Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Een duurzaam herstel van aandoeningen vereist een zorgvuldige training en opbouw van de belastbaarheid, maar ook het onderhouden ervan is essentieel. In het basisboek Training van spierkracht en spierfunctie, deel 1 uit de reeks Paramedisch trainingsbegeleiding, staat training van spierkracht als therapie centraal. Het boek gaat in op de wetenschappelijke (fysiologische) achtergrond van krachttraining en beschrijft de begeleidingsaspecten bij krachttraining. Ook apparatuur, materiaalgebruik en het opzetten van trainingsprogramma's komen aan de orde. Het boek biedt op een verantwoorde manier handvatten om krachttraining in de praktijk te realiseren. Het is een compleet en rijk geïllustreerd naslagwerk over krachttraining als therapie voor het Nederlandse taalgebied.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Hoofdstuk 1. Trainingsleer en inspanningsfysiologie binnen de paramedische beroepsuitoefening

Zowel bij dieren als bij mensen is bewegen een van de meest in het oog springende levensverschijnselen. De evolutie van vele miljoenen jaren heeft een grote veelzijdigheid aan motorische handelingen bij de mens tot ontwikkeling gebracht. Voor onze voorouders uit het Paleolithicum was het gevarieerd en langdurig bewegen (bijvoorbeeld jagen, voedsel zoeken, vluchten) een noodzaak om te overleven; de biologische evolutie heeft vervolgens geresulteerd in een erfelijke aanleg van basale motorische eigenschappen (kracht, snelheid, lenigheid, coördinatie en uithoudingsvermogen) en een veelzijdig bewegen.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 2. Belasting-belastbaarheidsmodel in relatie tot gezondheid en ziekte

Vanaf het begin van de jaren zeventig zijn binnen de paramedische disciplines discussies op gang gekomen op sociaal-maatschappelijk en ook beroepsinhoudelijk terrein, waarbij de effectiviteit en efficiëntie van de zorgverlening steeds sterker in twijfel getrokken werden. ‘Legitimering van het paramedisch handelen’ is vooral binnen de fysiotherapie een bekend adagium geworden. Behalve de druk van de ‘bewijslast inzake effectiviteit’ ontstond ook een groeiende behoefte aan wetenschappelijke onderbouwing van de gehanteerde methoden en verklaringen voor de effecten van (fysio)therapie.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 3. Algemene trainingsleer

In situaties waarin sprake is van begeleiding of van therapie gaat het bijna altijd ook om een leersituatie. Bij de oefentherapeutische disciplines Cesar en Mensendieck is dit zelfs expliciet uitgangspunt van handelen. Het leren is hierbij gericht op het aanleren van (nieuwe) bewegingen of houdingen, met als doel een gezonder bewegingsgedrag voor de patiënt/cliënt. Oefentherapie en het leerproces dat daarbij plaatsvindt, is aan een aantal didactische en methodische regels onderhevig (zie ook hoofdstuk 10). Training als zodanig is ook op te vatten als een leerproces, waarbij het zwaartepunt niet primair ligt op het (nieuw) aan- of herleren van bewegingen, maar meer gericht is op het vergroten en uitbreiden van de reeds aanwezige capaciteiten of verworven bewegingsmogelijkheden naar een hoger belastingsniveau. ‘Trainen’ onderscheidt zich hierdoor duidelijk van ‘oefenen’, hoewel aan vrijwel iedere trainingsvorm eerst een oefentraject voorafgaat. Het trainingstraject kent eveneens een aantal regels en principes.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 4. Fysiologische en anatomische aspecten van spierfunctie

Het belang van de skeletspierfunctie voor de (voort-)beweging is evident. Over de fysiologische en anatomische aspecten van deze spieren is al veel bekend. In dit hoofdstuk worden bouw en structuur van een skeletspier beschreven. Om inzicht te krijgen in het functioneren van spieren is het noodzakelijk aandacht te besteden aan het traject vanaf de oorzaak van de beweging (de ‘wil tot bewegen’) tot de uiteindelijke beweging. Ook komen de fases die zich daartussen bevinden en de bijbehorende fysiologische processen aan de orde.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 5. Het meten van spierkracht en spierfunctie

‘Meten is weten’: was het maar zo simpel. Bij meting van specifieke processen of onderwerpen in het algemeen worden op een objectieve manier waarden toegekend aan die processen en onderwerpen. Tussen (en zelfs voor) het toekennen en interpreteren van de waarden bevindt zich een aantal valkuilen. In dit hoofdstuk komen aan de orde de methodieken en bijbehorende valkuilen voor het registreren en interpreteren van spierfunctie en spierkracht.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 6. Aanpassingen en veranderingen in de spier door training

Wanneer iemand door middel van een trainingsprogramma zijn spierkracht ontwikkelt, vinden er neurologische, biochemische, morfologische, fysiologische en functioneel waarneembare veranderingen plaats die de krachtstoename bewerkstelligen. Gedurende vele jaren nam men aan dat toe- en afname van spierkracht eenvoudigweg het gevolg was van de veranderingen in de grootte en/of omvang van de spier(groep): als een spier in omvang toenam, hypertrofieerde, was daarvan spierkrachttoename het gevolg. In tegenstelling daarmee was er atrofie een afname van spierkracht.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 7. Trainingsparameters van spierfunctie in de praktijk

Afhankelijk van de doelstelling en specifieke accenten die men in de training wil leggen, kan men verschillende praktische procedures volgen, om het trainingsprogramma concreet vorm te geven. Per contractievorm zullen de voor de paramedicus relevante procedures worden beschreven.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 8. Effectiviteit van spierfunctietraining bij gezonde mensen

Welke van de in hoofdstuk 7 genoemde methoden heeft nu het beste trainingseffect ten aanzien van spierkracht? In veel wetenschappelijke studies richtte men zich op de vergelijking tussen isometrische en isotonische training en men vond dat beide trainingsvormen substantiële krachttoenames bewerkstelligden. Isotonische training geeft wellicht een nog iets grotere toename van absolute kracht en zeker een veel grotere toename van spieruithoudingsvermogen en hypertrofie. Veel minder onderzoekers hebben zich bezig gehouden met de vergelijking tussen isokinetische en isotonische/isometrische trainingseffecten.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 9. Trainingsvormen van spierfunctie in de praktijk

In de voorgaande hoofdstukken zijn de trainingsprincipes van specificiteit, overload en progressieve belasting uiteengezet. Spierfunctie-verbetering kan niet plaatsvinden zonder het overwinnen van weerstand. Of dit nu de zwaartekracht betreft, of dat het gaat om elastische, pneumatische of (elektro)mechanische aard, maakt voor het principe van spierfunctieverbetering door training, niets uit. Factoren die wél van invloed zijn op de uiteindelijke capaciteitsverbetering van de spier(groep), zijn de soort spiercontractie en de soort weerstand die via een trainingsapparaat wordt opgelegd, alsmede natuurlijk de inhoud van het trainingsprogramma.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Hoofdstuk 10. Begeleidingsaspecten en didactiek

Iedere trainingssetting, zij het in het kader van therapie, zij het in het kader van sportbeoefening of vrije training, kent fasen van aanleren en herleren van bewegingen en/of houdingen. In deze situaties is sprake van een zgn. onderwijsleersituatie, waarbij spelregels uit de didactiek en de methodiek worden gehanteerd. Diverse standaardwerken over lichamelijke opvoeding gaan uitgebreid in op deze materie; derhalve is in het navolgende aansluiting gezocht bij Van van Gelder et al. (1974), De Corte et al. (1980) en Van der Loo (1986). Voor de therapeut/trainingsbegeleider is basiskennis van hun werk onmisbaar. Kort zullen hier de belangrijkste aspecten worden belicht voor zover deze van belang zijn voor de paramedische praktijk.
J. L. M. van Gestel, C. M. C. Hoeksema-Bakker

Nawerk

Meer informatie