Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Longfunctieonderzoek vormt de hoeksteen bij diagnostiek en behandeling van patiënten met longaandoeningen, maar wordt vaak door hulpverleners als ingewikkeld ervaren. De praktische handleiding longfunctietesten bevat vele tabellen, grafieken en praktische voorbeelden om (long)functieonderzoeken beter te begrijpen. Het boek helpt bij het vergroten van de fysiologische kennis over longfunctie en de verschillende onderzoeken: welke test meet wat, wat betekenen de resultaten, welke afwijkingen kan een test aantonen en welke klinische vragen kunnen worden beantwoord.De belangrijkste onderwerpen in dit boek zijn:• spirometrie en flowvolumetrie• spirometrie en flowvolumetrie• meting van statische longvolumina• diffusiemetingen• provocatietesten• hyperventilatietest• inspanningsonderzoek (zesminutenlooptest en fietsergometrie)• spierkrachtmetingen• arteriële bloedgasanalyse• polysomnografisch onderzoek• operabiliteit

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Spirometrie; dynamische longvolumina

Het meten van dynamische longvolumina is een vorm van spirometrisch onderzoek waarbij de hoeveelheid lucht die een persoon binnen een bepaalde tijd in- en/of uitademt, gemeten wordt. De meest uitgevoerde manoeuvre is de expiratoire geforceerde vitale capaciteit (FVC). Hierbij wordt na een maximale inademing aan de proefpersoon gevraagd om zo snel en volledig mogelijk uit te ademen. Gedurende deze manoeuvre wordt ook na één seconde het uitgeademde volume gemeten. Dit is de zogenaamde éénsecondewaarde (FEV1). De FVC kan op twee manieren weergegeven worden. Het uitgeblazen volume kan uitgezet worden tegen de tijd of het uitgeblazen volume kan uitgezet worden tegen de flow. In het tweede geval wordt dan een zogenaamde flowvolumecurve geblazen. Om het verschil tussen een spirogram en een flowvolumecurve duidelijk te maken, zijn ze hieronder in één figuur afgebeeld (figuur 1.1). De y-as geeft bij beide curven het volume weer. De x-as geeft of de tijd (spirogram) of de flow weer (flowvolumecurve). Beide curven kunnen van elkaar herleid worden (de tangens van alfa die in figuur 1.1 is afgebeeld is gelijk aan de flow).
Y. Heijdra

2. Statische longvolumina

Uitgebreide longfunctiemeting omvat de aanvullende meting van statische (of absolute) longvolumes. Deze zijn vooral behulpzaam in het onderscheid tussen restrictieve en obstructieve aandoeningen. De belangrijkste volumina zijn de volgende.
H. van Helvoort

3. Diffusie

De primaire functie van de longen is gasuitwisseling: zuurstof (O2) opname en koolstofdioxide (CO2) afgifte. CO2 is erg goed wateroplosbaar en wordt snel over het alveolocapillaire membraan getransporteerd. De arteriële en alveolaire CO2-spanning is hierdoor vrijwel gelijk. De hoeveelheid uitgeademde CO2 is dus vooral afhankelijk van de ventilatie. Zuurstof (O2) is echter slecht oplosbaar in water en O2- opname gaat veel langzamer dan CO2-afgifte. O2 is dus gevoeliger voor ziekten die de diffusie beïnvloeden dan CO2. Daardoor is de oorzaak van een geïsoleerde hypoxemie meestal een diffusiestoornis. De diffusiecapaciteit is de hoeveelheid van een gas die per tijdseenheid wordt uitgewisseld tussen de alveolaire lucht en het longcapillaire bloed. Diffusie bestaat uit het passeren van het alveolocapillaire membraan én het binden van O2 aan hemoglobine in de rode bloedcel (figuur 3.1). Het alveolocapillaire membraan bestaat uit de surfactantlaag, het alveolair epitheel, het interstitium en het capillaire endotheel.
J. Hannink

4. Bronchiale hyperreactiviteit

Hyperreactiviteit van gladspierweefsel in de luchtwegen op bepaalde stimuli leidt tot samentrekking van bronchi, hetgeen luchtwegobstructie tot gevolg heeft. Deze obstructie is variabel en meestal reversibel en is karakteristiek voor astma. De bronchiale hyperreactiviteit kan bepaald worden door de verandering van longfunctie te meten na blootstelling van de luchtwegen aan specifieke stimuli. Er kunnen verschillende protocollen en uitlokkende agentia gebruikt worden.
J. van Hees

5. Arteriële bloedgasanalyse

Bepaling van arteriële bloedgassen speelt een belangrijke rol bij de analyse van stoornissen in het zuur-base-evenwicht, de oxygenatie en de ventilatie. Uiteraard dient de arteriële bloedgasanalyse altijd gezien te worden in de klinische context van de patiënt. De waarde van de bloedgasanalyse is in hoge mate afhankelijk van de kennis van de clinicus om het bloedgas adequaat te interpreteren.
L. Heunks

6. Hyperventilatie

Hyperventilatie (HV) staat voor een verhoogde ventilatie – hoger dan voor het metabolisme op dat moment noodzakelijk is. Met andere woorden: te snel en/of te diep ademen. Op zichzelf is dit geen ziekte maar een verstoord adempatroon met meer dan normaal in- en uitademen. Omdat het lichaam daarop niet is ingesteld en zich probeert aan te passen, kan een verscheidenheid aan klachten ontstaan. Er zijn verschillende oorzaken van hyperventileren, grofweg onder te verdelen in somatische en psychische oorzaken. De term hyperventilatiesyndroom (HVS) betreft alleen de psychische oorzaken: voor deze diagnose dienen somatische oorzaken van hyperventileren uitgesloten te worden en moet er een min of meer karakteristiek klachtenpatroon zijn.
H. van Helvoort

7. Spierkracht

De ademhalingsspieren leveren de kracht die de ventilatoire pomp nodig heeft om de longen te ventileren. Slecht functionerende ademhalingsspieren kunnen het gevoel van kortademigheid vergroten, het tolereren van inspanning beperken en in ernstige vorm leiden tot respiratoire insufficiëntie. Er zijn verschillende testen voorhanden waarmee het functioneren van de ademhalingsspieren gemeten kan worden. Er kan onderscheid gemaakt worden in testen die de respiratoire musculatuur als geheel onderzoeken en testen die specifiek het functioneren van het diafragma, de belangrijkste inademingsspier, meten.
J. Van Hees

8. Zes-minutenlooptest

De zes-minutenlooptest (6MWT) is een praktische en eenvoudige test om de inspanningscapaciteit te meten. Deze test meet de afstand die een patiënt kan lopen in een periode van zes minuten. De patiënt mag zelf zijn tempo bepalen en naar eigen behoefte stoppen of rusten. Hij wordt daarbij om de twee minuten aangemoedigd. Als de patiënt hypoxemisch is, kan de test ook met zuurstof uitgevoerd worden. Om testuitslagen te kunnen vergelijken in de tijd, moet dat dan wel steeds dezelfde hoeveelheid O2 zijn. Hoewel de gelopen afstand de primaire uitkomstmaat van deze test is, kunnen ook voor en na de test zuurstofsaturatie en hartslag gemeten worden. Ook wordt de patiënt gevraagd om op de borgschaal (zie paragraaf 9.4) de mate van vermoeidheid en kortademigheid na de test aan te geven. De test evalueert de geïntegreerde fysiologische respons op inspanning, maar geeft geen informatie over de functie van specifieke orgaansystemen en moet daarom niet gezien worden als vervanging van cardiopulmonale inspanningstesten (ergometrie). De normale afstand die gezonden gedurende zes minuten lopen, is 600 meter. Een afstand < 500 m wordt als afwijkend beschouwd. Een saturatiedaling van > 5% tijdens de looptest is een sterke aanwijzing voor een respiratoire aandoening. Een excessieve toename van hartfrequentie duidt op een cardiale aandoening of een slechte conditie. In beide gevallen is het aan te bevelen om de specifieke oorzaak van deze afwijkingen nader te bepalen met behulp van ergometrie.
J. Van Hees

9. Fietsergometrie

Fietsergometrisch onderzoek speelt een belangrijke rol bij patiënten met dyspneuklachten van cardiale dan wel pulmonale origine. Door middel van inspanningsonderzoek is het mogelijk objectief, functionele en fysiologische beperkingen vast te leggen.
Y. Heijdra

10. Polysomnografie

Polysomnografie is een onderzoek om slaap en slaapstoornissen te beoordelen. Tijdens dit onderzoek wordt de slaapkwaliteit beoordeeld en kunnen tevens oorzaken van verminderde slaapkwaliteit vastgesteld worden. Veel mensen hebben last van een gestoorde slaap om uiteenlopende redenen. In totaal 10% van de normale populatie heeft regelmatig last van een gestoorde slaap; 3% heeft last van chronische slaapproblemen. Het is hiermee het meest voorkomende gezondheidsprobleem na pijn. Zestig procent van de mensen die slaapproblemen hebben, bespreekt dit echter niet met de huisarts.
J. van Haren-Willems

11. Operabiliteit van patiënten met longkanker

Het beoordelen van de operabiliteit van patiënten met longkanker is van belang om de pre- en postoperatieve risico’s voor patiënten in te schatten. Er wordt tevens een inschatting gemaakt van de postoperatieve invaliditeit. Daarnaast kunnen interventies gepleegd worden die de kans op risico’s en invaliditeit zo klein mogelijk maken. Er zal bij dit advies gebruikgemaakt worden van de ACCP-richtlijn uit 2007.
Y. Heijdra

Nawerk

Meer informatie