen van hen begeven zich op het criminele vlak. Vooral een ongunstige gezinssituatie kan bepalend zijn of hun genetische kwetsbaarheid zich ontwikkelt tot een normoverschrijdend-gedragsstoornis. In plaats van medicatie en een harde aanpak zijn cognitieve gedrags- en systeemtherapie zinvoller.
Ron van Deth

18. Stoornissen in het gebruik van alcohol en drugs

Samenvatting
  • Drugs of psychoactieve stoffen kunnen vergiftiging (intoxicatie), psychische en fysieke afhankelijkheid of verslaving veroorzaken.
  • Er worden drie groepen psychoactieve stoffen onderscheiden:
    • bewustzijnsverlagende middelen (alcohol en opiaten, zoals opium, morfine, heroïne, methadon en oxycodon);
    • stimulerende middelen (amfetaminen, cocaïne, cafeïne en nicotine);
    • bewustzijnsveranderende middelen (marihuana, hasj en hallucinogenen als lsd).
    De middelen GHB en xtc zijn in deze driedeling niet onder te brengen vanwege gemengde effecten.
  • Bij het ontstaan van verslaving spelen genetische kwetsbaarheid, biochemische processen in de hersenen en leerprocessen een rol. Tolerantie, onthoudingsverschijnselen, psychosociale en cognitieve problemen leiden tot instandhouding of verergering van de verslaving.
  • De behandeling van verslavingen bestaat allereerst uit ontgifting en aanpak van medische complicaties. Naast motiverende gespreksvoering wordt een zelfcontroleprogramma uitgewerkt. Om de sociale druk tot alcohol- of drugsgebruik te weerstaan, wordt socialevaardigheidstraining aangeboden. Systeemtherapie kan nodig zijn. Vaak vereisen sociale problemen (werk, financiën, justitie) sociaal-maatschappelijke begeleiding.
Ron van Deth

19. Neurocognitieve stoornissen

Samenvatting
  • Bij neurocognitieve stoornissen is er sprake van cognitieve achteruitgang door hersenafwijkingen die op latere leeftijd ontstaan.
  • Een delier behoort tot deze stoornissen. Kenmerkend zijn een vrij plotseling optreden van een veranderd bewustzijnsniveau, concentratie- en oriëntatiestoornissen, hallucinaties en waanideeën. Een delier komt vooral voor bij oudere patiënten in een algemeen ziekenhuis. De behandeling richt zich steeds op de onderliggende oorzaak en meestal verdwijnt het delier dan binnen enkele dagen of weken.
  • Daarnaast onderscheidt men al naargelang de oorzaak de volgende andere belangrijke neurocognitieve stoornissen: vasculaire hersenaantasting, frontotemporale hersenaantasting en hersenaantasting met lewylichaampjes. De meest voorkomende neurocognitieve stoornis is echter alzheimerdementie.
  • Kenmerkend voor alzheimerdementie is de geleidelijke achteruitgang van het cognitieve functioneren. De ziekte gaat gepaard met het afsterven van hersencellen, de ophoping van eiwitten en kluwens van vezels in de hersenen. Voor alzheimerdementie bestaat geen effectieve behandeling.
Ron van Deth

20. Persoonlijkheidsstoornissen

Samenvatting
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen in drie groepen verdeeld worden:
  • Cluster A wordt gekenmerkt door vreemde of excentrieke gedragingen en bestaat uit paranoïde-, schizoïde- en schizotypische-persoonlijkheidsstoornissen. Deze groep stoornissen lijkt sterk op schizofrenie, maar wanen en hallucinaties ontbreken.
  • Cluster B heeft dramatische, emotionele, of onvoorspelbare gedragingen gemeenschappelijk en bestaat uit de antisociale-, borderline-, histrionische- en narcistische-persoonlijkheidsstoornissen.
  • Bij cluster C staat angst en/of vermijding centraal en hiertoe behoren de vermijdende-, afhankelijke- en dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis.
Persoonlijkheidsstoornissen ontstaan in een wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren.
Specifieke psychotherapievormen zijn voor deze stoornissen de aangewezen vorm van behandeling: psychodynamische (overdrachtsgerichte en mentaliseren bevorderende therapie), cognitief-gedragstherapeutische (dialectische gedragstherapie) en een integrale aanpak (schematherapie). Met deze betrekkelijk recente vormen van psychotherapie zijn de resultaten van behandeling bij persoonlijkheidsstoornissen verbeterd. Blijvende veranderingen in de persoonlijkheid vragen echter jarenlange, intensieve therapie. Een aantal persoonlijkheidsstoornissen wordt vanaf het veertigste levensjaar vanzelf minder.
Ron van Deth

Nawerk

Meer informatie

Extra’s