Skip to main content
Top
Gepubliceerd in: Bijblijven 3/2017

03-03-2017

Narcisme en de actuele opvoeding

Auteur: Prof. dr. Jan J. L. Derksen

Gepubliceerd in: Bijblijven | Uitgave 3/2017

Log in om toegang te krijgen
share
DELEN

Deel dit onderdeel of sectie (kopieer de link)

  • Optie A:
    Klik op de rechtermuisknop op de link en selecteer de optie “linkadres kopiëren”
  • Optie B:
    Deel de link per e-mail

Samenvatting

In de populaire psychologische literatuur gaat narcisme over zelfgevoel, meestal wordt een opgeblazen zelfgevoel bedoeld. De ontwikkeling van dit zelfgevoel krijgt alle kans, nadat de gehechtheid zijn beslag heeft gekregen in het eerste levensjaar. Voor het zelfgevoel is een sjabloon gevormd en dit wordt gedurende de narcistische ervaringen volgegoten. Het gaat minder om een fase en meer over ervaringen en belevingen die het kind overkomen en die geleidelijk aan ook kunnen worden opgeroepen. De bloeitijd van deze ervaringen is te situeren tussen 1 en ongeveer 3 jaar. Nadat het zelfgevoel met behulp van de ander in de opbouw van gehechtheidsrelatie in de grondverf is gezet, wordt het via narcistische belevingen afgelakt. De fragiele balans tussen de ander en het zelf krijgt vorm.
Voetnoten
1
De Franse psychoanalyticus Jacques Lacan brengt het gegeven dat het kind zijn lichaam op een bepaald moment, meestal gedurende het tweede levensjaar, voor het eerst als een eenheid en dus niet verbrokkeld waarneemt in de spiegel in verband met hetgeen hij de imaginaire orde noemt. Deze beleving van eenheid komt van buitenaf, via de spiegel, is dus ook een vorm van vervreemding, is narcistisch en duaal. Het ik dat zich hier vormt is in Lacans visie een narcistische formatie. Voor een Nederlandstalig begrijpelijk boek hierover zie: A. Mooij. Taal en verlangen, Lacans theorie van de psychoanalyse. Meppel: Boom; 1975. Experimenteel onderzoek ondersteunt dat tussen 1,5 en 2 jaar het kind zichzelf in de spiegel kan herkennen, dit wordt ‘present self’ genoemd, het is geen beeld dat het kind op deze leeftijd kan vasthouden door de tijd heen.
 
2
In termen van Beck en Freeman (1990): ‘Since I am special, I deserve special dispensations, privileges, and prerogatives’, ‘I’m superior to others and they should acknowledge this’, ’I’m above the rules’. Zie hiervoor Beck en Freeman. Cognitive therapy of personality disorders. New York: Guilford; 1990.
 
3
De discussie over het al dan niet primaire karakter van agressie kreeg vorm met de ambivalente houding van Freud. Allereerst stond bij hem de libido centraal en na de Eerste Wereldoorlog zette hij in zijn geschrift Jenseits des Lustprinzips (1920) de tweedeling ‘Eros’ en ‘Todestrieb’ op de kaart. Tot op de dag van vandaag zijn psychoanalytici verdeeld over de vraag of agressie een primaire drift is of het gevolg van frustratie. Degenen die agressie als primair zien sluiten feitelijk aan bij de mensvisie van de Grieken en Romeinen en goeddeels ook bij de joods-christelijke traditie en filosofen als Nietzsche. De tegenstelling is ten dele kunstmatig. Indien agressie het gevolg is van frustratie, betekent dit dat agressie biologisch gezien beschikbaar is en wakker geroepen kan worden. Zonder agressie kunnen we ook thema’s als separatie, autonomie, competitie, concurrentie etc. niet verklaren. De mogelijkheid om agressie en liefde te integreren is de kernopgave die mislukt bij een ernstig verstoorde hechtingsrelatie in de vroege kindertijd.
 
4
Theodore Millon beschrijft in zijn werken deze dimensies. Zie hiervoor bijvoorbeeld Disorders of personality DSM-IV and beyond. New York: John Wiley & Sons Inc; 2011.
 
5
Kohut heeft deze inzichten voor het eerst ontwikkeld en onder meer opgeschreven in de bundel The Analysis of the Self. New York: International Universities Press, 1971.
 
6
Zelfobject in termen van Heinz Kohut is iemand die een symbiotische functie vervult ten dienste van de autonome zelfhandhaving. Zie hiervoor: Derksen J. Zijn we wel narcistisch genoeg? Nijmegen: PEN tests Publisher; 2007.
 
7
In de klassieke psychoanalytische theorie werd dit wel het oedipuscomplex genoemd. De kern ervan bestaat eruit dat er in plaats van een duale symbiotische relatie een triade ontstaat. Het kind krijgt in de gaten dat moeder en vader er ook voor elkaar zijn en een eigen leven hebben en moet hiermee leren omgaan. Freud zelf beschreef dit tamelijk complex in zijn theoretische tekst ‘Dass Ich und das Es’ uit 1923. De gevoelsstromingen die hij hier allemaal op de kaart zet, steken schril af bij wat er in meer populaire literatuur over het oedipuscomplex bekend is geworden.
 
8
Erikson beschrijft dit onder meer in zijn boek Identiteit jeugd en crisis, uitgegeven als aula-boek 454, Utrecht: Het Spectrum, 1971.
 
9
In dit verband kunnen we denken aan de sterk in opmars zijnde chaostheorie die wellicht in dit bereik ook een bijdrage kan bieden.
 
Metagegevens
Titel
Narcisme en de actuele opvoeding
Auteur
Prof. dr. Jan J. L. Derksen
Publicatiedatum
03-03-2017
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Gepubliceerd in
Bijblijven / Uitgave 3/2017
Print ISSN: 0168-9428
Elektronisch ISSN: 1876-4916
DOI
https://doi.org/10.1007/s12414-017-0223-0

Andere artikelen Uitgave 3/2017

Bijblijven 3/2017 Naar de uitgave