Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boekwerk is tot stand gekomen door het werk bespreking van de aanvraag, de technische u- van velen. Uniek in de opzet ervan is dat studen- voering en tot slot het resultaat van het radio- ten, co-assistenten en arts-assistenten, niet alleen gisch onderzoek aan bod komen. De aanvraag is uit Nijmegen maar uit heel Nederland, verant- meestal rechtstreeks overgenomen van de o- woordelijk zijn voor de samenstelling en inhoud spronkelijke aanvraag, met al zijn tekortkom- van de teksten. In de loop van de collegejaren gen. Bij de casus in het hoofdstuk over de ‘tech- 2001-2004 zijn zij door ons uitgenodigd casuïstiek niek’ spelen de aanvraag en het resultaat een te verzamelen. Zij kregen daarbij het verzoek om minder belangrijke rol en ligt de nadruk op de voor elke casus de aanvraag, de radiologische technische uitvoering. In de casus die een n- techniek en het resultaat van het beeldvormend maal beeld behandelen, ligt het zwaartepunt op onderzoek te beschrijven. In het resultaat moest het resultaat: de anatomische afbeelding van het de terugkoppeling naar de vraagstelling zijn op- gevraagde orgaan. De overige casus geven een genomen. Hierdoor ontstond een collectie van al- meer algemene beschouwing van het betreffende ledaagse ziektebeelden, geplaatst tegen een ziektebeeld en de rol van de radiologie hierin. radiologische achtergrond.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Techniek

Voorwerk

1 De techniek van de conventionele radiologie (CR)

Conventionele radiologie:
  • is een ruim beschikbare techniek voor snelle beeldvorming;
  • geeft goede afbeeldingen van bot (wit) en lucht (zwart), maar niet van spieren en/of weke delen;
  • is een techniek die een schaduwbeeld geeft, waardoor er vele overprojecties ontstaan;
  • wordt bij voorkeur in twee richtingen loodrecht op elkaar gemaakt om de ruimtelijkheid van de structuur te bepalen en het probleem van overprojecties te bestrijden;
  • kent een (gering) risico door de ioniserende straling.
R. Lamberts

2 De techniek van de computertomografie (CT)

CT:
  • is een reconstructiebeeld en geen schaduwbeeld;
  • is de methode van voorkeur bij verdenking op subtiele afwijkingen;
  • is de methode van voorkeur indien een afbeelding nodig is zonder overprojectie (locatiebepaling);
  • is de methode van voorkeur indien een onderzoek kort moet duren of geen bewegingsartefacten mag tonen;
  • is duurder dan conventionele radiologie en is minder ruim beschikbaar;
  • kent een hogere stralingsbelasting.
W. Pels

3 De techniek van de magnetische resonantie (MR)

MRI:
  • is vooral een afbeelding voor vetweefsel en weefsel met een hoge vochtcomponent;
  • laat weefseldifferentiatie toe juist op basis van de verschillen in signaal tussen deze weefselsoorten;
  • is excellent voor hersentumoren en weke-delentumoren;
  • is een techniek in ontwikkeling;
  • is geen goede manier om weefsels met weinig of geen vet of water (zoals bot-en peesweefsel) af te beelden;
  • kent contra-indicaties zoals vaatclips in de hersenen;
  • is ongeschikt voor claustrofobische patiënten;
  • is ongeschikt voor mensen die niet lang kunnen stilliggen.
J. Fütterer

4 De techniek van de echografie (Echo)

Echografie:
  • is geen anatomisch beeld maar een afbeelding van weerkaatsingen van geluidsgolven op anatomische of pathologische grensvlakken;
  • is een vaardigheid en de beschrijving van het onderzoek is belangrijker dan de afbeelding;
  • is een goede keuze om structuren en weefsels die vocht bevatten af te beelden;
  • is slecht in het afbeelden van weefsel die lucht of bot bevatten;
  • is een patiëntvriendelijk onderzoek;
  • kan naast anatomische beelden ook informatie over bewegende systemen (hart, bloed) geven;
  • is alleen mogelijk als er een goed huid-contact mogelijk is met de transducer;
  • kent veel storende factoren.
D. de Koning

Hoofd

Voorwerk

5 Het normale CT-onderzoek van de hersenen

De CT van de hersenen:
  • is de techniek van voorkeur om een verse bloeding aan te tonen of uit te sluiten;
  • is de methode van voorkeur bij patiënten die een adequaat trauma capitis hebben ondergaan;
  • is een alternatieve (maar mindere) methode bij patiënten met een contra-indicatie voor MRI;
  • is niet de methode van voorkeur bij een patiënt verdacht voor een ruimte-innemend proces (in dit geval kiest men voor MRI);
  • is ongeschikt bij de vraagstelling multipele sclerose en andere specifieke afwijkingen van merg en/of schors.
M. Claessen

6 Het normale MRI-onderzoek van de hersenen

MRI:
  • is bij uitstek geschikt voor het aantonen of uitsluiten van pathologie van het hersenparenchym en is daarin superieur aan een CT-scan van de hersenen;
  • de gebruikte pulssequentie en beeldrich-ting van het onderzoek worden bepaald door de aard van de ziekte en de vraagstelling met daarbij behorende conse-quenties;
  • het is ook bij routineonderzoek nodig om voldoende weefseldifferentiatie te verkrijgen door gebruik te maken van T1- en T2-gewogen pulssequenties;
  • bij het beoordelen van de beelden is de symmetrie van de structuren (net als bij CT) erg belangrijk;
  • bij te verwachten vaatpathologie dient een aparte sequentie te worden gebruikt, de magnetischeresonantieangiografie (MRA);
  • bij de vraagstelling tumor, abces of ontsteking wordt het MRI-onderzoek altijd met contrast uitgevoerd, omdat daarmee het proces duidelijk onderscheiden wordt van het overige hersenweefsel.
R. Smeenk

7 Beeldvormende diagnostiek bij een intracerebraal vaatincident (CVA)

Bij verdenking op een hersenbloeding:
  • is een CT van de hersenen zonder contrast de techniek van voorkeur;
  • is snelle diagnostiek van belangrijke therapeutische waarde;
  • is vers bloed op een CT zichtbaar als een gebied met hoge dichtheid (wit);
  • wordt de bloeding na verloop van tijd geresorbeerd en verdwijnt de hoge dicht-heid;
  • is een vers herseninfarct vaak moeilijk te herkennen.
R. Groenen

8 Beeldvormende diagnostiek bij een subarachnoïdale bloeding (SAB)

Bij een subarachnoïdale bloeding:
  • is de mortaliteit hoog en behandeling altijd noodzakelijk;
  • is de aanwezigheid van bloed (verhoogde densiteit) in de subarachnoïdale ruimten rond de cirkel van Willis de meest fre-quente bevinding;
  • is CT hersenen zonder contrast de onderzoeksmethode van voorkeur;
  • zijn, bij een positieve CT, CTA, MRA of DSA de volgende stappen van onderzoek om de juiste positie en locatie van het aneurysma af te beelden;
  • is een lumbaalpunctie, indien er klinisch grote verdenking blijft bestaan maar de CT negatief is, de volgende diagnostische stap.
T. van den Hurk

9 Beeldvormende diagnostiek bij een hersentumor

Bij verdenking op een ruimte-innemend proces intracerebraal:
  • is MRI zonder en met contrast de techniek van voorkeur;
  • dienen opnamen in drie richtingen gemaakt te worden om een zo goed mogelijk beeld van de locatie en de uitbreiding van een tumor te verkrijgen;
  • is een zekere mate van differentiëring van de tumor mogelijk;
  • is MRI geen vervanging voor het pathologisch-anatomisch onderzoek;
  • is CT met contrast het enige alternatief wanneer MRI, om wat voor reden ook, niet mogelijk is.
B. van de Langerijt

10 Beeldvormende diagnostiek bij een trauma capitis

Bij hersenletsel:
  • zijn intracraniële bloedingen met massawerking het meest urgent;
  • zijn verstreken gyri en sulci, asymmetrie van de ventrikels en midline shift belangrijke radiologische bevindingen die wijzen op een massawerking van de bloeding of oedeem;
  • zijn niet alle bloedingen direct gemakkelijk te herkennen;
  • zijn niet alle bloedingen direct klinisch manifest;
  • moet bij een normale posttraumatische CT maar met persisteren van de klinische klachten gedacht worden aan diffuus axonaal letsel. MRI is dan de techniek van voorkeur.
C. van Boheemen

Borst

Voorwerk

11 Beoordeling van een normale thoraxfoto

De thoraxfoto:
  • wordt, waar mogelijk, staande gemaakt in twee richtingen;
  • wordt gecontroleerd op de kwaliteit en volledigheid van de afbeelding;
  • is een goede onderzoeksmethode voor duidelijke pathologie;
  • is een schaduwbeeld, door overprojectie kunnen niet alle structuren even goed worden afgebeeld;
  • is niet erg discriminerend voor afwijkingen kleiner dan 0,5 cm.
S. Hein

12 Het normale CT-onderzoek van de thorax

De CT van de thorax:
  • is een goede vervolgmethode bij onderzoek naar metastasen;
  • is nauwkeuriger dan de thoraxfoto;
  • vereist contrastvloeistof om de vaten voldoende te differentiëren van andere struc-turen;
  • geeft veel meer stralingsbelasting dan een thoraxfoto.
D. Bosboom

13 Beeldvormende diagnostiek bij een pneumonie

Een pneumonie:
  • is een van de meest voorkomende ziektebeelden en heeft een breed klinisch presentatiepatroon;
  • heeft een breed radiologisch verschij-ningsbeeld;
  • de gewone thoraxfoto is zinvol bij patiënten met verhoogde risicofactoren in de anamnese of die niet reageren op antibac-teriële therapie;
  • niet alle ontstekingen zijn altijd zichtbaar op een thoraxfoto.
M. Ariës

14 Beeldvormende diagnostiek bij een longembolie

Bij een longembolie:
  • is de diagnose klinisch moeilijk;
  • is de conventionele thoraxfoto de eerste stap in de diagnostiek om andere afwijkingen uit te sluiten;
  • is CTA of de VP-scan de eerstvolgende keuze wanneer de thoraxfoto geen afwijkingen toont;
  • wordt als eerste een CTA gemaakt wanneer de thoraxfoto wél afwijkingen toont;
  • is het te verwachten dat CTA de VP-scan zal vervangen.
M. Brink

15 Beeldvormende diagnostiek bij een longtumor

Bij verdenking op een longtumor:
  • is de thoraxfoto de techniek van voorkeur om een eerste indruk van eventuele pathologie te krijgen;
  • moet verder onderzoek volgen indien de thoraxfoto normaal is. De differentiaaldiagnose is groot en kent enkele urgente afwijkingen zoals longembolie, die verder onderzoek noodzakelijk maken;
  • is CT van de thorax de methode van voorkeur als aanvullend beeldvormend onderzoek.
M. Ariës

16 Beeldvormende diagnostiek bij vergrote hilusklieren

Hilaire lymfekliervergroting:
  • is meestal goed te zien op een normale thoraxfoto als een witte bolvormige uitbreiding van de hilus waarin de luchtfiguur van de trachea wat zwarter lijkt;
  • is radiologisch niet te onderscheiden in goedaardige dan wel kwaadaardige ver-grotingen;
  • bij verdenking op een kwaadaardig lymfoom is altijd verder onderzoek door middel van CT en biopsie geïndiceerd.
E. van Asseldonk

17 Beeldvormende diagnostiek bij subcutaan emfyseem

Bij lucht op pathologische plaatsen:
  • is de conventionele thoraxfoto de techniek van voorkeur voor de diagnose lucht buiten het longweefsel;
  • is kennis van de normale anatomie doorslaggevend bij de bepaling van de uitbreiding en plaats van deze lucht.
E. van Asseldonk

Buik

Voorwerk

18 Het normale CT-onderzoek van het abdomen

De CT van het abdomen:
  • is de methode van voorkeur bij het afbeelden van orgaanletsels in het abdomen;
  • is nauwkeuriger in de anatomische afbeelding van de organen dan de echografie;
  • vereist intraveneus contrast om vaatletsels en parenchymateuze letsels te kunnen her-kennen;
  • is minder nauwkeurig dan echografie in het ontdekken van vrij vocht in de buik-holte;
  • geeft een hoge stralingsbelasting.
A. der Kinderen

19 Echografisch onderzoek van de lever

Echografie van de lever:
  • is het onderzoek van voorkeur wanneer een snelle en patiëntvriendelijke beeldvorming noodzakelijk is;
  • is een techniek waarvoor grote vaardigheid vereist is;
  • is in ervaren handen zeer betrouwbaar;
  • is een dynamisch onderzoek waarbij een videodocument te prefereren is boven een plaatje;
  • is een onderzoek waarbij het verslag van de onderzoeker belangrijker is dan het plaatje.
B. Looij

20 Beeldvormende diagnostiek bij een maag-darmperforatie

Bij vrije lucht in de buik:
  • geeft een staande thoraxfoto de beste afbeelding;
  • is een buikoverzicht in linkerzijligging de eerstvolgende keuze wanneer een staande thoraxfoto niet mogelijk is omdat de patiënt niet kan staan;
  • is het buikoverzicht voor de diagnose minder goed te gebruiken omdat dit veel diagnostische ervaring vereist;
  • is bij een duidelijk klinisch beeld meteen laparotomie en niet radiologie de techniek van keuze;
  • is bij een onduidelijk klinisch beeld van de buikklachten CT van het abdomen het vervolgonderzoek van voorkeur.
H. Joosten

21 Het buikoverzicht (BOZ)

Een buikoverzicht (BOZ):
  • is een aspecifiek onderzoek dat slechts zelden geïndiceerd is;
  • maakt geen onderscheid tussen de weefsels van de verschillende buikorganen;
  • de patronen van de natuurlijke contrasten zoals lucht en kalk (bot) maken soms een diagnose meer of minder waarschijnlijk;
  • voor vrij vocht is echografie een betere methode;
  • voor vrije lucht is een staande thoraxfoto een betere methode (zie casus 20 in het deel Buik);
  • voor een afbeelding van de anatomie is CT of MR een geschiktere techniek.
M. Brink

22 Beeldvormende diagnostiek bij een colontumor

Bij verdenking op een tumor van de dikke darm:
  • is een coloninloopfoto een goedkopere en minder belastende techniek, maar biopsie is niet mogelijk;
  • is coloscopie een techniek waarmee wél biopten genomen kunnen worden;
  • zijn kleinere laesies beter in beeld te brengen met coloscopie dan met een coloninloopfoto;
  • is de mate van obstructie beter af te beelden met een coloninloopfoto dan met coloscopie.
T. Snijders

23 Beeldvormende diagnostiek bij abdominale lymfomen

Bij een buiklymfoom:
  • kan een CT van het abdomen een goede indruk geven van de grootte en de lokalisatie van de vergrote lymfeklieren;
  • is het met CT niet mogelijk om pathologisch weefsel in lymfeklieren aan te tonen, alleen de kliergrootte kan als indicatie voor pathologie worden gebruikt;
  • dient oraal contrastmiddel om het darmweefsel van het pathologische klierweefsel af te grenzen;
  • dient intraveneus contrastmiddel om vaten van klieren te onderscheiden en in-traparenchymateuze laesies te ontdekken;
  • is CT de techniek van voorkeur als vervolgonderzoek bij therapie.
I. Bisschops

24 Beeldvormende diagnostiek bij een appendicitis

Bij buikklachten:
  • is CT de techniek van voorkeur wanneer het klinisch onderzoek en/of het echografische beeld niet conclusief is;
  • vereist CT van het abdomen een nauwkeurige bestudering van vergelijkbare anatomische structuren om verschillen in dichtheid waar te nemen;
  • is de klinische vraagstelling sturend bij de interpretatie, omdat de CT weefseldichtheden weergeeft en geen weefsel-karakteristieken (zoals MRI).
Th. Fassaert

25 Beeldvormende diagnostiek bij een aneurysma aortae abdominalis (AAA)

Bij een AAA:
  • is, bij klinische verdenking, verder diagnostisch onderzoek noodzakelijk;
  • is echografie in eerste instantie de techniek van eerste keus voor bevestiging en bepaling van het verdere beleid (vervolgen dan wel chirurgische interventie);
  • kan het aneurysma met CTA, MRA en angiografie nauwkeuriger in beeld worden gebracht.
M. Ariës

Skelet

Voorwerk

26 Beeldvormende diagnostiek bij coxartrose

Coxartrose:
  • is een gewrichtsaandoening die pas in een vergevorderd stadium goed is af te beelden;
  • is op een conventionele opname te zien als botreacties of het verlies van kraak-been;
  • is het beste te beoordelen in vergelijking met de contralaterale zijde;
  • is weinig specifiek en soms moeilijk van een artritis te onderscheiden;
  • de afwijkingen op een röntgenfoto bij artrose kennen geen lineair verband met de ernst van de klachten.
S. van Opstal

27 Beeldvormende diagnostiek bij reumatoïde artritis

Artritis:
  • kent vaak een sluipend begin;
  • de diagnose wordt gesteld op het klinische beeld in combinatie met de radiologische afwijkingen;
  • erosieve afwijkingen zijn radiologisch verdacht voor artritis;
  • het aantal erosies en het patroon van de afwijkingen is van diagnostisch belang.
M. Brink

28 Beeldvormende diagnostiek bij halswervelinstabiliteit

RA en de halswervelkolom:
  • de intervertebrale gewrichten en de kapsels en ligamenten van de halswervelkolom worden met name op het niveau C1-C2 door RA aangetast, net als andere gewrichten;
  • in verband met de peroperatieve manipulatie van de nek is een preoperatief onderzoek naar een pathologische translatie van de wervels zinvol;
  • indien er een translatie van meer dan 5 mm zichtbaar is op een conventionele flexie- en extensieopname, is er sprake van een instabiliteit.
M. Ariës

29 Beeldvormende diagnostiek bij lage rugpijn

Bij chronische lage rugklachten:
  • zonder rode vlaggen heeft radiologische beeldvorming geen zin;
  • bestaat er geen samenhang tussen de klachten en eventuele afwijkingen gevonden op een conventionele rugfoto;
  • bestaat er geen relatie tussen de ernst van de klachten en de ernst van de radiologische afwijkingen op een conventionele rugfoto;
  • kan een conventionele foto soms wel een andere functie voor de patiënt hebben (denk aan geruststelling).
E. Niesten

30 Beeldvormende diagnostiek bij wervelfracturen

Fracturen van de thoracale en lumbale wervels:
  • de eerste beoordeling geschiedt op een conventionele opname;
  • hierbij is de anatomische locatie van de fracturen in de voorste, middelste en achterste pijler van belang voor de classificatie van de fractuur;
  • is er sprake van een instabiele fractuur, dan dient er altijd aansluitend vervolgonderzoek plaats te vinden, op dit ogen-blik is CT de techniek van voorkeur;
  • het conventionele onderzoek is vaak moeilijk te interpreteren en vaak moet de classificatie worden aangepast omdat de CT-beelden nieuwe bevindingen laten zien.
F. van Eck

31 Een MRI-onderzoek van de knie

MRI van de knie:
  • is de techniek van voorkeur bij verdenking op posttraumatische gewrichtsafwij-kingen van de knie;
  • heeft een betrouwbare negatief-voorspellende waarde voor een meniscusletsel;
  • is bijna de enige techniek die in staat is om de kruisbanden af te beelden;
  • kan, door gebruik te maken van een oppervlaktespoel en speciale sequentie-technieken, alle structuren van de knie afbeelden.
M. Ploegmakers

Kinderen

Voorwerk

32 Beeldvormende diagnostiek bij het idiopathic respiratory distress syndrome (IRDS)

IRDS:
  • is de meest voorkomende oorzaak van ademhalingsproblemen bij de premature neonaat;
  • is een ziektebeeld dat sluipend kan beginnen;
  • het longbeeld bij IRDS vertoont een verminderd longvolume bij een matglazen beeld van het longweefsel;
  • de thoraxfoto bij de neonaat is weinig specifiek en moet altijd gecorreleerd worden aan het klinische beeld.
G. Stege

33 Beeldvormende diagnostiek bij pylorushypertrofie

Pylorushypertrofie:
  • wordt na de twaalfde levensweek bijna niet meer gezien;
  • echografie is de techniek van eerste keuze om de pylorus af te beelden;
  • de techniek van de echografie luistert erg nauw om een betrouwbare meting van de dikte van de spierwand en de lengte van het kanaal te verkrijgen;
  • onderzoek met bariumcontrast is alleen nodig indien de kliniek en het echografisch onderzoek niet conclusief zijn.
E. Cremers

34 Beeldvormende diagnostiek bij congenitale heupdysplasie (CHD)

Congenitale heupdysplasie:
  • is een afwijking van het acetabulum waarbij het laterale deel van het acetabulum de femurkop(kern) onvoldoende over-huift;
  • is een afwijking die goed behandeld kan worden, wat een vroege diagnose belangrijk maakt;
  • de techniek van voorkeur is hetzij een echografisch onderzoek, hetzij conventioneel radiologisch onderzoek; de keuze wisselt per ziekenhuis;
  • een Lauenstein-opname dient om de reponeerbaarheid van de heupkop in de heupkom te bepalen, en is bij een normale AP-opname voor CHD dus niet nodig.
E. Hermans

35 Beeldvormende diagnostiek bij agressieve botprocessen

Bij een botproces met hoge groeisnelheid (agressief):
  • is een normale conventionele röntgenfoto zinvol om de locatie en uitbreiding van de laesie vast te stellen en om een eerste indruk te krijgen van de groeisnelheid van de laesie;
  • wordt de laesie naar zijn groeisnelheid omschreven als een inactieve, actieve of agressieve laesie;
  • is bij een actief of agressief proces MRI altijd de volgende techniek van beeld-vorming;
  • is het gebruik van contrast bij de MRI zinvol om een indruk te krijgen van de vascularisatie van de laesie.
L.G. Grigoreva

36 Beeldvormende diagnostiek bij actieve botprocessen

Bottumoren:
  • bij onbegrepen pijnklachten in de extremiteit bij kinderen is een conventionele röntgenfoto de methode van voorkeur om ossale pathologie uit te sluiten of aan te tonen;
  • op een conventionele foto kan vaak een indruk worden gekregen over de groeisnelheid van een laesie;
  • de conventionele foto is behulpzaam bij het bepalen van eventueel vervolgonder-zoek;
  • MRI is zinvol om onderliggende tumoren uit te sluiten of aan te tonen in het geval van een ABC.
M. Smorenburg

37 Beeldvormende diagnostiek bij een greenstickfractuur

Fracturen bij kinderen:
  • gedragen zich anders dan fracturen bij volwassenen;
  • hebben niet alleen een groter maar ook een sneller herstelvermogen;
  • Greenstickfracturen, waaronder torusfrac-turen, zijn onvolledige fracturen;
  • ook bij kinderen kunnen volledige fracturen optreden;
  • moeten niet verward worden met de normale groeischijven.
A. Dirks

Diversen

Voorwerk

38 Beeldvormende diagnostiek bij een polsfractuur

Bij een Colles-fractuur:
  • is conventionele radiologie de methode van voorkeur voor het aantonen of uitsluiten van fracturen;
  • is na repositie een herhaling van de foto zinvol om te controleren of en in hoeverre een normale anatomische stand is bereikt.
J. Ploegmakers

39 Beeldvormende diagnostiek bij een collumfractuur

Bij een collumfractuur:
  • is conventionele radiologie de methode van voorkeur bij het aantonen of uitsluiten van fracturen;
  • is de tweede loodrechte richting (de axiale opname) een moeilijke maar zinvolle in-steltechniek;
  • is het risico op een fractuur groter na het zestigste levensjaar en bij vrouwen vanwege osteoporose.
J. Ploegmakers

40 Beeldvormende diagnostiek bij een zwelling in de mamma

Bij beeldvormend onderzoek van de mamma:
  • is mammografie de eerste keuze;
  • is echografisch onderzoek de methode van voorkeur bij patiënten jonger dan 30 jaar met een palpabele zwelling;
  • is een mammacarcinoom bij patiënten jonger dan 50 jaar altijd verdacht voor een overerfbare aandoening;
  • kan MRI als screeningstechniek overwogen worden bij patiënten met overerfbare aandoeningen.
A. van de Logt

41 Een MRI-onderzoek van de uterus

Het uterusmyoom:
  • is een van de meest voorkomende benigne afwijkingen aan de vrouwelijke inwendige genitalia;
  • MRI is de afbeeldingtechniek van voorkeur bij de planning van een embolisatie;
  • embolisatie wint terrein op het gebied van mogelijke therapieën. Na hormonale behandeling is dit steeds vaker de eerstvolgende keus van behandeling.
M. Snoeren

42 Een MRI-onderzoek van de prostaat

Bij prostaatonderzoek:
  • kan MRI van de prostaat gebruikt worden om prostaatkanker locoregionaal te stadiëren;
  • is een goede weergave van het aankleuringspatroon mogelijk door beelden met contrast te subtraheren van beelden zonder contrast;
  • ondersteunt de juiste afbeelding van de grootte en de ligging van de tumor in combinatie met het aankleuringspatroon de keuze van de behandeling.
J. Veltman

Nawerk

Meer informatie