Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

In dit boek staan de kennis, vaardigheden en competenties van doktersassistenten centraal die vereist zijn in de specifieke settings van poliklinieken, jeugdgezondheidszorg en bij arbodiensten.

In de bedrijfsgeneeskunde (arbo) maar vooral in de jeugdgezondheidszorg is sinds de vorige druk (2006) veel veranderd. In Poliklinieken, jeugdgezondheidszorg en arbodienst komt de nieuwe zogenoemde ‘jeugdhulp’ uitgebreid aan bod, evenals belangrijke onderwerpen als autismespectrumstoornissen, psychiatrie, verslaving, onbegrepen (lichamelijke) klachten en pesten.

Deze vierde druk is voor een groot deel nieuw geschreven. De inhoud is actueel gemaakt en aanzienlijk uitgebreid. Er is ook in deze nieuwe druk aandacht voor onderwerpen uit vakgebieden als chirurgie, cardiologie, interne geneeskunde, neurologie, longziekten, oogheelkunde, verloskunde/gynaecologie, KNO, urologie, dermatologie en orthopedie. Aan aanvullend onderzoek, waar doktersassistenten een belangrijke rol kunnen spelen, wordt veel aandacht besteed om zo inzicht te geven in het doel van dit soort onderzoeken, maar vooral ook wat deze voor patiënten betekenen qua belasting. De vele voorbeelden, zoals longfunctieonderzoek, inspanningsECG, beeldvormend onderzoek, ‘ruggenprik’ en gastroscopie maken het boek nog toegankelijker.

Poliklinieken, jeugdgezondheidszorg en arbodienst is bedoeld voor doktersassistenten (in opleiding).

De auteur heeft jaren ervaring in de medische beroepspraktijk en het medisch beroepsonderwijs.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Artsen

Samenvatting
Veel dokters krijgen in hun werk te maken met doktersassistenten. Velen van hen werken bij een huisarts, bijvoorbeeld in een groepspraktijk of gezondheidscentrum. Er zijn ook veel doktersassistenten in het ziekenhuis, bij poliklinieken. Veel poliklinieken hebben de naam van een vakgebied, zoals dermatologie of cardiologie. Er zijn ook veel poli’s die speciaal bedoeld zijn voor een klacht, ziekte of probleem. Dit zijn wat voorbeelden: polikliniek menstruatie, hartfalenpolikliniek, Down-poli, polikliniek winterdepressie, geheugenpoli, mammapoli, polikliniek stoppen met roken. Andere voor de doktersassistent belangrijke werkgebieden zijn arbodienst en jeugdgezondheidszorg. Het woord ‘doktersassistent’ zegt dat je assistent bent van een dokter. Veel mensen noemen alleen de huisarts ‘de dokter’. Het woord ‘dokter’ is gangbaar voor alle artsen die patiënten behandelen.
E. A. F. Wentink

2. Interne geneeskunde

Samenvatting
De interne (inwendige) geneeskunde is het vak van de interne organen. Het kan gaan om infectieziekten, nierziekten, leveraandoeningen, bloedziekten, auto-immuunziekten, hormonale ziekten of kwaadaardige ziekten. Patiënten melden zich echter met klachten waaruit een diagnose moet worden afgeleid. De internist probeert met anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek (vooral bloedonderzoek) daartoe te komen. Daarnaast zijn er mogelijkheden als beeldvormend onderzoek, scopie en nucleaire geneeskunde. Patiënten met algemene symptomen en klachten zouden vooral bij de kinderarts, internist of klinisch geriater aan het goede adres zijn. De internist is breed georiënteerd. Interne geneeskunde is een groot vak in de medische opleiding en in het ziekenhuis een centraal specialisme. Dit hoofdstuk geeft daarvan een indruk. Typisch chirurgische aandoeningen staan daar niet bij, omdat de internist niet opereert. Naast medicatie is bijvoorbeeld chirurgie nodig, of radiotherapie. Op enkele onderwerpen in dit hoofstuk wordt dieper ingegaan, zoals aids.
E. A. F. Wentink

3. Cardiologie

Samenvatting
De cardioloog houdt zich bezig met ziekten van het hart. In het lichamelijk onderzoek is de stethoscoop belangrijk. Het technische aanvullende onderzoek is sterk gegroeid. In de behandeling is medicatie belangrijk. Met hartkatheterisaties wordt het hart van binnenuit onderzocht. Direct daarop kan worden behandeld. Een voorbeeld is dotteren. Met dotteren en bypassoperaties worden veel levens gered. Operaties worden uitgevoerd door de cardiothoracaal chirurg (= hartchirurg, = thoraxchirurg).
E. A. F. Wentink

4. Longziekten

Samenvatting
Astma, COPD, bronchuscarcinoom zijn belangrijke ziekten van de lagere luchtwegen. Roken is voor veel patiënten een pijnlijk onderwerp. Dat roken de longen vernietigt staat vast. De kennis van longkanker is sterk toegenomen en er zijn betere behandelingen maar de prognose is nog altijd erg slecht. De functie van de longen kan in afbeeldingen en getallen worden weergegeven. De patiënt blaast daarvoor in een apparaat. Een computer bewerkt de gegevens. Daarbij kan ook de invloed van medicatie worden beoordeeld. Dit is van belang bij astma en COPD. Weefsel kan worden onderzocht via bronchoscopie of door een punctie. Ook in de longgeneeskunde speelt beeldvormend onderzoek een belangrijke rol, met uitzondering van echografie. Ook de nucleaire geneeskunde is van belang, bijvoorbeeld in combinatie met CT bij de diagnostiek van longkanker. Bij astma is allergie meestal van grote invloed, wat onderzoek naar allergie nodig kan maken. Werkfactoren kunnen bij longziekten ook heel relevant zijn.
E. A. F. Wentink

5. Chirurgie

Samenvatting
Voor de doktersassistent is medisch-technisch handelen met wondverzorging en verbandleer belangrijk. De chirurg is bezig met aandoeningen die te opereren zijn, maar de werkweek zal voor meer dan de helft niet op de OK worden doorgebracht. Veel behandelingen zijn ‘conservatief’, dat wil zeggen niet operatief. De orthopeed, uroloog, neurochirurg, plastisch chirurg en thoraxchirurg zijn geheel zelfstandige medische specialismen, maar ook zij opereren en kunnen worden gezien als chirurgen op een heel duidelijk en afgebakend gebied waar algemene chirurgen wel in werken, maar niet zo snel operaties uitvoeren. Wie bekwaam is kan het misschien doen, maar een algemeen chirurg zal niet zo snel beginnen aan botbreuken (orthopeed), flapoorcorrectie (plastische chirurgie), bypassoperatie (thoraxchirurgie), een herniaoperatie (neurochirurg) of prostatectomie met robot (uroloog). Wat dat laatste betreft: de robot is in opmars. In dit hoofdstuk wordt wat meer aandacht besteed aan mammacarcinoom. Dan zal blijken dat het beruchte okselkliertoilet veel minder voorkomt dan vroeger.
E. A. F. Wentink

6. Urologie

Samenvatting
De uroloog houdt zich bezig met ziekten en problemen van de urinewegen en de mannelijke geslachtsorganen. Vooral de prostaat vraagt aandacht. Grote operaties waarbij veel wordt weggenomen komen niet meer zo heel vaak voor naar aanleiding van de prostaat. Steenvorming in de urinewegen wordt dankzij de vergruizer anders benaderd dan vroeger. Bijna niemand wordt nog geopereerd. Incontinentie kan in aanmerking komen voor medicatie, fysiotherapie en ook operatie. Erectiele disfunctie (impotentie) is voor veel mannen goed te verhelpen. In de urologie is beeldvormend onderzoek ook zeer belangrijk geworden. Relatief specifiek is urodynamisch onderzoek. De uroloog is dus gericht op nieren, nierbekken, urineleider, blaas, urinebuis, prostaat, zaadballen, bijballen en penis. Een tot twee dagen per week staat hij op de OK (operatiekamer) en verder zal de uroloog patiënten zien en spreken en ook veel diagnostiek zelf bedrijven. In de urologie is de robotchirurgie al relatief sterk doorgedrongen.
E. A. F. Wentink

7. Orthopedie

Samenvatting
De orthopedisch chirurg, ook ‘orthopeed’ genoemd, houdt zich bezig met het steun- en bewegingsapparaat, met name als er soms iets te opereren valt. Het steun- en bewegingsapparaat bestaat uit botten, gewrichten en ‘weke delen’. Weke delen zijn: spieren, banden, pezen en bindweefsel. Het gaat in de orthopedie niet alleen om botbreuken. De orthopedie begint bij baby’s en eindigt bij de oudsten onder ons. Orthopedische aandoeningen variëren van klompvoetjes tot gebroken heupen tot versleten knieën. Naast anamnese en lichamelijk onderzoek gaat het op de polikliniek orthopedie vooral om beeldvormend onderzoek. De arthroscopie wordt alleen nog gedaan als ook wordt geopereerd. De orthopeed denkt en handelt niet alleen operatief. Er zijn vele conservatieve (niet-operatieve) behandelingen en benaderingswijzen.
E. A. F. Wentink

8. Neurologie

Samenvatting
De neuroloog diagnosticeert en behandelt aandoeningen van het zenuwstelsel. Dan gaat het om de hersenen, het ruggenmerg, de zenuwen en de spieren. Er is tegenwoordig qua behandeling veel meer mogelijk dan vroeger. Als vroeger iemand een beroerte kreeg, dan wachtte men af hoe het afliep. Tegenwoordig vereisen verschijnselen die wijzen op een CVA de hoogste urgentie. Ook na een TIA wordt van alles gedaan. Voor andere aandoeningen in de neurologie bestaat medicatie. Er zijn aandoeningen waar de neurochirurg heel goed iets mee kan, maar van andere aandoeningen is juist bekend geworden dat opereren in veel gevallen niets uithaalt. Er moet ook een medisch specialist zijn die dat allemaal bijhoudt en vast kan stellen. Dat is de neuroloog
E. A. F. Wentink

9. Oogheelkunde

Samenvatting
Van oogaandoeningen is niets te begrijpen als je niet weet wat er zoal in en bij het oog zit: conjunctiva, cornea, uvea, retina, papil, macula, lens, overige onderdelen. In dit hoofdstuk zijn vele aandoeningen genoemd, die variëren van geheel onschuldig tot bedreigend voor het gezichtsvermogen Oogheelkunde is een technisch vak. Er komen veel patiënten langs, vaak maar voor een enkele keer. Uiteraard is het gezichtsvermogen voor mensen van groot belang. Van verschillende oogaandoeningen merkt men echter pas echt iets als het al te laat is. Dat geldt voor retinopathie (hypertensie, DM) en ook voor chronisch glaucoom. Daar moet men dus op tijd achter zien te komen.
E. A. F. Wentink

10. KNO

Samenvatting
KNO is het vak van de frisse lucht. In de neus, de bijholten en trommelholte (middenoor) hoort frisse lucht, geen vocht of slijm, en zeker geen pus. De KNO-arts zou ook KNO-LSSS-arts kunnen heten. LSSS staat dan voor larynx, strottenhoofd, speekselklieren en slokdarm. Toch is KNO beter, want daar ligt sterk de nadruk. De O van Oor omvat ook het binnenoor. Het binnenoor bestaat uit het slakkenhuis en het evenwichtsorgaan. Ziekten van het evenwicht, die zich in het typische geval uiten in draaiduizeligheid, horen dus ook bij KNO. De meest voorkomende kleine kwalen in Nederland zijn KNO-gerelateerd. Denk maar aan verkoudheid en oorsmeer. De KNO-arts richt zich op de moeilijke zaken. Zoals in zovele specialismen komt de KNO-arts ook van alles tegen. Om een idee te geven van de variatie: snurken, keelkanker, oorsuizen, neusbloeding, otosclerose, otitis externa.
E. A. F. Wentink

11. Dermatologie

Samenvatting
De dermatoloog is gespecialiseerd in de huid, inclusief haren en nagels, maar ook in soa’s en spataderen. Uitslag, pukkels, puisten, vlekken, bulten, wratjes, al dan niet besmettelijk, vormen het werkterrein.
E. A. F. Wentink

12. Gynaecologie/verloskunde

Samenvatting
De gynaecoloog houdt zich bezig met de diagnostiek en behandeling van ziekten van de vrouwelijke geslachtsorganen, maar ook met alles wat te maken heeft met voortplanting, seksualiteit, zwangerschap, bevalling en kraambed, en dat alles vooral als het niet goed gaat. Nederland is uniek door het nog steeds hoge percentage thuisbevallingen. De verloskundige is voor het normale beloop en zij kan als het nodig is heel snel alsnog in het ziekenhuis verder, of contact leggen met een dienstdoende gynaecoloog. De gynaecoloog/verloskundige (als medisch specialist) beweegt zich al met al op een heel breed terrein. Om een idee te geven is dit een aantal onderwerpen in willekeurige volgorde: kanker in de baarmoeder, stuitbevalling, infertiliteit, zwangerschapshypertensie, hormonale anticonceptie en eileiderontsteking.
E. A. F. Wentink

13. Endoscopie

Samenvatting
Via een lichaamsopening of een snee in de huid kan, zo nodig onder plaatselijke of algehele verdoving, een scopie in het lichaam worden uitgevoerd. Mede door de mogelijkheid tot het verrichten van een punctie of biopsie heeft endoscopie veel diagnostische waarde. Soms wordt tegelijkertijd een behandeling uitgevoerd. Endoscopieën kunnen op diverse manieren belastend zijn voor de patiënt.
E. A. F. Wentink

14. Beeldvormend onderzoek

Samenvatting
Er zijn vier soorten beeldvormend onderzoek: echo (geluidsgolven); X (röntgenstralen); CT (röntgenstralen); MRI (magnetische velden). Bij echo zijn bewegende beelden te verkrijgen door de combinatie met Doppler. Bij X, CT en MRI wordt, voor een betere afbeelding, soms contraststof gebruikt. Ieder onderzoek heeft zijn eigen indicaties, afhankelijk van wat men in beeld wil brengen, de belasting, risico’s en kosten. Voor MRI bestaan wel speciale contra-indicaties. Veel patiënten krijgen bijvoorbeeld een echo, röntgenfoto, CT-scan of MRI-scan. Daarom is het nuttig om er meer van te weten, met name over de belasting en de risico’s voor de patiënt.
E. A. F. Wentink

15. Scintigrafie

Samenvatting
Met heel licht radioactief gemaakte stoffen kan de functie van organen, cellen en zelfs moleculen in beeld gebracht worden. De stralenbelasting is te verwaarlozen. Dergelijk onderzoek valt qua belasting vaak mee. Er zijn geen vervelende bijwerkingen zoals allergie, misselijkheid of vermoeidheid. Het kost wel tijd, ook wachttijd. Daarnaast kan het nodig zijn een tijdje heel stil te liggen, er kan een bloedvat worden aangeprikt, het kan nodig zijn een aantal bekers water te drinken in korte tijd en meer van dat soort dingen, maar verder valt het mee. De scintigrafie biedt steeds meer mogelijkheden, ook door raakvlakken met radiotherapie en vooral radiologie.
E. A. F. Wentink

16. Pathologie

Samenvatting
De patholoog helpt andere medisch specialisten en huisartsen met hun zorg voor patiënten, maar ziet die patiënten zelf niet of nauwelijks. De microscoop is het belangrijkste onderzoeksinstrument. Het komt voor dat op de operatiekamer op de uitslag wordt gewacht. Een gemiddeld klein deel van de werkweek is de patholoog bezig met obducties. Een heel klein deel van de pathologen is forensisch patholoog. De technische mogelijkheden van het vak zijn sterk toegenomen. Ziekteprocessen zijn steeds beter in detail te bestuderen. De pathologie is nodig om beter te kunnen vaststellen hoe een patiënt moet worden behandeld. Obducties zijn belangrijk omdat zij feedback geven: nogal eens blijkt in het lichaam toch iets anders aan de hand te zijn dan men dacht. De pathologie is nodig om de behandeling van patiënten beter te kunnen bepalen. De pathologie is nodig voor de diagnostiek. Over die diagnostiek geeft de pathologie feedback.
E. A. F. Wentink

17. Inleiding jeugdgezondheidszorg

Samenvatting
Een goed uitgevoerde anamnese, screening en lichamelijke beoordeling tijdens het periodiek geneeskundig onderzoek op de basisschool en in het voortgezet onderwijs, kan een globaal beeld geven van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind op dat moment.
E. A. F. Wentink

18. Werken in de JGZ

Samenvatting
De JGZ bereikt bijna alle kinderen en is dus een heel groot instituut. Er zijn vele richtlijnen en protocollen. Dat zijn afspraken waar iedereen zich aan houdt. Alleen dan is het mogelijk om zo grote aantallen kinderen en jeugdigen bijvoorbeeld te screenen en te vaccineren. Het basiswerk moet snel en efficiënt verlopen. De andere kant is het maatwerk. De tijd waarin ouders werden betutteld is voorbij. Maatwerk is ook het menselijke dat in zo’n groot apparaat als de jeugdgezondheidszorg de ruimte moet krijgen. Daar kan ook de doktersassistent aan bijdragen.
E. A. F. Wentink

19. JGZ in de context

Samenvatting
Er zijn verschillende soorten problematiek waar kinderen en hun ouders hulp bij nodig hebben. Onderscheid is noodzakelijk, maar er is ook veel onderlinge samenhang: het is vaak niet ‘of/of’ maar ‘en/’en. Het is moeilijk maar ook belangrijk dat de jeugdhulp zo georganiseerd wordt dat de problematiek in volle omvang goed wordt opgepakt op de passende plaats. Dan gaan de kosten drastisch omlaag en ontstaat er samenwerking. Vaak weten de hulpverleners elkaar niet te vinden. Dat ligt natuurlijk ook aan hoe het is georganiseerd. Vaak wordt er van alles veranderd, in de hoop dat het beter gaat. Onbekende zaken in dit hoofdstuk zijn daarom niet altijd gebrek aan kennis, maar kunnen met tussentijds verandering te maken hebben. Wat altijd blijft is dat kinderen met verschillende soorten problematiek te maken hebben en dat het één het ander niet uitsluit.
E. A. F. Wentink

20. Groei

Samenvatting
Groei van lengte en gewicht zijn belangrijk in het leven van kinderen en geven ook informatie over hun gezondheid. In de jeugdgezondheidszorg worden de gegevens bijgehouden.. De groeicurven maken het verloop in de tijd zichtbaar. Vooral het afbuigen van curven maakt extra aandacht noodzakelijk. Een probleem dat in de loop van de tijd steeds ernstiger is geworden is overgewicht. Zonder intensieve aanpak met aandacht voor de vele factoren die een rol spelen, lijkt er niets tegen te doen. Ook is aandacht nodig voor de seksuele ontwikkeling, dus voor de puberteit. Aan de hand van uiterlijke geslachtskenmerken kan het puberteitsstadium worden vastgesteld. Bij een vroege puberteit zal de lengtegroei eerder zijn afgelopen, en andersom.
E. A. F. Wentink

21. Ogen en gezichtsvermogen

Samenvatting
Anamnese en onderzoek van visus, dieptezien en kleurenzien zijn nodig om aandoeningen zoals brekingsafwijkingen (myopie, hypermetropie, astigmatisme), amblyopie en kleurenblindheid te kunnen vaststellen. Amblyopie is in de JGZ verreweg de belangrijkste aandoening waarop wordt gescreend. Bij een vroege diagnose is behandeling mogelijk. Dit gebeurt door afplakken en/of een bril. De visustest is in dit verband de belangrijkste onderzoeksmethode. Een groter geworden groep, bestaande uit mensen met een verstandelijke beperking en kinderen die te vroeg geboren zijn of in de eerste fase van hun leven veel te licht waren, heeft op grond van het functioneren van de hersenen problemen met het verwerken van visuele informatie. Kleurenzwakte betreft meestal rood-groen en is voor een aantal beroepen een probleem. De kleurentest wordt echter niet meer standaard gedaan. Het is de vraag of dat goed is.
E. A. F. Wentink

22. Het gehoor van kinderen

Samenvatting
Een goed gehoor is van belang voor de sociale ontwikkeling en de ontwikkeling van taal. Tijdelijke geleidingsdoofheid komt meestal door OME. In ernstige of zeer langdurige gevallen krijgt een kind adenotomie en/of buisjes. Audiometrie is vooral gericht op het vinden van perceptiedoofheid. Dit is niet te genezen, maar een gehoorapparaatje is belangrijk om meer te kunnen horen. Doven communiceren vaak met gebarentaal. De functie van de cochlea kan een klein beetje worden nagedaan door een CI, dat is een cochleair implantaat. Mensen kunnen dan dankbaar zijn weer wat te horen, maar het effect is beperkt en wie het CI afzet is veelal geheel doof. Kinderen met een CI lijken relatief vaak psychische problemen te hebben. Zij vallen als het ware tussen de wal en het schip. Er zijn mensen (vooral doven) die vinden dat een doof kind naar een dovenschool zou moeten gaan en de gebarentaal zouden moeten leren.
E. A. F. Wentink

23. ADHD

Samenvatting
Als er bij zorgvuldige observatie op twee of meer plaatsen sprake is van blijvende, niet bij de leeftijd passende hyperactiviteit, impulsiviteit en/of aandachttekort, dan is er sprake van ADHD of ADD. Hierbij moeten de negatieve gevolgen daarvan ook duidelijk zijn en differentiaaldiagnostiek en comorbiditeit (inclusief de lichamelijke gezondheid) alle nodige aandacht hebben gekregen. ADHD gaat in verreweg de meeste gevallen samen met problematiek van andere aard. ADHD op zichzelf leidt echter ook al tot vele complicaties, vooral als er geen behandeling wordt ingesteld. Daarin is in ieder geval medicatie belangrijk, maar het behandelplan moet breder zijn dan dat wil het kans van slagen hebben. Belangrijke elementen zijn bijvoorbeeld opvoedingsondersteuning en psycho-educatie, ook voor scholen. De JGZ heeft een essentiële screenende en ook coördinerende rol. In de nieuwe organisatievorm is er misschien meer kans om voor kinderen en jeugdigen (en hun ouders en leerkrachten) van betekenis te zijn.
E. A. F. Wentink

24. Kindermishandeling

Samenvatting
Bij signalen van mogelijke lichamelijke en/of psychische mishandeling en/of verwaarlozing en/of seksueel misbruik kan worden gemeld, bijvoorbeeld bij Veilig Thuis of de Raad (voor de kinderbescherming) of de politie. In veel gevallen zal dan vrijwillige hulp op gang komen. Soms is die hulp verplicht. Zelfs dan kunnen ouders dankbaar zijn dat het in gang is gezet. Voor de JGZ bestaat tegenwoordig de meldcode, die met name is bedoeld voor de jeugdartsen. Het is in het belang van het kind noodzakelijk de ogen te openen voor de risicofactoren, maar ook de beschermende factoren en in de eerste plaats voor het verschijnsel kindermishandeling op zichzelf in de brede definitie. Wie het niet wil zien, of niet kan zien, die ziet het niet. Dat is niet in het belang van het kind.
E. A. F. Wentink

25. Vaccinaties

Samenvatting
Er bestaat een uitvoerig rijksvaccinatieprogramma waar bijna alle kinderen via hun ouders gebruik van maken. Kinkhoest is echter moeilijk onder de knie te krijgen. Ook andere infecties duiken soms weer op. Ernstige bijwerkingen zijn heel zeldzaam. Er is nooit een verband aangetoond tussen een inenting en sterfte of een ernstige chronische aandoening zoals autisme en vele anderen. Er bestaat over de vaccinaties veel onjuiste en angstaanjagende informatie op internet. Soms ontstaat een complete hype. De vaccinatiegraad van de laatst toegevoegde inenting, HPV, is daardoor veel te laag.
E. A. F. Wentink

26. Hoofdluis

Samenvatting
De hoofdluis is ongevaarlijk, maar vervelend. Ouders, scholen en jeugdgezondheidszorg bestrijden de hoofdluis regelmatig en met nog grotere inzet dan voorheen. Hoofdluis heeft niets te maken met hygiëne. Als de luizen of neten zijn aangetoond, is kammen verreweg de belangrijkste methode, die ook genoeg kan zijn. Wel moet men twee weken volhouden en het heel precies doen, dus niets vergeten. Daar is men bij meisjes (als ze lang haar hebben) misschien wel een uur of nog langer mee zoet. Een aanvullende mogelijkheid in de behandeling is dimeticon. Gesteld dat men een middel zou willen gebruiken, is dat eerste keus. Het is geen chemisch dierenbestrijdingsmiddel. Zeer ernstige besmetting met hoofdluis is zeldzaam, maar moet bij voorkomen worden gezien als lichamelijke verwaarlozing.
E. A. F. Wentink

27. Autismespectrumstoornis

Samenvatting
Autisme is een biologische ontwikkelingsstoornis van de hersenen die sinds 2014 autismespectrumstoornis wordt genoemd (ASS). Vanaf heel jonge leeftijd kunnen er verschijnselen zijn, maar het is enorm belangrijk niet te snel maar ook niet te laat de diagnose te stellen. Screening is dus van het grootste belang en daarbij is zorgvuldigheid nodig. Dat blijkt ook wel te kunnen en de jeugdgezondheidszorg kan een grote rol spelen, maar echt geschikte screeningsinstrument zijn er niet. Men heeft wel iets aan bijvoorbeeld het Van Wiechen onderzoek. Bovendien gaat ASS in de grote meerderheid van de gevallen samen met andere psychiatrische problematiek, die soms ook apart behandeld moet worden. De kenmerken van ASS liggen op het vlak van de sociale vermogens en de communicatie, maar daarnaast op het vlak van de informatieverwerking. Dat blijkt onder andere uit de behoefte aan voorspelbaarheid en uit een opvallende overgevoeligheid of soms ook ongevoeligheid voor zintuiglijke prikkels.
E. A. F. Wentink

28. Ontwikkeling

Samenvatting
Een belangrijke taak van de JGZ is het volgen van de ontwikkeling. Een aantal facetten van die ontwikkeling met voorbeelden van verstoringen komt in dit hoofdstuk aan bod. Het betreft achtereenvolgens de cognitieve ontwikkeling, de lichamelijke ontwikkeling, spraak en taal, motoriek en zindelijkheid. Dit soort problemen heeft grote gevolgen voor hoe een kind zich voelt en functioneert. Het is van belang hierbij niet te veel en te snel te denken aan opvoedingsproblemen als oorzaak. Als die er zijn, dan zijn zij meestal gevolgen. Een kind kan bijvoorbeeld door incompetente opvoeders weer in bed gaan plassen, maar omgekeerd zijn net zo goed voorbeelden te bedenken. Het is moeilijk om goed in te spelen op kinderen die je nog niet snapt en die veel meer nodig hebben dan andere kinderen.
E. A. F. Wentink

29. JGZ en psychiatrie

Samenvatting
ADHD en autisme spelen in de praktijk een grote rol. Verbazingwekkend veel kinderen krijgen een dergelijke diagnose. Tegelijkertijd blijken veel kinderen met problemen door ADHD en/of autisme niet herkend te worden en dus niet de hulp te krijgen die zij nodig hebben. Dit geldt voor psychiatrische problematiek in het algemeen. De JGZ is van groot belang vanwege de screening. In de JGZ is de laatste jaren steeds meer aandacht voor de psychosociale ontwikkeling en de psychosociale gezondheid. Hoe jonger het kind, hoe sterker de verwevenheid met de omgeving. De benadering moet met alles rekening houden zonder het doel snel een psychiatrische diagnose te stellen. Er zijn oneindig veel risicofactoren, maar ook beschermende factoren die de ontwikkeling en de gezondheid bepalen, zowel lichamelijk als psychisch. Met die ontwikkeling moet in het bijzonder rekening worden gehouden bij uitspraken over hoe een kind denkt, voelt en zich gedraagt.
E. A. F. Wentink

30. Verslaving

Samenvatting
Er zijn jeugdigen, en zelfs kinderen die al heel duidelijk op weg zijn naar verslaving, of bij wie die verslaving feitelijk al aanwezig is. Het is wel belangrijk om dat begrip zorgvuldig te gebruiken. Het gaat om vele zaken, niet alleen om alcohol en drugs. Nieuw, en nog onvoldoende in beeld, is verslaving aan gamen en internet. Het geeft te denken dat nicotine vergeleken met veel andere stoffen zeer verslavend is. In de JGZ gaat het zoals altijd vooral om screening en preventie.
E. A. F. Wentink

31. Varia

Samenvatting
Enkele punten in de jeugdgezondheidszorg die van belang kunnen zijn komen in dit hoofdstuk aan bod, zoals ongunstige gewoonten en mogelijke oplossingen daarvoor, slaapstoornissen, niet-voelbare testes, phimosis, kinderen van ‘andere ouders’, diverse problemen met de huid, onbegrepen klachten, pesten en ICT.
E. A. F. Wentink

32. Bedrijfsgezondheidszorg 1

Samenvatting
Veel medische en niet-medische oorzaken leiden tot ziekte(verzuim) of arbeidsongeschiktheid. Een zorgvuldige individuele beoordeling is in alle gevallen belangrijk. Het streven naar re-integratie is een belangrijk uitgangspunt.
E. A. F. Wentink

33. Bedrijfsgezondheidszorg II

Samenvatting
Beroepsziekten zoals lawaaidoofheid, eczeem en OPS ontstaan geheel of grotendeels door invloeden op het werk. Beroepsgebonden aandoeningen hebben in ieder geval voor een gedeelte met het werk te maken, bijvoorbeeld psychische klachten en klachten van het bewegingsapparaat zoals rugpijn. Altijd moeten andere oorzaken zo goed mogelijk worden uitgesloten. Genezing is niet altijd mogelijk. Dit maakt preventie extra belangrijk. Daarvoor dienen bijvoorbeeld de RI&E’s en de PMO’s. Aanstellingskeuringen kunnen mensen uitsluiten die niet voldoen aan specifieke functie-eisen. Een en ander illustreert het belang van de arbodienst voor veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemers. Dit is ook voor de werkgevers belangrijk.
E. A. F. Wentink

Nawerk

Meer informatie

Extras