Skip to main content
main-content

Over dit boek

Eigenlijk zou dit boek overbodig moeten zijn. Het ligt immers voor de hand dat bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en professionals uit andere disciplines samenwerken in het belang van de cliënt. Tocht gaat hierbij nog veel mis. In het dagelijks werk zijn de randvoorwaarden voor samenwerking niet altijd optimaal. En misschien durven we soms ook niet goed, vanwege gevoeligheden rond status en positie en omdat op elkaar afstemmen zelden lukt zonder bepaalde concessies te doen.De ondertitel luidt niet voor niets Afstemmen van behandeling en werkhervatting. Dit boek levert informatie en inzichten waardoor de samenwerking rond beoordeling, behandeling en begeleiding van werknemers met gezondheidsklachten kan verbeteren. Het heeft daartoe een praktische insteek. Zo zijn er hoofdstukken waarin we drie paramedische disciplines en de eerstelijnspsycholoog beter leren kennen: professionals met wie de bedrijfs– en verzekeringsarts vaak in contact komt. Ook zijn er hoofdstukken waarin concrete en leerzame samenwerkingsprojecten worden beschreven. Daarnaast bevat dit boek enkele hoofdstukken met nieuwe kennis en relevante theorievorming, goed toe te passen in de dagelijkse praktijk.

Inhoudsopgave

Voorwerk

Afstemmen van behandeling en werkhervatting

Voorwerk

1. Ziek, zwak en mondig

Ervaringen met arbocuratieve dienstverlening

In dit hoofdstuk wordt in een casus geschetst hoe Lia tijdens haar ziekteproces te maken krijgt met verschillende zorgverleners. Hoewel ze allemaal hun best doen om een oplossing te bereiken, kiezen ze vaak een aanpak die niet aansluit bij Lia's verwachtingen en behoeften. Lia vindt dat ze slecht naar haar luisteren en heeft de indruk dat ze ook niet met elkaar communiceren. Na de casusbeschrijving wordt bepleit om de werknemer een regiefunctie te geven in het proces van herstel en re-integratie. Dit zou als groot voordeel hebben dat de vragen, behoeften, wensen en oplossingskracht van de werknemer (meer) voorop komen te staan. Het is wenselijk dat de bedrijfsarts en andere actoren de (zieke) werknemer maximaal ondersteunen in het nemen en behouden van eigen verantwoordelijkheid. Wanneer professionals beter luisteren naar de cliënt wordt snel gesignaleerd dat de informatie en adviezen van verschillende zorgverleners strijdigzijn. Dit zal leiden tot betere afstemming van zorg. Tot slot wordt ingegaan op de vraag of werknemers wel in staat en bereid zijn om zelf als regisseur op te treden rond hun behandeling en werkhervatting. De auteurs menen dat dit doorgaans het geval is, mits zorgverleners hiervoor openstaan en werknemers hierbij zo nodig ondersteunen.

Gerard van der Veer, Lia van den Bosch, Kerst Zwart

2. Vrouwen, arbeid en gezondheid: een kwetsbare combinatie

Vrouwen hebben een grotere kans op ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid dan mannen. Dit heeft deels te maken met verschillen in gezondheid en ziektebeleving tussen mannen en vrouwen. Maar dat is niet de enige verklaring. Beroepen en sectoren zijn nog altijd in belangrijke mate naar sekse verdeeld, waardoor het werk van mannen en dat van vrouwen verschillende risico's kent. Veel vrouwen werken in sectoren met een hoog risico op arbeidsongeschiktheid, zoals de zorg en het onderwijs. Daarnaast spelen stereotypering en opvattingen over specifieke capaciteiten en eigenschappen van vrouwen en mannen een rol. Stereotiepe beelden kunnen doorwerken in arbeidsverhoudingen, loopbaankeuzen, behandeling en arbeidsre-integratie. Het is belangrijk dat professionals, zoals de bedrijfsarts en verzekeringsarts, op de hoogte zijn van bestaande sekseverschillen en leren rekening te houden met de gevolgen van stereotypering. Zo krijgen vrouwen vaker dan mannen adviezen die een spoedige werkhervatting in de weg staan. Lijkt dit het geval, dan is afstemming met de huisarts of andere behandelaars gewenst.

Petra Verdonk, Angelique de Rijk

Samenwerken met de eerstelijnspsycholoog of met de paramedicus

Voorwerk

3. ‘Samenwerking is alleen mogelijk wanneer je elkaars professionaliteit erkent’

Een fysiotherapeut, een psycholoog, een huisarts en een hoogleraar paramedische wetenschappen bespreken hun ervaringen met het afstemmen van behandeling en verzuimbegeleiding in contacten met bedrijfsartsen. Alle gesprekspartners erkennen dat het van belang is dat de behandelaar en bedrijfsarts op één lijn komen, zodat hun aanpak en advies eenduidig is. Om dat te bereiken is over en weer een open contact nodig. Intercollegiaal overleg dient in een sfeer van respect en vertrouwen te verlopen. De behandelaar bevordert een vruchtbaar contact door mee te denken over een manier om werkhervatting te stimuleren. De bedrijfsarts door open te staan voor de visie van de behandelaar en deze te informeren over wat er op het werk speelt. Essentieel is dat behandelaars niet het gevoel krijgen dat het belang van hun cliënt geschaad wordt wanneer ze hun aanpak afstemmen op die van de bedrijfsarts. Gebruik van het machtswoord (‘ik beslis hier over werkhervatting’) valt beslist verkeerd.

Rietje van Vliet

4. De eerstelijnspsycholoog en arbeidsrelevante problemen

Veel werknemers kampen met psychische problemen. De bedrijfsarts en verzekeringsarts hebben dus geregeld te maken met een cliënt die behandeld wordt door een psycholoog. Voor een vruchtbare samenwerking is van belang dat professionals op de hoogte zijn van elkaars manier van werken. In dit hoofdstuk wordt daarom een overzicht gegeven van de rol en werkwijze van de eerstelijnspsycholoog naar wie een groot deel van de werknemers met psychische klachten wordt verwezen. Na een korte algemene introductie wordt deze bespreking toegespitst op de arbeidsrelevante klachten en stoornissen die het meest worden gepresenteerd: angst- en stemmingsstoornissen, burn-out, chronische pijn en onbegrepen klachten. Uitgelegd wordt hoe de eerstelijnspsycholoog cliënten met deze klachten behandelt en wat de overwegingen zijn om het zo te doen. Hierbij komt aan de orde hoe in de behandeling gelet wordt op werkgebonden factoren die mogelijk van invloed zijn. Daarna wordt aandacht besteed aan de rol van de eerstelijnspsycholoog bij werkhervatting. Tot slot worden de richtlijnen van de beroepsverenigingen van eerstelijnspsychologen en bedrijfsartsen vergeleken en worden enkele opmerkingen gemaakt over de samenwerking tussen beide beroepsgroepen.

Pieter Kop, Ad Vingerhoets

5. Paramedici en arbeidsrelevante aandoeningen

In dit hoofdstuk wordt de manier van werken van de fysiotherapeut, de oefentherapeut en de ergotherapeut behandeld. Voor iedere discipline wordt aangegeven wat de aanpak zou zijn bij twee casussen. Deze gaan om een individueel probleem (een persoon die verzuimt vanwege rugklachten) en een vraag van een werkgever over arbeidsgebonden problemen, waar verschillende werknemers last van hebben. Daarnaast wordt per beroepsgroep in een tekstkader enkele kerngegevens gepresenteerd over onder andere de opleiding, de beroepsvereniging en het kwaliteitsbeleid van deze discipline. Zo leren we drie groepen paramedici beter kennen en wordt bovendien een vergelijking van de werkwijze van genoemde disciplines mogelijk. Dit is handig wanneer men aarzelt tussen een verwijzing naar een fysio- of een oefentherapeut, of misschien toch een ergotherapeut. Het hoofdstuk sluit af met enkele praktische tips bij verwijzing.

Chris Kuiper, Roelf Kolk, Alex Verhoeven, Nienke de Heus-Wiegersma, Noks Nauta

6. Een pleidooi voor het gebruik van de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) in de arbozorg

In de arbozorg is men nog weinig vertrouwd met de ICF, de International Classification of Functioning, Disability and Health. Dat is jammer, want de ICF is een geschikt hulpmiddel om complexere casussen goed in kaart te brengen. Dit classificatiesysteem biedt een analyseschema en een begrippenkader waarmee het (dis)functioneren van een persoon systematisch kan worden beschreven in relatie tot alle medische en niet-medische factoren die er invloed op uitoefenen. De Gezondheidsraad bepleit daarom de ICF als uitgangspunt te kiezen bij de behandeling, begeleiding en beoordeling van zieke werknemers. Gebruik van de ICF bevordert een biopsychosociale benadering van gezondheidsproblemen en ziekteverzuim, die beter aansluit bij het multifactoriële karakter van verzuimproblematiek dan een strikt medische beoordeling. Wanneer zowel arboprofessionals als behandelaars de ICF gebruiken, ontstaat bovendien een gemeenschappelijk referentiekader dat kan bijdragen aan verbetering van arbocuratieve samenwerking. In dit hoofdstuk wordt de betekenis van de ICF voor de arbozorg besproken.

Yvonne Heerkens, Josephine Engels, Joost van der Gulden

Enkele voorbeelden uit de praktijk

Voorwerk

7. Arbeidsgerichte hulp aan werknemers met psychische klachten

De GGZ Groningen heeft sinds een jaar of tien een afdeling Arbeidshulpverlening. Ook elders zijn zulke afdelingen opgezet. Een aantal daarvan is nu actief onder de naam Centrum voor Arbeid en Psyche. Dat is ook de naam die nu in Groningen wordt gebruikt.

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de arbeidshulpverlening besproken als een nieuwe manier van werken in de ggz. Dat gebeurt aan de hand van praktische voorbeelden. Kenmerkend voor de beschreven aanpak is dat er veel aandacht is voor het werk van de cliënt en dat werkhervatting wordt gestimuleerd. De auteurs beschouwen werkhervatting als een krachtige therapeutische techniek: bij de cliënten die zij behandelen is verzuim dikwijls een vlucht voor werkgebonden problematiek. Wordt het werk weer hervat, dan doorbreekt de cliënt zijn vermijdingsgedrag en moet hij wel aan zijn problemen gaan werken. De behandeling komt dan ook beter tot zijn recht. Gesprekken met een cliënt over de problemen op het werk tijdens verzuim hebben immers het karakter van ‘droogzwemmen.’

Aan de orde komt verder waarom psychologen en andere ggzmedewerkers vaak wat terughoudend zijn in hun contacten met de bedrijfsarts. De medewerkers van het Centrum voor Arbeid en Psyche stemmen juist geregeld af met de bedrijfsarts en zo nodig ook met de werkgever.

Jan Smid, Sjoerd Dijkstra, Janneke Valk

8. De bedrijfsarts in de eerste lijn

De bedrijfsarts is nu alleen toegankelijk voor werknemers. Mensen zonder betaald werk kunnen niet bij de bedrijfsarts terecht voor advies. Voor werknemers is er geen vrije artsenkeuze, wat een probleem kan zijn wanneer het niet ‘klikt.’ Soms is alleen contact mogelijk in geval van ziekteverzuim. Het zou dus winst zijn wanneer het mogelijk zou worden om vragen op het terrein van arbeid en gezondheid voor te leggen aan een bedrijfsarts die werkzaam is in de eerste lijn, ook voor mensen zonder betaald werk. In 2006 zijn op zeven plaatsen in Nederland pilotprojecten uitgevoerd, waarbij een bedrijfsarts in een eerstelijnssetting beschikbaar was voor consultatie. In dit hoofdstuk wordt kort beschreven wat de werkwijze was in deze pilots. Dit gebeurt aan de hand van enkele voorbeelden uit de praktijk. Ook worden de ervaringen van enkele deelnemers weergegeven. Daarna volgt een korte beschrijving van het standpunt van de NVAB over de positionering van de bedrijfsarts. Dit hoofdstuk eindigt met enkele discussiepunten over de toekomstige positionering van de bedrijfsarts in het zorgstelsel.

Noks Nauta, Jos Manders, André Weel

9. Transmurale, arbocuratieve samenwerking bij de preventie van chronische pijnproblemen

Bij het voorkómen van chronische, benigne pijn en arbeidsongeschiktheid is de periode van zes tot twaalf weken (de subacute fase) een kritieke periode. Bij onvoldoende herstel circa zes weken na het begin van functieverlies door pijnklachten dienen de huisarts en bedrijfsarts samen de diagnose en het beleid te evalueren en factoren die de pijn in stand houden te inventariseren. Het is dan zaak adequate interventies te kiezen om de stagnatie te doorbreken en activiteit te stimuleren. Is er reden voor nadere monodisciplinaire diagnostiek door een somatisch specialist, fysiotherapeut of psycholoog? Zo niet, dan kan interdisciplinaire pijndiagnostiek door een pijnteam in de tweede lijn zinvol zijn om een integrale analyse te krijgen met een behandeladvies voor de eerste lijn. Arbeidsgeneeskundige expertise in het pijnteam kan ervoor zorgen dat de factor arbeid en het maatschappelijk functioneren in het algemeen betrokken worden in diagnostiek en behandelplan. De mogelijkheden van werk als therapeuticum en de mogelijkheden van de bedrijfsarts om adequate werkaanpassing te bewerkstelligen kunnen doorslaggevend zijn voor een goed resultaat.

Is pijnbehandeling in de eerste lijn door een fysiotherapeut of psycholoog aangewezen, dan is het van belang dat deze zijn opgeleid om pijnpatiënten te behandelen. Goed toegankelijke voorzieningen voor interdisciplinaire pijnbehandeling door huisarts, bedrijfsarts, psycholoog en fysiotherapeut in teamverband ontbreken veelal nog in de eerste lijn. De regionale ondersteuningsstructuren in de eerste lijn lijken de aangewezen gremia om lokale verbeterprojecten te faciliteren.

Theo Senden, Jacqueline Janssen, Robert van Dongen, Han Samwel

Samenwerking is een kwestie van vertrouwen

Voorwerk

10. Risicoperceptie bepaalt de bereidheid tot samenwerking

In de bedrijfskunde is onderzocht waarom samenwerkingsrelaties tussen bedrijven en organisaties zo vaak mislukken. Het blijkt dat managers bij het onderzoeken van de mogelijkheid tot samenwerking niet alleen afgaan op objectieve indicatoren, zoals omzetcijfers en de marktpositie van de andere partij. Subjectieve factoren spelen zeker zo'n grote rol. Het gaat dan vooral om risicoperceptie en vertrouwen. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt uitgelegd dat hierbij een relationeel risico en een uitvoeringsrisico te onderscheiden zijn. Het eerste betreft de vraag of we de andere partij vertrouwen (‘hoe groot is de kans op onaangenaam gedrag?’), het tweede de vraag of de andere partij zakelijke afspraken zal kunnen waarmaken (‘kunnen ze zo'n grote opdracht aan?’). Ontbreekt het vertrouwen in een goede samenwerking, dan is er geen basis om verder te praten.

In de tweede helft van het hoofdstuk analyseren de auteurs aan de hand van het risicoperceptiemodel waarom de relatie tussen een arbodienst en haar cliënten vaak zo moeizaam verloopt. Gesteld wordt dat vanuit werkgeversperspectief zowel het relationele als het uitvoeringsrisico van samenwerking met een arbodienst vaak aanzienlijk lijkt. Besproken wordt wat arbodiensten kunnen doen om meer vertrouwen te verwerven. Vervolgens wordt op een vergelijkbare manier gekeken naar de contacten tussen de bedrijfsarts of verzekeringsarts en de behandelaar van een werknemer. Opnieuw blijkt het risicoperceptiemodel bruikbaar om valkuilen te herkennen en op basis daarvan concrete adviezen te geven voor een succesvolle samenwerking.

Ton van den Hout, Joost van der Gulden

Nawerk

Meer informatie