Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Agressie is een veelvoorkomend probleem met verschillende verschijningsvormen, zoals fysiek geweld, geweld gericht op materiële zaken en verbaal geweld. Niet alleen slachtoffers ondervinden hiervan nadelige gevolgen, maar ook de daders. Velen van hen nemen zich na een incident voor om dit niet meer te laten gebeuren, maar echt stoppen met agressie blijkt vaak moeilijker te zijn dan gedacht.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Achtergronden en behandeling van agressieproblematiek

Voorwerk

1. Agressie: defi nities en omvang

Wanneer gesproken wordt over agressie, dan wordt daarmee bedoeld: ieder gedrag dat op een ander individu gericht is en als onmiddellijk doel heeft de ander schade te berokkenen. De dader moet hierbij geloven dat zijn gedrag de ander schade toebrengt en het slachtoffer moet gemotiveerd zijn om deze schade te voorkomen (Anderson & Bushman, 2002). Hieronder vallen de volgende vormen van gedrag: fysieke agressie, verbale agressie en materiële agressie. Onder fysieke agressie wordt verstaan: alle lijfelijke, op een andere persoon gerichte uitingen van agressiviteit. Hieronder vallen onder meer slaan, schoppen, verwonden, opsluiten en gedwongen seksuele intimiteit. Verbale agressie omvat op de persoon gerichte bedreigingen, kleinerende opmerkingen, chantage en scheldpartijen (Van Dijk e.a., 1997). Onder materiele agressie wordt verstaan alle geweld gericht tegen goederen. Stalking kan ook als een vorm van geweld opgevat worden.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

2. Verschillende typen agressieve mannen

Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen verschillende typen daders omdat deze een verschillende aanpak vragen en ook een andere prognose hebben. In de literatuur komen we verschillende typologieën van agressieve mannen tegen. Holtzworth-Munroe en Stuart (1994) komen op grond van een meta-analyse van zowel empirisch onderzoek naar typologieën als een overzicht van theoretische gefundeerde indelingen tot een indeling in drie typen gewelddadige mannen. De eerste dimensie waarop zij een onderscheid maken is of het geweld alleen binnen de relatie plaatsvindt of ook daarbuiten. Vervolgens verdelen ze de groep mannen die zowel gewelddadig is binnen de relatie als daarbuiten onder in emotioneel labiele mannen en psychopathische mannen. Op grond van later onderzoek komt ook uit de groep daders van relationeel geweld een consistente tweedeling naar voren, namelijk de narcistische en de geremde dader (Warnaar & Wegelin, 2003). Zowel bij de daders van algemeen geweld als van relationeel geweld kan narcisme voorkomen. De aard van het narcisme is bij algemeen geweld echter pathologischer dan bij daders van uitsluitend relationeel geweld (Warnaar & Wegelin, 2003).
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

3. Behandelmogelijkheden

Agressieve mannen worden behandeld in verschillende behandelsettings. De belangrijkste behandelsettings zijn de forensische behandelcentra en de reguliere ggz. Een belangrijk verschil tussen deze twee behandelsettings is dat behandeling die in de forensische setting plaatsvindt opgelegd is door justitie en dat behandeling in de reguliere ggz vaak zonder dwang vanuit justitie plaatsvindt. Dit verschil kan een aantal consequenties hebben voor de behandeling. De mate van vrijwilligheid en daarmee samenhangend de motivatie is bij de reguliere ggz mogelijk groter, maar het justitiële kader binnen de forensische setting kan ook dienen als een stok achter de deur en zo bijdragen aan (externe) motivatie.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

4. Doelgroep, diagnostiek en indicatiestelling

Naast de reguliere groepen voor mannen met agressieproblemen geven wij er de voorkeur aan ook een groep voor allochtone daders en een groep voor vrouwelijke daders op te zetten. De redenen hiervoor zijn dat de achtergronden, thematiek en instandhoudende factoren bij deze doelgroepen tamelijk specifi ek zijn.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

5. Benadering van cliënten, motivatie en gespreksvoering

Van veel cliënten die aangemeld worden voor het programma, via de huisarts, motivatiegesprekken op het politiebureau, na instelling van het tijdelijk huisverbod of via de reclassering, is de motivatie om in behandeling te gaan ambivalent. De motivatie is veelal extern bepaald en van korte duur. De kans op actieve deelname aan de behandeling kan worden vergroot door aandacht te hebben voor de volgende punten:
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

6. Behandeling

De behandeling van agressie zal veelal een meersporenaanpak moeten zijn. Vaak spelen er problemen op meer dan één gebied: fi nancieel, psychisch, relatie, opvoeding, misbruik van middelen. Op grond van een zorgvuldige probleeminventarisatie en risicotaxatie (zie hoofdstuk 2) worden vaak verschillende sporen tegelijk met soms meerdere instanties ingezet. Het is dan van belang om goed af te spreken wie dan de regie over de totale behandeling heeft (zie ook hoofdstuk 11 over ketensamenwerking).
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

7. Relatiegesprekken

De relatiegesprekken hebben meerdere doelen. Ten eerste hebben ze als doel meer informatie te verkrijgen over het probleemgedrag. Vaak herkent de partner al in een eerder stadium dan de geweldpleger zelf dat een situatie mis kan lopen. Hierdoor ontstaat meer zicht op de delictketen. Ook kan duidelijk worden welke gedragingen van de partner escalerend of de-escalerend werken.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

8. Groepsbehandeling

Om redenen die in hoofdstuk 3 genoemd zijn bestaan er verschillende behandelprotocollen voor de groepsbehandeling van agressief gedrag. Deze varianten zijn in tweeën te splitsen, een tweedeling die een essentieel verschil in aanpak duidelijk maakt. Beide varianten baseren zich voornamelijk op gedragstherapeutische principes en worden meestal groepsgewijs georganiseerd, maar verschillen in organisatie en duur van het programma. De ene variant is cursorisch van opzet en heeft een vast aantal sessies met voor alle deelnemers een duidelijk begin en eind (bijvoorbeeld de cursus ‘Held Zonder Geweld’ van Hornsveld, 2004), de andere variant is opgezet volgens het carrouselmodel. Een programma wordt volgens een vaste structuur in een bepaalde cyclus herhaald en cliënten kunnen op vaste momenten in- en uitstromen (Deneer, 2001, 2004; Hakstege, 2004). Wij hebben gekozen voor het carrouselmodel, omdat behandeling van agressie in de regel langduriger moet zijn en maatwerk vereist (De Ruiter, 2007) en het carrouselmodel meer mogelijkheden biedt om binnen het groepsproces maatwerk te leveren en de duur van de behandeling aan de individuele cliënt aan te passen.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

9. Groepsprocessen

In de literatuur over cognitieve gedragstherapie in groepen wordt onderscheid gemaakt tussen de technieken die in een groep worden aangeleerd en het groepsproces (Bieling, McCabe & Antony, 2006). Het groepsproces wordt gevormd door de invloed die de groepsleden met hun eigen klachten en persoonlijkheden op elkaar hebben in interactie met de invloed van de therapeuten op de cliënten en op elkaar. Factoren als afwezigheid, drop-out, tevredenheid over de therapie, groepscohesie en vertrouwen beïnvloeden de interacties tussen de groepsleden.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

10. Valkuilen en hindernissen in de groepsbehandeling1

Vaak 1 komt het in groepen voor dat de herkenbaarheid van de problematiek een sterke cohesie laat ontstaan tussen de groepsleden. Dit komt een groepsbehandeling ten goede, omdat de veiligheid in de groep toeneemt en daarmee de mogelijkheden om kritisch tegenover elkaar te kunnen en mogen zijn (Rose, 1989). Sterke groepscohesie kan in een groep voor agressieve mannen echter ook leiden tot gezellig gepraat over voetbal en auto’s in plaats van het bespreken van problemen. Wanneer de therapeuten iets ter sprake willen brengen of het gesprek willen verdiepen, wordt dit door de groep dan vaak afgedaan met een geintje. Onze ervaring is dat veel groepsleden al vóór de zitting begint bij elkaar komen en onder het genot van een kopje koffi e met elkaar bijpraten. Tijdens de groepszitting wordt dan steeds teruggekomen op de gesprekken die in de pauze of voorafgaand aan de groep worden gevoerd.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

11. Ketensamenwerking en juridische aspecten

De aanpak van huiselijk geweld was in het verleden voornamelijk het domein van de vrouwenhulpverlening (lees: slachtofferopvang). De laatste jaren zijn er steeds meer maatschappelijke organisaties en zorginstellingen die zich richten op de aanpak van huiselijk en publiek geweld. Continuïteit in de hulpverlening werd tot voor kort belemmerd doordat informatie, mede omwille van de privacy, niet gedeeld kon worden. Door een eenzijdige benadering bleven resultaten achter en was het recidivepercentage hoog. Slachtoffers werden tijdelijk opgevangen in een ‘blijf-van-mijn-lijfhuis’, maar keerden vaak weer terug bij de gewelddadige partner. Veel plegers en slachtoffers kwamen überhaupt niet in beeld bij de hulpverlening. Politie en justitie waren nog niet actief in het opsporen en straffen van geweldplegers. Wat achter de voordeur gebeurde bleef achter de voordeur.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

Handleiding bij het werkboek

Voorwerk

12. In- en uitstroommomenten

Zoals beschreven in deel 1 van deze handleiding wordt het programma ‘Niet meer door het lint’ uitgevoerd volgens het carrouselmodel met eens per drie maanden een in- en een uitstroommoment. Hieronder volgt een overzicht van de aandachtspunten rondom dit moment.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

13. Wb 1 Inleiding

Het geven van psycho-educatie vormt een belangrijk onderdeel in de behandeling van agressieve mannen. Psycho-educatie wordt gegeven in de kennismakingsgesprekken die aan de groepsbehandeling voorafgaan, maar wordt gedurende de groepsbehandeling herhaald. Psycho-educatie betekent het geven van informatie over klachten en problemen, zodat een cliënt weet wat er met hem aan de hand is en dit in een voor hem begrijpelijk kader kan plaatsen. Doordat de cliënten hun kennis over bepaalde onderwerpen vergroten, is er een basis om het gedragsrepertoire uit te gaan breiden. Een breder gedragsrepertoire leidt tot alternatieve strategieën om problemen op te lossen in plaats van met agressie (Van Dam & Van Tilburg, 2007). De cijfers over het vóórkomen van geweld zijn gebaseerd op de nulmeting aanpak huiselijk geweld (Van Egten, 2005) en de jaarrapportage Veiligheid (2003) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Actuele cijfers zijn te vinden op www.huiselijkgeweld.nl.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

14. Wb 2 Motivatie

Een ambivalente houding tan aanzien van gedragsverandering komt veel voor bij cliënten met agressieproblemen (Van Dam & Van Tilburg, 2007; Van Dam, 2009; Van Tilburg, 2008; Warnaar & Wegelin, 2005). Om gedragsverandering te bereiken is het van belang dat de interventies van de therapeuten aansluiten bij de motivatie van de cliënt.In kaart brengen van de motivatie en de door de cliënt verwachte voor- en nadelen helpt om de verwachtingen en doelstellingen van therapeut en cliënt op elkaar af te stemmen (Velasquez, Maurer, Crouch & DiClemente, 2006).Expliciet bespreken van de motivatie biedt ook gelegenheid om de motivatie positief te beïnvloeden (Miller & Rolnick, 2005; Van Dam & Mulder, 2008).
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

15. Wb 3 Veranderingsdoelen

Bij het formuleren van behandeldoelen staat de hulpvraag van de cliënt centraal. De hulpvraag is echter niet per defi nitie hetzelfde als de klacht waarmee men zich tot de hulpverlening wendt. Korrelboom en Ten Broeke (2004) schrijven dat ‘het een valkuil is om vanuit de klacht automatisch een hulpvraag te formuleren’. Ook zij stellen dat de hulpvraag moet aansluiten bij de behoeften en doelstellingen van de cliënt. Bovendien moet het gestelde doel ook haalbaar en realistisch zijn. Dit betekent dat de cliënt zich bewust moet zijn van de consequenties van gedragsverandering. Hij moet bereid en in staat zijn tot investeren hierin. Onrealistische doelen zullen daarom al snel leiden tot frustratie en drop-out.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

16. Wb 4 Bewustwording

Cliënten met agressieproblematiek ervaren hun agressie-uitbarstingen als onvoorspelbaar doordat zij zich niet goed bewust zijn van spanningsopbouw en triggers van geweld (Bernard, 2002; Dutton & Golant, 2000). Ook zijn zij zich vaak niet bewust van het cyclische karakter van geweld (Dutton & Golant, 2000). Een voorwaarde voor het toepassen van technieken zoals time-out en ontspanning is het zich bewust zijn van oplopende spanning. De agressiecirkel die in hoofdstuk 4 wordt beschreven is gebaseerd op onder anderen Walker (1979) en Dutton en Golant (2000). Het cyclische aspect van geweld wordt ermee benadrukt. Het onderdeel na de geweldsuitbarsting wordt de ‘kater’fase genoemd; de geweldsuitbarsting heeft meestal op langere termijn meer nadelen dan voordelen opgeleverd. Veel mannen nemen zich dan voor om het van dan af aan niet meer zo te laten escaleren. De cirkel maakt duidelijk dat zij net als iedereen opnieuw onaangenaamheden (ontlokkers) zullen meemaken en dat zij, als zij daar niet anders mee om kunnen gaan, weer op een geweldsuitbarsting zullen afgaan.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

17. Wb 5 Agressiescenario’s

Centraal in de aanpak van agressief gedrag staat de delictscenarioprocedure (Mulder, 1995; Van Beek, 1999). Het delictscenario is vergelijkbaar met een holistische theorie, gebruikt in de gedragstherapie (zie o.a. Orlemans e.a., 1995), waarin uitlokkende stimuli, gedragingen, gedachten, gevoelens en instandhoudende factoren worden beschreven van het delictgedrag. In de behandeling spreken we in plaats van delictscenario van agressieketen omdat de term delict justitiële vervolging impliceert en daar niet altijd sprake van is. De procedure houdt in dat alle facetten die tot het probleemgedrag leiden en het in stand houden in kaart worden gebracht en dat vervolgens met de cliënt onderzocht wordt op welke momenten in de gedragsketen er alternatief gedrag kan worden toegepast, zodat de keten niet langer uitmondt in het problematische gedrag. De keten van gebeurtenissen en gedragingen die leidt tot een gewelddadige uitbarsting heeft voor iedere cliënt een specifi ek karakter. Vaak spelen in verschillende situaties wel dezelfde soort gedachten, gedragingen en aanleidingen een rol. Daarom kan de agressieketen als hij eenmaal in kaart is gebracht bij nieuwe probleemsituaties weer worden gebruikt.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

18. Wb 6 Technieken om agressie te voorkomen

In dit hoofdstuk worden technieken aangeleerd die tot doel hebben escalatie van agressie te voorkomen. Een belangrijk onderdeel is het aanleren van een time-out-procedure (Groen & Van Lawick, 2003; Kik & Baars, 2000). De eerste stap is dat partners signalen van oplopende agressie herkennen om vervolgens bij een bepaald niveau van opgelopen agressie de situatie te verlaten. Het is van belang dat beide partners het nemen van een time-out positief labelen en de verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag op zich nemen in plaats van de situatie ontvluchten. In situaties waarin het niet goed mogelijk is een time-out te nemen (bijvoorbeeld in de fi le) of in situaties waarin cliënten zich steeds opwinden kunnen ontspannings- en ademhalingsoefeningen helpen om het spanningsniveau te verlagen.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

19. Wb 7 Gedachtetraining

Cliënten met agressieproblemen hebben vaak specifi eke cognitieve schema’s die boosheid versterken of rechtvaardigen (Beck, 1999; Dutton & Golant, 2000; Murphy & Eckhardt, 2005). Cognitieve therapie is behulpzaam bij het inzichtelijk maken en corrigeren van disfunctionele gedachten. Het bespreken van deze veelvoorkomende cognities (paragraaf 7.5) en de kritische kanttekeningen (tegengif) die je daarbij kunt maken is een relatief snelle manier om disfunctionele gedachten bespreekbaar maken.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

20. Wb 8 Probleemoplossen

Veel cliënten ervaren problemen in hun leven, bijvoorbeeld met instanties, complexe sociale relaties en werk. Sommigen verliezen het overzicht over hun problemen, vaak ook onder druk van de directe omgeving, en weten niet goed wat aan te pakken. Dit kan resulteren in vermijdende en palliatieve coping en zo leiden tot spanningsopbouw en agressie. In het hoofdstuk probleemoplossingvaardigheden proberen we cliënten overzicht over en grip te geven op hun problemen. Eerst proberen we aan de hand van de schalen van de Utrechtse Coping Lijst (UCL) (Schreurs e.a., 1993) cliënten inzicht te geven in manieren waarop je met problemen om kunt gaan. Vervolgens bieden we de deelnemers een model, gebaseerd op D’Zurilla en Goldfried (1971), waarmee ze stap voor stap een probleem op kunnen lossen.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

21. Wb 9 Communicatie

Een belangrijk deel van de groepsbijeenkomsten wordt gebruikt voor het oefenen van communicatievaardigheden. Goede communicatievaardigheden kunnen namelijk een alternatief bieden voor agressief gedrag om een probleem op te lossen. Ook draagt het niet-uiten van gevoelens nogal eens bij aan spanningsopbouw die weer kan leiden tot agressie (Murphy & Eckhardt, 2005). In dit hoofdstuk wordt eerst gewerkt aan de voorwaarden voor een goede communicatie en assertiviteit, dat wil zeggen bewustzijn van verschillende aspecten van communicatie en actief luisteren.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

22. Wb 10 Assertiviteit

Zoals ook al gezegd bij hoofdstuk 9 wordt een belangrijk deel van de groepsbijeenkomsten gebruikt voor het oefenen van communicatievaardigheden. Goede communicatievaardigheden kunnen immers een alternatief bieden voor agressief gedrag om een probleem op te lossen. Ook draagt het niet uiten van gevoelens nogal eens bij aan spanningsopbouw die weer kan leiden tot agressie (Murphy & Eckhardt, 2005). In dit hoofdstuk worden vaardigheden geoefend gebaseerd op de methode van Goldstein (Goldstein e.a., 1998) zoals ook beschreven in de Aggression Replacement Training (Hornsveld, 2004).
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

23. Wb 11 Communicatie met leidinggevenden

Een veelvoorkomend probleem bij cliënten met agressieproblematiek is de omgang met autoriteiten, bijvoorbeeld met leidinggevenden, en met (vertegenwoordigers van) officiële instanties, zoals de politie en uitkeringsorganen. Als interacties met autoriteiten snel escaleren in een (per defi nitie ongelijke) machtsstrijd kan het behulpzaam zijn om cliënten te leren onderscheid te maken tussen het willen winnen van een machtsstrijd of het bereiken van een bepaald doel. Om een doel te bereiken is het van belang dat er in een ongelijke machtssituatie strategisch gecommuniceerd wordt. Hierbij is enig inlevingsvermogen in de positie van de autoriteit een voorwaarde. Alhoewel in het werkboek alleen gesproken wordt over leidinggevenden zijn de opdrachten ook van toepassing op communicatie met andere autoriteitsfi guren.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

24. Wb 12 Emoties, verleden, relaties en gezin

De onderwerpen die we in dit hoofdstuk behandelen hebben niet direct verband met agressie, maar gaan over onderwerpen die grote invloed hebben op het welbevinden van mensen en daarom indirect wel samen kunnen hangen met spanning en agressie. Het verleden, relaties, sekseverschillen, seksualiteit, opvoeding en emoties vormen voor cliënten met agressieproblematiek nogal eens een bron van spanning (Dutton & Golant, 2000; Murphy & Eckhardt, 2005). Dit komt voor een deel doordat cliënten met agressieproblematiek zelf nogal eens mishandeling en emotionele verwaarlozing in hun jeugd hebben ervaren en als gevolg daarvan problemen hebben met het aangaan van relaties en het omgaan met emoties (Dutton & Golant, 2000). Voor een ander deel heeft dit waarschijnlijk te maken met het socialisatieproces en de beperkte communicatievaardigheden van een aantal van de cliënten met agressieproblematiek.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

25. Wb 13 Terugvalpreventie

Terugval in oud gedrag is iets wat vaak voorkomt bij gedragsverandering (Prochaska & DiClemente, 1984). Na afsluiting van de behandeling kan er door bepaalde omstandigheden een vergrote kans zijn op terugval. Het kan cliënten en hun partner/familieleden helpen als ze weten hoe ze een dreigende terugval kunnen herkennen en weten wat ze dan kunnen doen.
A. van Dam, C.A. van Tilburg, P. Steenkist, M. Buisman

Nawerk

Meer informatie