Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek helpt professionals (in opleiding) om hersenaandoeningen beter te begrijpen. Het bespreekt systematisch welke stoornissen en problemen kunnen ontstaan door hersenbeschadiging, ontwikkelingsstoornissen en degeneratieve aandoeningen. De problemen die de patiënt in zijn dagelijks leven ervaart, zijn daarbij steeds de leidraad. Het boek is met name bedoeld voor therapeuten, artsen, psychologen, verpleegkundigen en studenten.

Neuropsychologie, Over de gevolgen van hersenaandoeningen maakt deel uit van de een zesdelige serie ‘Toegepaste neurowetenschappen’. Het boek is gebaseerd op jarenlang onderzoek en talrijke patiëntencasussen. Het boek gaat in op wetenschappelijke ontwikkelingen in de klinische neuropsychologie én beschrijft vragen en situaties uit de praktijk.

De eerste hoofdstukken bespreken de uiteenlopende oorzaken en gevolgen van hersenaandoeningen. Vervolgens wordt elke stoornis, zoals afasie en apraxie, uitgewerkt. Ook krijgt u handvatten om in de praktijk een neuropsychologisch onderzoek te doen en krijgt u oefeningen aan de hand van casuïstiek.

De volgende hoofdstukken gaan in op neuropsychologische aspecten van ontwikkelingsstoornissen, veroudering en degeneratieve ziekten. Ten slotte ziet u zeven praktijkdiagrammen met uitgewerkte voorbeelden die u direct in de klinische praktijk kan gebruiken. Bij het boek hoort ook een online omgeving met vragen en antwoorden, samenvattingen en verwijzingen naar casuïstiek en video’s.

Neurowetenschapper Ben van Cranenburgh studeerde geneeskunde in Amsterdam en was als wetenschappelijk medewerker verbonden aan onder meer het Nederlands Centraal Instituut voor Hersenonderzoek en het Revalidatie Centrum Amsterdam. In 1987 richtte hij het Instituut voor toegepaste neurowetenschappen (ITON) op, waarvan hij tot op heden directeur is. De stichting ITON biedt nascholingscursussen aan op het gebied van de toegepaste Neurowetenschappen.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Oorzaken van hersenbeschadiging

Samenvatting
Er zijn vele oorzaken van hersenbeschadiging: ontwikkelingsstoornissen (al of niet aangeboren), degeneratieve ziekten (multiple sclerose, Alzheimer, enz.) en verworven hersenbeschadiging (CVA, trauma, encefalitis, enz.). CVA’s (infarct of bloeding) en hersentrauma’s vormen een groot maatschappelijk probleem: minstens 250.000 nieuwe gevallen treden per jaar op. Gemiddeld één op de vijf mensen heeft ooit een hersenschudding gehad. Naar schatting ondervindt 10 % daarvan blijvende problemen. Door de toenemende levensverwachting wordt het CVA-probleem groter: boven de 75 jaar is de kans op een beroerte 3 % (per jaar). Het klinische beeld en de aard van de problemen hangen af van de getroffen plek van de hersenen respectievelijk het disfunctionerende systeem, en dit kan per patiënt aanzienlijk verschillen. Veel problemen en stoornissen die voorkomen bij verworven hersenbeschadiging, komen ook voor als ontwikkelingsstoornis, bij degeneratieve ziekten en zelfs als ‘normale’ biologische variatie.
Ben van Cranenburgh

2. De gevolgen van hersenbeschadiging: conceptueel raamwerk

Samenvatting
Om de veranderingen na hersenbeschadiging te kunnen begrijpen, zijn enkele modellen en concepten nuttig als kapstok. Is de verandering (bijv. ander looppatroon) een primaire stoornis of juist een adaptatie aan de stoornis? Er zijn min-symptomen, bijvoorbeeld verlamming, niet kunnen praten, maar ook plus-symptomen, bijvoorbeeld hyperreflexie, ongeremde emoties. Door de zeer specifieke neurale organisatie (bijv. kruising, somatotopie) is er vaak een duidelijke relatie tussen de plaats van een laesie en de aard van de symptomen. Laesies in de cortex (bijv. infarct) kunnen verschillende soorten stoornissen veroorzaken – primaire schors: parese, anesthesie, enzovoort; secundaire schors: apraxie, agnosie, enzovoort; tertiaire (associatie)schors: meer complexe cognitieve stoornissen. Het negen- (resp. twaalf-) cellen-model is handig om stoornissen en de gevolgen ervan in kaart te brengen. Hierin zit het ICF-model (functie – activiteit – participatie) verwerkt. Niet iedere stoornis hoeft een probleem te veroorzaken. Daarom moet geanalyseerd worden wat de relatie is tussen de problemen die de patiënt in zijn leven ondervindt, en de stoornissen die door onderzoek zijn vastgesteld (‘twee-sterren-model’). Niet alle symptomen zijn meteen na het CVA of hersentrauma duidelijk. Veel problemen uiten zich pas na de medische of revalidatiefase, bijvoorbeeld problemen op het werk (chaotische aanpak, slechte planning) of in de relatie (egocentrische gedrag).
Ben van Cranenburgh

3. Stoornissen ten gevolge van hersenbeschadiging: een overzicht

Samenvatting
Het spreken van ‘hemiplegiepatiënt’ suggereert ten onrechte dat het vooral om een parese gaat. Een CVA (of hersentrauma) is echter veel meer dan een parese. Ook stoornissen van sensibiliteit en gezichtsvelden kunnen voor de patiënt een grote handicap vormen. Het functioneren van de patiënt kan verder ernstig worden gehinderd door stoornissen van bewustzijn of aandacht (opletten in verkeer of tijdens vergadering), afasie (praatje met de buren, leraar, advocaat), apraxie (keukenbezigheden, timmerman), agnosie (gezichten, geluiden herkennen), amnesie (afspraken vergeten), ruimtelijke stoornissen (de weg kwijtraken), neglect (ongelukjes). Vaak heeft de patiënt met hersenbeschadiging onvoldoende inzicht in zijn eigen (dis)functioneren: behalve het verlies van functie (de stoornis) is ook het besef van het eigen kunnen verloren gegaan. In de medische en revalidatiefase ligt vaak een sterk accent op de neurologische stoornissen. Op de lange duur zijn echter veranderingen c.q. stoornissen van cognitie, gedrag, stemming en persoonlijkheid beslissend voor de kwaliteit van leven.
Ben van Cranenburgh

4. Functionele evaluatie bij hersenbeschadiging

Samenvatting
Er zijn verschillende argumenten om het (dis)functioneren van de patiënt objectief vast te leggen. Te vaak krijgt de patiënt met de natte vinger etiketten opgedrukt als ‘agnosie’, ‘apraxie’, ‘beperkt ziekte-inzicht’, enzovoort, terwijl de betekenis daarvan dubieus is. Door het gebruik van tests en schalen kan enige objectiviteit worden ingebracht. De werkwijze volgens de empirische cyclus biedt een systematiek voor probleemanalyse en een logisch daaruit voortvloeiende interventie. Objectieve tests en schalen hebben ook hun nadelen en beperkingen: de taken die de patiënt krijgt zijn nogal kunstmatig en hebben vaak weinig met het dagelijks leven te maken (ecologische validiteit): het werkelijke leven is vele malen complexer (bijv. afleiding, keuzemogelijkheden, dubbeltaken). Het aantal tests en schalen is nauwelijks te overzien en groeit met de dag: het is belangrijk om in deze jungle van tests en schalen de rode draad van de empirische cyclus vast te houden: wat is het probleem, waarom treedt het op en hoe gaan we het aanpakken? Een speciaal probleem vormen de vastlegging en scoring: geven we het functioneren van de patiënt weer met één getal (bijv. IQ, Barthel) of door middel van een profiel waarin zwakke en sterke punten zichtbaar zijn? Patiënten met hersenbeschadiging melden vaak dat het verrichten van een taak veel meer moeite kost. In een testscore komt dit meestal niet tot uiting, maar voor de patiënt is dit heel vervelend (kan bijvoorbeeld geen dubbeltaken aan).
Ben van Cranenburgh

5. Linker-hemisfeersymptomen

Samenvatting
De linker en rechter hemisfeer verschillen qua functie: complementaire specialisatie. Ons leven zit vol met asymmetrieën: we lezen van links naar rechts, in het verkeer gaat rechts voor, de violist strijkt met zijn rechterarm. Daarom maakt het uit of de parese, anesthesie of hemi-anopsie rechts- of linkszijdig is. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de gevolgen van linkszijdige hersenbeschadiging. Bij linkszijdige hersenbeschadiging is bij rechtshandigen juist de ‘handige’ arm verlamd en de eventuele rechtszijdige hemi-anopsie is in het verkeer net iets vervelender omdat rechts voorgaat. Daarnaast zijn er neuropsychologische stoornissen. Afasie komt vooral voor bij linkszijdige hersenbeschadiging. Ook stoornissen van lezen en schrijven (alexie en agrafie), en van rekenen (acalculie) komen vaker voor bij links- dan bij rechtszijdige hersenbeschadiging. Ook rechtszijdig neglect (onoplettendheid) is niet zeldzaam. Tot slot heeft de patiënt met linkszijdige hersenbeschadiging vaak (maar niet altijd!) een specifieke gedragsstijl: hij kan meer dan zijn slechte praten zou doen vermoeden (‘geen woorden, maar daden’), heeft de neiging ‘bij de pakken neer te zitten’ (depressie, catastrofe-reactie), heeft een globale (‘rechter-hemisferische’) aanpak.
Ben van Cranenburgh

6. Rechter-hemisfeersymptomen

Samenvatting
Ook laesies van de rechter hemisfeer hebben hun kenmerkende gevolgen. Afgezien van de primaire stoornissen (linkszijdige parese, anesthesie of hemi-anopsie), zijn er specifieke rechter-hemisferische neuropsychologische stoornissen, onder andere talrijke vormen van linkszijdig neglect (ongelukjes, spullen kwijt zijn), stoornissen van het lichaamsschema (somato-agnosie) en ruimtelijke stoornissen (verdwalen, problemen met aankleden). Patiënten met rechter-hemisfeerbeschadiging hebben soms opvallende communicatiestoornissen (aprosodie): ze hebben moeite met de intonatie, de gevoelswaarde van de taal. Dit kan ‘receptief’ zijn (ze begrijpen een grapje niet, verwarren een verzoek met een bevel) of ‘expressief’ (spreken met vlakke intonatie, er zit geen lijn in het verhaal). Qua gedragsstijl is de rechter-hemisfeerpatiënt vaak snel en impulsief: hij onderneemt van alles, maar veel gaat mis (overschat zichzelf), en hij bagatelliseert belangrijke problemen. Gebrekkig inzicht in eigen vaardigheden en stoornissen (noso-agnosie) is een belangrijke hinderpaal voor de revalidatie. De patiënt mist vaak het overzicht en heeft een detaillistische aanpak.
Ben van Cranenburgh

7. Afasieën/taalstoornissen

Samenvatting
Taal is een systeem van communicatie. Met spraak wordt bedoeld dat woorden uitgesproken (gearticuleerd) kunnen worden. Stem (fonatie) wil zeggen dat geluid met een zeker volume geproduceerd kan worden. Laesies van de hersenen kunnen stoornissen van stem (dysfonie), van articulatie (dysartrie) of van taal (afasie) veroorzaken. Er worden verschillende afasiesyndromen onderscheiden, de meest voorkomende zijn de afasie van Broca (taalexpressie), van Wernicke (taalbegrip), amnestische afasie (woordvinding) en de globale afasie (alle taalfuncties meer of minder gestoord). Omdat deze syndromen in de praktijk bijna nooit zuiver voorkomen, hanteren we tegenwoordig vaak het cognitieve taalschema volgens Ellis en Young. Hierbij worden vier hoofdfuncties onderscheiden: het gesproken woord, het geschreven woord, spreken en schrijven. Verschillende stappen van het taalproces worden gedefinieerd, bijvoorbeeld klankanalyse, woordherkenning, betekenisverlening. Elk van deze stappen kan gestoord zijn. Dit model levert een grote diversiteit van taalstoornissen, hetgeen beter strookt met de klinische praktijk. Bij stoornissen van lezen en schrijven spreekt men respectievelijk van dyslexie en dysgrafie. Ook rekenstoornissen (dyscalculie) kunnen na hersenbeschadiging voorkomen.
Ben van Cranenburgh

8. Neglect en aanverwante stoornissen

Samenvatting
Na hersenbeschadiging is aandacht altijd wel op een of andere manier gestoord. Dit kan betrekking hebben op: volgehouden aandacht, selectieve aandacht, verdeelde aandacht en de verschuiving van aandacht. Neglect ( = hemi-inattentie) is een parapluterm voor stoornissen van de aandacht voor één zijde van het lichaam en/of de ruimte. Er zijn allerlei subvormen van neglect: visueel, akoestisch, tactiel, motorisch, voor het lichaam, voor de grijpruimte, voor de verre ruimte, extinctieneglect. Allerlei problemen en incidenten kunnen het gevolg van neglect zijn: ongelukjes, verdwalen, weglatingen bij lezen, spullen kwijt zijn, bezoek aan de linkerkant negeren, hand tussen de spaken van het rolstoelwiel, enzovoort. Het is belangrijk neglect te onderscheiden van hemi-anopsie. De precieze verklaring van neglect staat nog steeds ter discussie. Op dit moment domineert het idee dat er sprake is van een onvolledige (‘beschadigde’) mentale representatie van lichaam en ruimte in de hersenen. Dit verklaart dat neglect ook in de mentale voorstelling optreedt (bijv. zich een route mentaal voorstellen). Er zijn talrijke testjes waarmee men neglect kan vaststellen. Vanwege de verschillende en wisselende vormen van neglect die voorkomen, kan men nooit met één test volstaan. Er bestaan allerlei therapieën en trainingen om neglect te verhinderen of verminderen.
Ben van Cranenburgh

9. Apraxieën

Samenvatting
Alledaagse motoriek is veel complexer dan we op het eerste gezicht zouden denken. Verschillende soorten motoriek (spontane, reactieve, emotionele, automatische, expressieve, enz.) worden verschillend gestuurd door ons zenuwstelsel (‘neurale sturing van motoriek’). Dit maakt het begrijpelijk dat er na hersenbeschadiging allerlei soorten van handelingsstoornissen kunnen ontstaan. Onder ‘apraxie/dyspraxie’ verstaat men een stoornis van het aangeleerde doelgerichte handelen, die niet terug te voeren is op primaire stoornissen (parese, anesthesie) of andere aspecifieke stoornissen (bijv. van bewustzijn): de patiënt is onhandig in de keuken, bij het timmeren/knutselen, in het hanteren van bestek, bij aankleden en dergelijke. Men onderscheidt twee uitersten: bij een ideatorische apraxie is het concept, het idee van de handeling verstoord (het ‘weten’); de patiënt gebruikt bijvoorbeeld een vork als mes, kamt zijn haar met een schaar of maakt fouten in de volgorde van deelhandelingen (bijv. koffiezetten). Bij een kinetische of motorische apraxie betreft het alleen een onhandige uitvoering (het ‘kunnen’). Er zijn echter talrijke tussen- en subvormen van apraxie. Behalve door apraxie kan het handelen ook verstoord worden door perseveratie (dwangmatig herhalen), dwanghandelingen (bijv. dwangmatig gebruik van voorwerpen), door het zogenoemde ‘alien-hand’-syndroom (ongewilde handelingen).
Ben van Cranenburgh

10. Agnosieën

Samenvatting
De menselijke waarneming is neuraal geordend naar modaliteit (horen, zien, voelen) en binnen iedere modaliteit kan men weer verschillende modulen onderscheiden, bijvoorbeeld zien van beweging, van kleur, van gezichten. Een agnosie is een stoornis van de herkenning bij intacte primaire sensorische functie. Naar analogie van de indeling van de apraxieën kunnen ook bij de agnosieën twee uitersten onderscheiden worden: bij de associatieve (conceptuele) agnosie wordt de betekenis van de waarneming niet begrepen, bij de perceptuele agnosie gaat het om elementaire sensorische aspecten (vorm, kleur, toonhoogte, glad versus ruw). Los hiervan kan men de agnosieën indelen naar modaliteit: visuele (vormen, kleuren, gezichten), akoestische (spraakklanken, geluiden van het dagelijks leven, muziek) en tactiele agnosie (vorm, oppervlak). Daarnaast bestaan complexe of moeilijk in te delen vormen van agnosie, zoals de somato-agnosie (stoornissen van lichaamsschema), spatiële agnosie (ruimtelijke desoriëntatie) en simultaan-agnosie (geen verband zien tussen elementen). Agnosieën kunnen voor de patiënt onaangename gevolgen hebben: hij voelt zich onzeker in verkeer of supermarkt, is angstig of terughoudend in sociale contacten (stoornissen van gezichtsherkenning), schrikt van onbelangrijke dagelijkse geluiden, verdwaalt bij het uitlaten van de hond, snapt een cartoon in de krant niet.
Ben van Cranenburgh

11. Amnesieën

Samenvatting
Geheugen is niet één ding. Er zijn verschillende vormen en indelingen van geheugen. Geheugen is daarom nooit ‘in zijn geheel’ gestoord. Men onderscheidt het declaratieve geheugen: expliciete bewuste belevenissen (episodisch) en kennis (semantisch), en het procedurele geheugen: impliciete automatische processen, bijvoorbeeld conditionering, motorisch geheugen. Volgens de klassieke opvattingen over geheugen wordt de informatie in drie tijdsfasen opgeslagen: het ultrakorte, het korte- en het langetermijngeheugen. Bij geheugenstoornissen (amnesie) is meestal vooral het declaratieve episodische en kortetermijngeheugen gestoord. Behalve inprenting en opslag is ook het oproepen van belang. Hoe dat in zijn werk gaat, is nog een groot raadsel. Bij de retrograde amnesie na een hersentrauma blijkt vooral het oproepen van informatie over de periode vóór het ongeval geblokkeerd. De anterograde amnesie bestaat voor de periode ná het ongeval; hierbij is vooral de inprenting bemoeilijkt of onmogelijk. Verlies van geheugen heeft dramatische gevolgen: de patiënt verliest zijn greep op de loop der gebeurtenissen. Amnesie betekent niet dat de patiënt niets kan leren. Hij vergeet bijvoorbeeld wat er gisteren geoefend is (declaratief geheugen), maar blijkt de geoefende vaardigheid wél te beheersen (procedureel geheugen). Bij iedere geheugenstoornis is het van belang om na te gaan welke vormen van geheugen niet functioneren en welke nog wel functioneren. Dan kan een adequate leer- of onthoudstrategie gekozen worden.
Ben van Cranenburgh

12. Veranderingen van stemming, gedrag en persoonlijkheid

Samenvatting
Voor het verdere verloop van het leven na een hersenbeschadiging zijn veranderingen van gedrag, stemming en persoonlijkheid vaak beslissend. Het is daarom belangrijk deze zo goed mogelijk in kaart te brengen. Gedrag kan afnemen (‘min-gedrag’), bijvoorbeeld apathie, willoosheid, of toenemen (‘plus-gedrag’), bijvoorbeeld impulsiviteit, woedeaanvallen. De gedragsverandering kan een direct gevolg zijn van de laesie zélf (bijv. euforie bij frontale laesies), kan een reactie zijn op de gevolgen van stoornissen (bijv. angstig in verkeer door agnosie), of kan door de omgeving worden uitgelokt (bijv. een niet-begrijpende partner). Gedrag kan ook pre-existent zijn: losse handjes vóór, maar ook na het ongeval c.q. CVA. Gedrag kan ook zijn uitgelokt door of aangeleerd in de instelling, bijvoorbeeld aandachtvragend gedrag bij personeelstekort. Een veelvoorkomend probleem is een beperking van inzicht in stoornis of ziekte, met als uiterste ontkenning (noso-agnosie). Het gevolg kan zijn dat de patiënt zich gevaarlijk gedraagt en ongelukken maakt. Tot slot gaat het hoofdstuk in op de gevolgen van frontale laesies, tegenwoordig vaak dysexecutief syndroom genoemd. Voor het type gedrag maakt het uit waar de laesie in de lobus frontalis zit: orbitaal (lichtzinnig, ontremd), mediaal (apathisch, willoos) of dorsolateraal (desorganisatie, inflexibiliteit). In de praktijk worden nogal gemakkelijk etiketten op de patiënt gedrukt: niet-coöperatief, emotioneel ontremd, enzovoort. Het is echter belangrijk het gedrag niet alleen maar te benoemen, maar ook te analyseren.
Ben van Cranenburgh

13. Oriënterend neuropsychologisch onderzoek

Samenvatting
Omdat neuropsychologische (cognitieve) stoornissen vaak voorkomen na hersenbeschadiging en voor het functioneren ingrijpende gevolgen kunnen hebben, is het belangrijk de patiënt hierop te screenen. Hiervoor bestaan diverse instrumenten, zoals het door het ITON (Instituut voor Toegepaste Neurowetenschappen te Haarlem) ontwikkelde ONO (oriënterend neuropsychologisch onderzoek). Het ONO kan worden gezien als een onderzoek binnen een tweetrapssysteem: eerst een eenvoudig oriënterend en signalerend onderzoek, in tweede instantie indien nodig een nader, meer toegespitst onderzoek. De in het ONO gekozen taken zijn herkenbaar en staan zo dicht mogelijk bij het dagelijks leven (ecologisch). De taken zijn geordend volgens acht functiedomeinen: (1) ziekte-inzicht, (2) geheugen, (3) communicatie, (4) ruimtelijke functies, (5) waarnemen, (6) handelen, (7) aandacht en (8) organisatie. In ruim een uur krijgt men zo een indruk over het bestaan van eventuele neuropsychologische stoornissen. Aan de interpretatie en scoring van de prestaties kleven vele haken en ogen. De uitkomst van de screening kan aanleiding zijn voor specialistisch neuropsychologisch onderzoek, dat kwalitatief (gedragsneurologisch), kwantitatief of ecologisch van karakter kan zijn. In de revalidatie heeft vooral de ecologische benadering de laatste tijd veel belangstelling.
Ben van Cranenburgh

14. Klinische voorbeelden

Samenvatting
Neuropsychologische stoornissen manifesteren zich door problemen en incidenten die zich in het leven van de patiënt voordoen. De bestudering van casuïstiek biedt de mogelijkheid de relatie tussen de neuropsychologische stoornissen en de ervaringen van de patiënt te leren kennen. Dit hoofdstuk geeft elf casussen waarover de lezer kan nadenken. In het RCA (Revalidatie Centrum Amsterdam) deed ik gedurende enkele jaren ervaring op met neuropsychologisch onderzoek. Ik selecteerde enkele testresultaten (vooral tekeningen) die voor dit boek geschikt zijn. De resultaten zijn soms bizar, wekken verbazing of komen inconsistent over. Ze vormen een uitdaging om een relatie te leggen met eventuele problemen in het dagelijks leven van de patiënt. Conclusies en antwoorden worden in par. 14.3 van dit hoofdstuk gegeven.
Ben van Cranenburgh

15. Kinderneuropsychologie

Samenvatting
Kinderen zijn geen kleine volwassenen. Het centraal zenuwstelsel is nog volop in ontwikkeling. Dit impliceert dat verstoringen van de hersenfunctie zich anders manifesteren dan bij volwassenen. Dit hoofdstuk gaat zowel in op ontwikkelingsstoornissen als op verworven stoornissen bij kinderen. De plasticiteit van het jonge brein kan tot op zekere hoogte verstoringen compenseren. Wat betreft de frequentie van traumatisch hersenletsel zien we een piek bij 0- tot 4-jarigen (onvoldoende motorische controle?) en bij pubers en adolescenten (machogedrag?). Een ontwikkelingsstoornis kan opgevat worden als een extreem voorbeeld van het feit dat ieder individu zwakke en sterke kanten heeft. Op basis van een (meestal arbitrair) criterium wordt vastgesteld dat sprake is van een stoornis of syndroom. Dit hoofdstuk geeft een overzicht over de belangrijkste ontwikkelingsstoornissen: taalstoornissen, leerproblemen, DCD (developmental coordination disorder), CP (cerebrale parese), autismespectrumstoornissen, ADHD en verwante stoornissen, NLD (non-verbal learning disabilities), problemen in de sensorische informatieverwerking. Verspreid door het hoofdstuk worden voorbeelden gegeven.
Ben van Cranenburgh

16. Neuropsychologie van de veroudering

Samenvatting
Vaak wordt gezegd: ‘De ouderdom komt met gebreken.’ In dit hoofdstuk wordt dit genuanceerd. Er bestaan ook veel misvattingen over het ouder worden. In bepaalde opzichten blijken ouderen juist beter te presteren dan jonge mensen. Sommige 100-jarigen zijn fysiek en mentaal zeer fit. Hoe komt dat? Bij het ouder worden treden veel structurele en functionele veranderingen in de hersenen op. Echter, de meeste veranderingen beginnen al op 20-jarige leeftijd en zijn dus niet specifiek voor veroudering. Hoe neuropsychologische functies veranderen bij het ouder worden, blijkt sterk af te hangen van het soort test dat men gebruikt. Vaak wordt gezegd dat de plasticiteit afneemt bij het ouder worden. Dat is echter nogal simplistisch gesteld. Wel blijkt dat ouderen bij het verrichten van een bepaalde taak meer en andere hersengebieden inzetten. Er bestaat blijkbaar een mechanisme om eventueel verval te compenseren. Ten slotte kan men zich afvragen of het wel nodig is die plasticiteit levenslang op peil te houden. Immers, een oudere heeft minder leven voor zich en heeft ervaring en routine opgebouwd om problemen het hoofd te bieden.
Ben van Cranenburgh

17. Neuropsychologische aspecten van neurodegeneratieve aandoeningen

Samenvatting
Neurodegeneratieve aandoeningen zijn doorgaans ongeneeslijke progressieve verzwakkende aandoeningen, op basis van degeneratie of verlies van neuronen of neuronennetwerken. Ze kunnen zich uiten in toenemende motorische, cognitieve, mentale en/of gedragsmatige stoornissen. De meeste neurodegeneratieve aandoeningen hebben een opvallend kernsymptoom, bijvoorbeeld cognitieve achteruitgang bij dementie, spierzwakte bij ALS, rigiditeit en tremor bij de ziekte van Parkinson. Bij vrijwel alle neurodegeneratieve aandoeningen kunnen ook neuropsychologische stoornissen bestaan, enerzijds als subtiel beginsymptoom, anderzijds in het kader van de zich verder ontwikkelende ziekte. Dit hoofdstuk bespreekt van de belangrijkste neurodegeneratieve aandoeningen de diagnostische criteria, de belangrijkste symptomen en verloop, met een accent op de neuropsychologische stoornissen: de dementieën, Parkinson-spectrum-aandoeningen, progressieve supranucleaire parese (PSP), corticobasale degeneratie (CBD), multisysteematrofie (MSA), ziekte van Huntington, multiple sclerose (MS), spinocerebellaire degeneraties, cerebrale amyloïde angiopathieën (CAA) en amyotrofische laterale sclerose (ALS). Het betreft hier een bondig overzicht. Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar tekstboeken klinische neurologie.
Ben van Cranenburgh

Nawerk

Meer informatie