Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Aan de hand van voorbeelden maakt dit boek duidelijk hoe psychische problemen ontstaan en hoe de weg naar herstel gevonden kan worden. Tevens beoogt dit boek begrip te wekken voor mensen die aan psychische problemen lijden. Het richt zich vooral op het gevoelsmatige aspect van het vak psychiatrie.
Voor de achtste druk is de tekst op een aantal punten herzien en aangevuld, waarbij nog meer de nadruk wordt gelegd op de invloed van angst op het ontstaan van psychische problemen. De hoofdstukken over dissociatieve stoornissen, aanpassingsstoornissen, psychosomatische problemen en schizofrenie zijn aangepast aan de laatste inzichten. Waar nodig zijn begrippen uit de classificatiesysteem DSM-III-R vervangen door het nieuwere DSM-IV. Verder is ingegaan op de consequenties die de invoering van de wet BOPZ voor de psychiatrische hulpverlening heeft.

Omdat zeer veel termen en begrippen aan de orde komen, is Psychiatrie geschikt voor mensen die een opleiding volgen voor een functie binnen de gezondheidszorg. Het is echter ook leesbaar voor mensen die iets over de psychiatrische behandelingsmethoden en de organisatie van de geestelijke gezondheidszorg te weten willen komen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Wat is psychiatrie?

Het gaat bij psychiatrie om hulpverlening bij psychische nood. Van oorsprong is het een medisch specialisme, waarvan de naam is afgeleid van ‘psyche’ en ‘iater’ (iater is het Griekse woord voor arts). Tegenwoordig gaat het niet meer om een zuiver medisch vak, maar om een breed georiënteerde hulpverlening waarin ook andere disciplines werkzaam zijn. Dat betekent echter niet dat alle vormen van hulpverlening voor mensen met psychische problemen tot de psychiatrie gerekend worden. De zwakzinnigenzorg en de verslaafdenzorg hebben een eigen circuit en zijn niet met de psychiatrie verbonden. Om alle vormen van zorg voor mensen met psychische problemen onder één noemer te brengen, heeft men gekozen voor het begrip: Geestelijke Gezondheidszorg (ggz). De ggz wordt vanwege haar brede taakgebied en haar aandacht voor preventie en bestrijding van psychische en sociale problemen, vaak vereenzelvigd met de ambulante, sociale psychiatrie. Dat is feitelijk niet juist. De officiële ggz omvat het hele zorggebied dat zowel de ambulante als de klinische zorg omvat. Deelgebieden van de ggz zijn: de kinder- en jeugdpsychiatrie, de volwassenenpsychiatrie, de ouderen- of gerontopsychiatrie, de verslaafdenzorg, de zwakzinnigenzorg en de instituten voor beschermd wonen. Wat dit allemaal te betekenen heeft, komt in de hoofdstukken 5 tot en met 20 aan de orde.
J. S. Reedijk

2. Denkmodellen

In het eerste hoofdstuk hebben we besproken dat de behandeling van cliënten beïnvloed wordt door de persoonlijke visie van de therapeuten. Een therapeut met een optimistische visie wil zijn cliënten graag stimuleren en hen ander gedrag leren, terwijl een minder optimistische therapeut geneigd is cliënten te beschermen. Visies berusten vaak op denkmodellen die door een bepaalde groep onderzoekers zijn ontwikkeld of ze berusten op ideeën die een beroepsgroep erop nahoudt. Psychologen, psychiaters en verpleegkundigen kijken vaak op een heel verschillende manier naar cliënten omdat ze een eigen deskundigheid hebben en op grond van hun deskundigheid een speciale rol moeten vervullen.
J. S. Reedijk

3. Algemene psychopathologie

In dit hoofdstuk worden vormen van gestoord gedrag besproken die stuk voor stuk kenmerkend zijn voor een bepaald psychiatrisch probleem. Het is mijn bedoeling de lezer eerst vertrouwd te maken met die psychopathologische problemen voordat ik in de volgende hoofdstukken van het boek de echte ziektebeelden, de stoornissen en aandoeningen zal behandelen. Het gaat om het leren herkennen en begrijpen van wonderlijk en vreemd gedrag. De consequentie van dit inleidende hoofdstuk over algemene psychopathologie is dat bepaalde zaken verderop in het boek nog een keer herhaald moeten worden als een psychiatrisch ziektebeeld uitgebreid aan de orde komt. Dat is geen overbodige luxe, maar een didactische noodzaak.
J. S. Reedijk

4. Diagnostiek volgens de DSM-IV en de ICD-10

De afkorting DSM-IV staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fourth edition 1994, het diagnostische en statistische handboek dat in opdracht van de American Psychiatric Association (apa) is gemaakt. In Nederland wordt, naast het dikke Engelstalige boek, een Nederlandse versie van de ‘Quick reference to the diagnostic criteria from dsm-iv’, gebruikt, vertaald door G.A.S. Koster van Groos onder de titel Beknopte handleiding bij de Diagnostische Criteria van de dsm-iv.
J. S. Reedijk

5. Stoornissen in de vroege jeugd en de adolescentie

In dit hoofdstuk gaat het over de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. De problemen die zich tijdens die ontwikkeling kunnen voordoen, hebben vaak verstrekkende gevolgen. De meeste mensen vinden het een vanzelfsprekende zaak dat een gestoorde verstandelijke ontwikkeling voor een kind rampzalige gevolgen heeft. Zij beseffen vaak onvoldoende dat emotionele problemen bij kinderen evenzeer diepe sporen nalaten.
J. S. Reedijk

6. Neurotische problemen

Omdat we in dit boek de diagnostiek volgens de dsm-iv willen volgen, ontstaat er een aantal problemen. De dsm-iv kent het begrip neurose niet meer in de oude vertrouwde vorm. De neurotische problemen hebben andere namen gekregen en de bijbehorende onderdelen zijn helaas over verschillende categorieën verspreid. Dat maakt de zaak voor ons lastig en verwarrend. Omdat het bij ‘neurotische’ problematiek echter om een complex van ontwikkelingsstoornissen gaat die duidelijke banden met de kindertijd hebben, wil ik in dit hoofdstuk de neurotische problemen tóch bij elkaar houden en als één geheel bespreken. Vandaar dat we gewoon ouderwets met dit hoofdstuk 6, getiteld Neurotische problemen, beginnen en in het volgende hoofdstuk 7 de angststoornissen en in het daaropvolgende hoofdstuk 8 zowel de somatoforme als de nagebootste stoornissen zullen bespreken.
J. S. Reedijk

7. Angststoornissen

In het verhaal van Gerda in hoofdstuk 6 zien we hoe deze vrouw op de avonden dat haar zuster niet thuis is, last krijgt van paniekaanvallen. Het is met Gerda altijd goed gegaan in al die jaren dat zij iemand om zich heen had die voor haar zorgde en die haar opving. Na de dood van haar man kon Gerda aanvankelijk de rouw niet verwerken en zij werd regelmatig depressief. Nu zij in de veilige nabijheid van haar zus woont, ging het tot voor kort weer goed met haar. De bezigheden van die zuster vormen echter een grote bedreiging voor Gerda en ze krijgt last van verlatingsangst. Op de avonden dat ze alleen is, krijgt ze ook last van een gevoel alsof de muren op haar afkomen. Het wordt haar ineens te veel, de angst grijpt haar naar de keel en dan krijgt ze het gevoel dat ze zal stikken. Ze staat te trillen op haar benen, ze is duizelig en voelt haar hart in haar keel bonzen. Ze is zo angstig dat ze het gevoel heeft dat ze doodgaat.
J. S. Reedijk

8. Somatoforme stoornissen

In dit hoofdstuk komen lichamelijke (somatische) verschijnselen aan de orde die op een psychisch probleem berusten. Met ‘somatoform’ wordt aangegeven, dat het psychische probleem een somatische vorm heeft aangenomen. Het gaat om menselijk leed en wanhoop die vertaald worden in fysieke pijn en onvermogen. Onderzoek naar de oorzaak van die pijn en dat onvermogen brengt weinig of niets aan het licht, want er is geen aandoening die de verschijnselen kan verklaren. Mensen kunnen bijvoorbeeld door doodsangst verlamd raken, ze kunnen ineens niet meer lopen of ineens hun arm niet meer optillen. De arm mankeert niets. Dit is géén aanstellerij, ook al wordt het gebeuren soms op een wat dramatische manier kenbaar gemaakt. De persoon weet niet hoe de invaliditeit is ontstaan, want het verschijnsel onttrekt zich geheel aan de bewuste controle. Men zal blijven ontkennen dat er een psychische oorzaak in het spel is.
J. S. Reedijk

9. Dissociatieve stoornissen

Dissociatie betekent afsplitsing. Een emotionele gebeurtenis of herinnering wordt afgesplitst en kan niet meer bewust worden ervaren. Het verschijnsel kwam in het vorige hoofdstuk bij de bespreking van de conversie aan de orde. Toen ging het om het plotselinge ontstaan van een verlamming of een zintuigstoornis. Hier gaat het om een plotseling optredend geheugenverlies. De persoon weet ineens niet meer wat hij even tevoren heeft meegemaakt (amnesie) of hij is vergeten wie en wat hij eigenlijk is (depersonalisatie). Het is ook mogelijk dat iemand niet meer weet waar hij vandaan is gekomen (desoriëntatie). Dit alles heeft niets te maken met geestelijke aftakeling of dementie, het gaat om een panische reactie op een emotionele gebeurtenis of emotioneel onvermogen. Vroeger werd het, evenals de somatoforme reacties, voor typisch ‘hysterisch’ gedrag aangezien. Men meende dat de betrokkene met een bepaald doel voor ogen, toneelspeelde en zo indruk wilde maken op de omgeving. Bijvoorbeeld: een functionaris die plotseling van fraude wordt beschuldigd, schrikt zich wezenloos en verkeert daarna in een vreemd soort bewustzijnstoestand. Hij weet zich niets meer te herinneren, zelfs niet dat hij op de bewuste dag dat het geld gemist werd, op kantoor geweest is. Collega’s kunnen getuigen dat ze hem daar gewoon gezien hebben. Deze man is zo van de kaart dat er geen normaal gesprek met hem te voeren is. Dit soort gedrag maakt een idiote indruk, de toeschouwers geloven maar één ding: ‘Hij stelt zich aan, want hij probeert zijn schuld te ontkennen’.
J. S. Reedijk

10. Aanpassingsstoornissen

Onder een aanpassingsstoornis (‘adjustment disorder’) verstaat men psychische ontreddering die het gevolg is van stress. Er zijn dingen gebeurd die de persoon emotioneel niet verwerken kan of hij kan zich emotioneel niet aan een veranderde situatie aanpassen. Het gaat om een reactie die, wil men volgens de dsm-iv van een aanpassingsstoornis mogen spreken, binnen drie maanden na de gebeurtenissen of de verandering optreedt en niet langer dan zes maanden duurt. Een aanpassingsstoornis is iets anders dan een posttraumatische stress-stoornis. Bij de laatste is de traumatische aanleiding veel erger (men is het slachtoffer van een catastrofaal gebeuren, een ongeluk of een gewelddelict). Er is meer onheil geschied en daarom zijn de gevolgen van het trauma erger. Bij aanpassingsstoornissen is de aanleiding alledaags, denk aan een slepend werkconflict, een echtscheiding of een verbroken liefdesrelatie. De reactie op die gebeurtenissen lijkt meer op ‘overspannen-zijn’ dan op een depressie of iets dergelijks. Iemand met een aanpassingsstoornis is aangeslagen, hij komt nergens toe en heeft de fut niet om aan het werk te gaan. Een student die diep bedroefd is omdat zijn meisje hem in de steek heeft gelaten, kan reageren met een ‘aanpassingsstoornis gepaard gaande met een depressieve stemming’. Hij kan de moed niet opbrengen om naar lessen of colleges te gaan. Hij is te labiel om te werken, want hij kan zomaar in tranen uitbarsten. Die jongen zit in de put en verwaarloost daardoor al zijn sociale contacten.
J. S. Reedijk

11. Psychische factoren die een somatische aandoening beïnvloeden

Het psychiatrische classificatiesysteem dsm-iv heeft het niet meer over ‘psychosomatische aandoeningen’, omdat er geen wetenschappelijke fundering voor het bestaan aangetoond kon worden, maar over ‘psychische factoren die een somatische aandoening beïnvloeden’.
J. S. Reedijk

Chapter 12. Persoonlijkheidsstoornissen

In dit hoofdstuk gaan we een aantal persoonlijkheidstypen bespreken. De typen die aan de orde komen zijn ontleend aan de dsm-iv-diagnostiek, waar ze als ‘persoonlijkheidsstoornissen’ (personality disorders) te boek staan.
J. S. Reedijk

13. Psychose?

Verpleegkundig rapport van Marie B., Paviljoen 2, 22.00 uur
Mevrouw kwam vandaag uit E., zij was erg angstig en geagiteerd. Begon direct te vertellen dat de duivel in haar was! God was haar in een droom verschenen en had haar alles laten zien. Velen zouden door haar schuld moeten sterven, ja de helse verdoemenis ingaan omdat zij de duivel was. Mevrouw weigerde te eten omdat dat nergens goed voor was. De hele dag was zij erg angstig, gaf steeds antwoord op alles wat andere patiënten tegen de verpleging zeiden. Ging soms plotseling rechtop zitten, keek dan angstig rond en zei: ‘Nu is alles verloren, het is te laat’. Vanmiddag lag mevrouw op haar knieën voor haar bed en beet in haar laken. Toen ik naar haar toeging keek ze mij met grote ogen aan en smeekte: ‘Help mij’.
J. S. Reedijk

14. Schizofrenie

Schizofrenie is een van de belangrijkste psychiatrische aandoeningen. De naam die letterlijk ‘gespleten geest’ betekent, is destijds gegeven omdat men dacht dat bij schizofrene mensen verstand en gevoel gescheiden en niet meer op elkaar afgestemd zouden zijn. Dat idee berust op een misverstand. Er is niets ‘gespleten’ en het gevoel is niet weg. Schizofrene mensen raken in een vreemde gemoedstoestand en leggen allerlei zaken op een eigenzinnige manier uit, maar hun verstand blijft behouden. De constatering dat iemand aan schizofrenie lijdt, betekent wel dat hij het risico loopt chronisch ziek te worden. Schizofrenie is een ernstige geestesziekte die een wisselend verloop heeft, gekenmerkt door psychotische episodes. De ziekte begint soms sluipend of ze ontstaat ineens in de vorm van een acute psychose. De persoon krijgt waanideeën en gaat ook ‘stemmen horen’ (akoestisch hallucineren); daarnaast is er sprake van een vreemde denktrant, een zeer vreemde manier van spreken en bizar gedrag. In vijfentwintig procent van de gevallen gaat de psychose volledig over, maar ze kan terugkomen en bij de meeste schizofrene mensen gebeurt dat ook. Eveneens vijfentwintig procent blijft chronisch psychotisch en houdt dus last van waanideeën en ‘stemmen’. Een niet onaanzienlijk deel pleegt suïcide en doet dat al tijdens de eerste psychose. De meeste schizofrene cliënten vertonen na een eerste of tweede psychose ‘restverschijnselen’.
J. S. Reedijk

15. Waanstoornis

Onder een waanstoornis (‘delusional disorder’) verstaan we de aanwezigheid van waanbeleven bij iemand die verder geen opvallend gestoord gedrag vertoont. Met die persoon kan een heel redelijk gesprek worden gehouden, als men maar niet over de inhoud van de waan spreekt. Soms gaat dit waanbeleven ook gepaard met hallucinaties. Iemand hoort vreemde geluiden, ruikt een verdachte geur of ziet iets wonderlijks dat niet bestaat. De waanstoornis wordt vanwege het waanbeleven en de eventuele aanwezigheid van hallucinaties tot de groep van de psychotische stoornissen gerekend.
J. S. Reedijk

Chapter 16. Stemmingsstoornissen

Dit hoofdstuk gaat over langdurige buien van ziekelijke somberheid (langer dan zes weken durend) en over langdurige buien van een onnatuurlijke opgewekte stemming. Bij zeer sombere mensen spreken we van een depressie of een depressieve episode. In de vorige editie van de dsm, de dsm-iii-r, sprak men nog van een ‘depressie in engere zin’, die term is in de dsm-iv vervangen door: ‘depressieve episode’. Dat is lastig en daarom gebruik ik hier en daar voor het gemak het woord ‘depressie’. Alleen als het om een depressie gaat die een onderdeel is van een manisch-depressieve of bipolaire stoornis, spreken we van een ‘depressieve episode’.
J. S. Reedijk

17. Organische stoornissen

In dit hoofdstuk gaat het over stoornissen die met het verstand te maken hebben. Men spreekt van cognitieve stoornissen. Als de zogenaamde cognities, zoals waarnemen en denken en begrijpen (het ‘snapvermogen’) gestoord zijn, kunnen mensen de wereld niet goed verkennen en kunnen ze niet begrijpen wat er gebeurt. Het meest opvallende is dat ze niets kunnen onthouden en onhandig worden. Omdat hun denkvermogen het laat afweten, kunnen ze de werking van apparaten niet meer begrijpen en kunnen ze zelfs de lamp niet meer aansteken omdat ze niet weten waar het knopje voor dient.
J. S. Reedijk

18. Ouderenpsychiatrie

De ouderenpsychiatrie (gerontopsychiatrie) is niet zoals de psychogeriatrie primair op de opvang van demente bejaarden gericht. Zij houdt zich meer met andersoortige psychische problematiek bezig. Het gaat om mensen met angststoornissen, depressieve stoornissen en psychotische stoornissen. Soms zijn de mensen die eraan lijden hun hele leven al angstig en kwetsbaar geweest. De ouderenpsychiatrie behandelt ook de cliëntsystemen, zoals echtparen die elkaar niet meer kunnen verdragen omdat de een steeds vreemder wordt en de ander onder de voortdurende spanning bezwijkt.
J. S. Reedijk

19. Verslavingsproblematiek

Dit hoofdstuk gaat over alcohol en drugs. Alcohol wordt sociaal geaccepteerd als een roesverwekkend middel dat de gezelligheid verhoogt. Het gebruik kan schadelijk voor de gezondheid zijn, maar dat deert ons niet. Een feestje zonder drank is ongezellig. Over drugs bestaan er uiteenlopende meningen. Sommigen zijn van mening dat het om genotmiddelen gaat, die in principe voor sociaal gebruik beschikbaar zouden moeten zijn. Anderen daarentegen zijn zeer bevreesd voor een verdere uitbreiding van het omvangrijke drugsgebruik en propageren een verscherpt vervolgingsbeleid.
J. S. Reedijk

20. Stoornissen in de impulscontrole

Problemen op het gebied van de impulscontrole zijn op zich niets bijzonders. Het komt heel vaak voor dat mensen te weinig zelfbeheersing hebben en hun handen niet thuis kunnen houden. Ze laten zich gaan, terwijl ze best weten dat ze fout zijn. Ze eigenen zich iets toe dat niet van hen is of ze rijden te hard terwijl ze weten dat het niet mag.
J. S. Reedijk

21. Psychoseksuele stoornissen

Veel emotionele problemen zijn met de seksualiteit verbonden. De seksualiteit is belangrijk omdat we er onze identiteit aan ontlenen. Het vrouw- of man-zijn heeft in de omgang met andere mensen een doorslaggevende betekenis. De seksuele identiteit bepaalt niet alleen hoe je eruitziet, zij bepaalt ook wat anderen van jou zullen verwachten. Daarom is het een bron van zorgen als je niet zeker bent van die identiteit, als je twijfelt of jouw uiterlijk wel voldoet aan de gangbare normen van aantrekkelijkheid.
J. S. Reedijk

22. Ambulante geestelijke gezondheidszorg

Vanouds wordt in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) onderscheid gemaakt tussen intramurale of klinische zorg en extramurale of ambulante zorg. Dat onderscheid begint te vervagen. Vroeger lag bij de intramurale zorg de nadruk op de opgenomen cliënt, terwijl de ambulante zorg zich alleen bezighield met cliënten die in hun eigen woonomgeving verbleven. Tegenwoordig beweegt men zich op elkaars terrein, beconcurreert elkaar soms en sticht op veel plaatsen samenwerkingsverbanden. Voordat we verder op de ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg en de diverse taken van de ambulante zorg ingaan, vermeld ik eerst de betekenis van enkele veelgebruikte afkortingen voor hulpverleningsinstanties.
J. S. Reedijk

23. Klinisch-psychiatrische behandeling

In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat het algemeen psychiatrisch ziekenhuis (apz) als gevolg van ‘deconcentratie’ bezig is te veranderen. De meeste apz’en hebben hun voorzieningen over het verzorgingsgebied verspreid en de leek kan niet meer herkennen hoe de organisatie eigenlijk in elkaar steekt. Zo heeft bijvoorbeeld het apz Bavo ‘locaties’ in de stad Rotterdam, in Capelle aan den IJssel en Noordwijkerhout. Het heeft een crisiscentrum, twee mfes, sociowoningen, een centrum voor ouderenpsychiatrie, een centrum voor intensieve zorg, een kliniek voor jongvolwassenen en meerdere afdelingen voor rehabilitatie en verzorging. Het apz Santpoort heeft haar locaties in Amsterdam en exploiteert daar mfes onder de naam: Sociaal Psychiatrisch Diensten Centrum (spdc). In de laatste paragraaf zal ik nader ingaan op de kleinschalige psychiatrische voorzieningen. Eerst worden de volgende onderwerpen behandeld: klinische psychiatrie in het apz, gespecialiseerde functies, de algemene principes voor een goede klinische behandeling met daarin – heel belangrijk – de basisvoorwaarden, het multidisciplinair team en tot slot de paaz-psychiatrie en de ziekenhuispsychiatrie.
J. S. Reedijk

24. Biologisch-psychiatrische behandelmethoden

Voordat de biologisch-psychiatrische behandelmethoden in dit hoofdstuk aan de orde komen, wil ik er eerst op wijzen dat die methoden weliswaar een belangrijke plaats innemen, maar niet alleenzaligmakend zijn.
J. S. Reedijk

25. Therapieën gericht op activering en non-verbale expressie

Bij de psychiatrische behandeling wordt al sinds onheuglijke tijden gebruikgemaakt van handenarbeid als een vorm van therapie. Iedereen weet dat het helpt om in tijden van spanning, als je nerveus bent, iets met je handen te doen. Lichamelijk bezig zijn, in de tuin werken, dingen schoonmaken of de kast opruimen is op zulke momenten een prettige afleiding. Dat actief bezig zijn leidt af van piekeren en tobben en geeft je het gevoel dat je iets zinvols doet, terwijl zenuwachtig ijsberen de zaak alleen maar erger maakt. Dit soort algemeen menselijke ervaringen heeft geleid tot het gericht toepassen en bevorderen van allerlei activiteiten
J. S. Reedijk

26. Psychotherapie

Bij het begrip psychotherapie denken de meeste mensen terecht aan een behandeling door ‘gesprekken’. Psychotherapie houdt echter meer in. Die gesprekken zijn niet vrijblijvend. Men krijgt niet alleen maar de gelegenheid ‘het hart eens te luchten’, er wordt ook een actieve deelname van de cliënt verwacht. De cliënten moeten leren hoe ze met hun emoties, zoals angst en woede, kunnen omgaan. Ze moeten ook leren hoe ze een bepaald gedrag kunnen veranderen en op welke manier ze het contact met anderen kunnen verbeteren.
J. S. Reedijk

27. Rechten van de psychiatrische cliënt

De rechtspositie van psychiatrische cliënten is altijd een heikel punt geweest. In hoofdstuk 1 kwam al ter sprake dat opneming in een psychiatrisch ziekenhuis altijd vrijheidsbeperking betekent, ook al gaat men er op vrijwillige basis naar toe. Die onvrijheid vraagt om rechtsbescherming. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op: het principiële recht op vrijheid, de inbewaringstelling en de rechterlijke macht, de patiëntenvertrouwenspersoon en tot slot het begrip dwangbehandeling.
J. S. Reedijk

Nawerk

Meer informatie