Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek beschrijft de structuur en het functioneren van de mondzorg, bezien vanuit verschillende invalshoeken. Aan de orde komen onder meer de ontwikkeling van de zorgverlening en van de mondzorg in de sociale zorgverzekering, belangrijke wetgeving, toezicht, kwaliteitsborging en de resultaten van de zorg. Veel aandacht wordt geschonken aan de werking van het systeem van mondzorg in de praktijk, aan problemen die daarbij aan het licht komen en aan discussie over mogelijke verbetering in de toekomst.Dr. J. den Dekker, tandarts, is als tandheelkundig adviseur verbonden aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en als universitair docent sociale tandheelkunde aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA).Het boek is bestemd voor studenten tandheelkunde en mondzorgkunde, tandartsen en mondhygiënisten en anderen die belang stellen in (de ontwikkeling van) de mondzorg.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1 Mondzorg en de samenleving

Samenvatting
Tandartsen en mondhygiënisten werken in een omgeving die in een snel tempo ingrijpend verandert. Zo is het ‘monopolie’ van de tandarts als enig verantwoordelijke voor de mondzorg aan het verdwijnen. Het aantal soorten hulpverleners is gestegen. Door de explosief toenemende kennis worden professionals steeds meer afhankelijk van de kennis en diensten van andere disciplines. De vanzelfsprekendheid van het ‘eigene’ van het vakgebied verdwijnt daardoor. In de mondzorg moeten tandartsen hun eigen ‘professionele ruimte’ meer en meer delen met anderen. Ook is binnen de kring van tandartsen een proces van steeds verdergaande specialisatie op gang gekomen.
J. den Dekker

2 Ontwikkeling van ‘public health’

Samenvatting
De volksgezondheid kan worden omschreven als ‘de omvang en spreiding van ziekte, handicap en sterfte binnen een bevolking’. De volksgezondheid is in zekere zin de optelsom van de gezondheidstoestand van alle leden van de bevolking en van hun risico om op een bepaalde leeftijd te overlijden. Voor een goed begrip van ziekte en gezondheid is het noodzakelijk om het zieke individu te zien als onderdeel van een gezin, een bedrijf, een stad enzovoort. Kortom, van een populatie waarin bepaalde ziekterisico’s veel of juist weinig voorkomen. Er is namelijk een nauw verband tussen de kansen op gezondheid en het risico van ziekte van het individu en de ‘volksgezondheid’ als geheel.
J. den Dekker

3 Gezondheidszorgbeleid

Samenvatting
Het gezondheidszorgbeleid van de overheid speelt een belangrijke rol bij de inrichting en het functioneren van de gezondheidszorg. Dit beleid wordt gelegitimeerd door de Grondwet. Artikel 22, lid 1, van de Grondwet luidt: ‘De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.’ Die opdracht omvat bemoeienis met openbare gezondheidszorg (‘public health’) en individuele gezondheidszorg. Bemoeienis met individuele gezondheidszorg wil niet zeggen bemoeienis met de zorg voor de gezondheid van burgers individueel. Zij beperkt zich tot maatregelen gericht op de beschikbaarheid van en toegang tot zorgvoorzieningen voor elke burger op een niveau als vereist voor de instandhouding van een gezonde samenleving (Van der Most, 2005).
J. den Dekker

4 Ontwikkeling van de tandheelkundige zorgverlening

Samenvatting
Tot de Franse tijd was de belangrijkste medische arbeidsdeling die tussen geneesheer en chirurgijn. Aan de top van de medische statushiërarchie stonden de medicinae doctores of geneesheren. Zij hadden aan een medische faculteit gestudeerd en hun studie afgesloten met een promotie. De geneesheer onthield zich van iedere ingreep in het lichaam en beperkte zich aan het ziekbed tot onderzoek van uitwendig waarneembare verschijnselen. Veel van de taken waar de geneesheer zich te goed voor voelde – de behandeling van wonden, botbreuken en andere kwetsuren – rustten in handen van de chirurgijn of heelmeester. Het beroep van chirurgijn was geen vrij beroep – zoals dat van de geneesheer – maar werd uitgeoefend in gildeverband. De gilden regelden de opleiding, de examens, de toelating tot de beroepsuitoefening en de beroepsuitoefening zelf. Ook zorgden zij voor sociale voorzieningen voor de leden. Helemaal onderaan de hiërarchie bevond zich nog een geheel ongereguleerde schare van tandmeesters, kiezentrekkers, keisnijders, kwakzalvers en beulen.
J. den Dekker

5 Het veld van mondzorg

Samenvatting
Er zijn in Nederland ruim 8200 tandartsen werkzaam (zie tabel 5.1), in ruim 5500 praktijken De tandartsen hebben ongeveer 16.500 mensen als assisterend personeel in dienst.
J. den Dekker

6 Financiering en marktordening

Samenvatting
In de zorg gaat veel geld om. In tabel 6.1 staat een overzicht van de uitgaven per sector in de AWBZ en de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zorgverzekeringswet bestaat pas sinds 2006 en is een verzekering voor alle Nederlanders. Tot die tijd was de Ziekenfondswet (ZFW) van kracht, krachtens welke ongeveer twee derde van de bevolking verzekerd was. Tot 2006 had de rest een particuliere verzekering (zie verder hoofdstuk 7). De kosten die particulier verzekerden maakten voor het met het ziekenfonds vergelijkbare pakket zorg waren in 2005 opgelopen tot ruim 9,1 miljard euro. Dit bedrag moet nog bij het totaal in tabel 6.1 worden opgeteld.
J. den Dekker

7 Ontwikkeling van de sociale zorgverzekering

Samenvatting
Het ziekenfondswezen in ons land heeft een lange geschiedenis achter zich. In de late middeleeuwen zagen wij al de eerste sporen van wat zich uiteindelijk tot het huidige systeem van sociale zekerheid heeft ontwikkeld, namelijk het gildewezen. De ambachtsgilden waren plaatselijke verenigingen van zelfstandige ambachts- of handwerkslieden en kleinhandelaren van eenzelfde beroep, opgericht om de gemeenschappelijke belangen van hun leden te behartigen. Zij stonden onder het toezicht van de (plaatselijke) overheid en regelden tot in kleine bijzonderheden de beroepsactiviteit van de leden, om de concurrentie te beperken en om de kwaliteit van fabrikaat of dienstverlening te waarborgen. Bovendien hadden zij tot doel steun te verlenen aan gildebroeders die daaraan behoefte hadden. Binnen de gilden trof men toen al hier en daar zogenoemde bussen aan, die tegen geringe contributie aan de gildeleden hulp bij ziekten verschaften en als weduwen- en begrafenisfonds dienden.
J. den Dekker

8 Zorgverzekeringswet en AWBZ

Samenvatting
Anders dan bijvoorbeeld de AWBZ is de Zorgverzekeringswet (Zvw) geen verzekering van rechtswege. De Zvw legt aan burgers en verzekeraars de verplichting op, met elkaar zorgverzekeringsovereenkomsten te sluiten die aan bepaalde bij en krachtens de Zvw omschreven eisen voldoen. Verzekeringsplichtigen dienen dus zorgverzekeringen te sluiten met privaatrechtelijke verzekeraars. De Zorgverzekeringswet legt een verzekeringsplicht op aan iedereen die van rechtswege AWBZ-verzekerd is. Dit zijn alle ingezetenen, maar ook personen die niet in Nederland wonen maar er wel werkzaam zijn en loonbelasting betalen. De verzekeringsplicht geldt echter niet voor militairen in werkelijke dienst en gemoedsbezwaarden (zie par. 8.1.5). De verzekeringsplicht van gedetineerden wordt voor de duur van de detentie opgeschort.
J. den Dekker

9 Mondzorg in de zorgverzekering

Samenvatting
Zoals in hoofdstuk 7 is aangegeven, kende het ziekenfondswezen tot 1941 geen wettelijke regeling en dus ook geen omschreven verstrekkingenpakket. Tandheelkundige hulp voor wat men in die tijd ‘minvermogenden’ noemde, bestond voornamelijk uit extracties, verricht door arts of tandarts, en de behandeling van ontstekingen. In paragraaf 4.4.1 is vermeld dat de tandartsen, verenigd in de in 1914 opgerichte Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT), een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van een systeem van tandheelkundige hulp binnen het ziekenfondswezen. Zo wezen NMT-vertegenwoordigers er in 1924 op dat invoering van de tijdrovende tandbehoudkunst dringend noodzakelijk was om de gezondheidszorg op een aanvaardbaar niveau te brengen.
J. den Dekker

10 Mondzorg in de AWBZ

Samenvatting
Tot de ‘bijzondere ziektekosten’ waarvoor de AWBZ in 1968 werd ingevoerd, horen onder meer de kosten van opneming en verder verblijf in een aantal categorieën instellingen, zoals verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking. In deze instellingen betaalt de AWBZ de zorg vanaf de dag van opname. Oorspronkelijk werd alleen de geneeskundige verzorging in de AWBZ-instellingen op grond van de AWBZ betaald. De tandheelkundige hulp was daarin uitdrukkelijk niet begrepen.
J. den Dekker

11 De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Samenvatting
De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is op 1 december 1997 in werking getreden. Deze wet bevat regels voor zorgverlening door individuele beroepsbeoefenaren. Doelstellingen zijn het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg en het beschermen van de patiënt tegen gezondheidsrisico’s als gevolg van ondeskundig en onzorgvuldig handelen door beroepsbeoefenaren. De Wet BIG is in de plaats gekomen van alle tot dan toe bestaande wettelijke beroepenregelingen, zoals de Wet op de uitoefening der geneeskunst (WUG) uit 1865.
J. den Dekker

12 Overige gezondheidswetgeving

Samenvatting
De ontwikkeling van patiëntenrechten heeft sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw een hoge vlucht genomen. Aanvankelijk zijn het maatschappelijke bewegingen, zoals democratisering en emancipatie; begin jaren tachtig van de twintigste eeuw ontstaan ideeën voor wetgeving. Vanaf de jaren negentig van de twintigste eeuw is veel wetgeving tot stand gekomen die onder meer tot doel heeft de rechtspositie en -bescherming van de patiënt/cliënt te verbeteren. De Wet BIG is in hoofdstuk 11 besproken.
J. den Dekker

13 Kwaliteit van zorg

Samenvatting
Kwaliteit van zorg moet in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht zijn (zie par. 12.4.2). Wat is dat precies? En hoe kunnen wij garanderen dat patiënten die zorg ook krijgen? De opvattingen over goede kwaliteit kunnen nogal uiteenlopen, afhankelijk van de vraag of men naar zorgverleners, patiënten, financiers, beleidsmakers, managers of anderen luistert. Optimale kwaliteit van zorg gaat in essentie over handelen in overeenstemming met recente wetenschappelijke of professionele inzichten, over voorkomen van onnodige kosten, over voorkomen van fouten en over efficiënte procedures en patiëntvriendelijke attitudes.
J. den Dekker

14 Kwaliteitsborging in de mondzorg

Samenvatting
Krachtens de in de hoofdstukken 11 en 12 besproken wetgeving is ook de tandarts verplicht tot het werken volgens een kwaliteitssysteem. De NMT heeft de minister van VWS al in 1995 meegedeeld dat de kosten die worden gemaakt met betrekking tot kwaliteitsbevordering niet alleen kunnen worden gedragen door de beroepsgroep zelf. Ook de afnemers van de tandheelkundige zorg, te weten de zorgverzekeraars en patiënten, zullen hierin hun bijdrage moeten leveren. De NMT vroeg tevens de minister om financiële steun voor de ontwikkeling van een kwaliteitssysteem. De minister van VWS heeft zich bereid verklaard het kwaliteitsbeleid van de beroepsgroep van tandartsen te ondersteunen. Daartoe is vanaf 1996 tot en met 2000 een jaarlijkse subsidie verleend. In deze periode is het nodige kwaliteitsinstrumentarium ontwikkeld.
J. den Dekker

15 Toezicht

Samenvatting
Van toezicht wordt gesproken wanneer er een relatie is tussen een toezichthouder en een onder toezicht gestelde, die haar grondslag heeft in een stelsel van regels met rechtskracht. Toezicht betreft in het algemeen het waken dat een persoon of instelling handelt overeenkomstig een bepaalde norm. Het belangrijkste doel van toezichthouders is dan ook niet het opsporen en sanctioneren van overtreders, maar het verhogen van de naleving van wet- en regelgeving. Toezicht kan structureel plaatsvinden, gericht op processen, of incidenteel, gericht op (eenmalige) gebeurtenissen.
J. den Dekker

16 Resultaten van mondzorg

Samenvatting
Het systeem van gezondheidszorg, waaronder begrepen de tandheelkundige zorg, heeft tot doel de gezondheid van de mens, individueel en als populatie, te optimaliseren. De ‘public health’ richt zich onder meer op de vraag in hoeverre dat doel wordt bereikt. In paragraaf 2.7 zijn de mogelijkheden die daartoe bestaan aan de orde geweest. De daar geschetste problemen bij de evaluatie van de zorg gelden onverkort voor de tandheelkundige zorg; wellicht zelfs in versterkte mate. Zo is de solidariteit in de tandheelkundige zorg relatief beperkt (zie par. 9.4), evenals de collectieve preventie (zie par. 5.6). Een zeer effectief middel voor collectieve preventie van tandcariës als de drinkwaterfluoridering is na langdurige maatschappelijke discussie door de politiek in de jaren zeventig van de twintigste eeuw uiteindelijk afgewezen.
J. den Dekker

17 Zorg in Europees perspectief

Samenvatting
Met de toenemende Europese integratie wordt het belang van de wet- en regelgeving van de Europese Unie steeds groter. Dit proces is begonnen in 1957, toen zes Europese landen, waaronder Nederland, de Verdragen van Rome tekenden waarin zij afspraken een gemeenschappelijke, uniforme, Europese markt te verwezenlijken. Goederen, diensten, personen en kapitaal zouden, niet gehinderd door nationale overheidsbelemmeringen, vrijelijk kunnen circuleren en er zou een regime van onvervalste mededinging heersen: de Europese Economische Gemeenschap (EEG). In het Verdrag van Maastricht (1992) werd de Europese Unie (EU) opgericht, waarvan de EEG (vanaf dat moment EG – Europese Gemeenschap – genoemd) deel uitmaakt. Daarmee heeft de EU haar doelstelling verbreed tot een politieke, sociale en economische gemeenschap.
J. den Dekker

18 Mondzorg in Europa

Samenvatting
In tabel staan enkele gegevens over mondzorgverleners en opleidingen in de landen van de Europese Unie. Er zijn in totaal ruim 310.000 tandartsen werkzaam. De tandartsdichtheid loopt flink uiteen. Op een schaal van laag naar hoog staat Nederland op de zesde plaats. In de meeste landen is de tandartsdichtheid dus hoger. Om als tandarts te worden erkend, moet met goed gevolg een universitaire opleiding van minstens vijf jaar zijn voltooid.
J. den Dekker

19 Mondzorg in de samenleving

Samenvatting
Rond het jaar 1900 begint de beroepsgroep van tandartsen in Nederland elementen van een structuur te vertonen. De periode van de puur solistisch werkzame tandmeester, opgeleid via het meester-gezelsysteem, is dan aan het aflopen. Er is een opleiding van de grond gekomen met staatsexamens, er zijn verenigingen opgericht en er verschijnen periodieken over de tandheelkunde. Met de oprichting van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde in 1914 krijgen de tandartsen een spreekbuis voor hun belangen. Sindsdien is er in de beroepsuitoefening veel veranderd en verbeterd. Maar er zijn ook belangrijke constanten: zaken die periodiek de kop opsteken, regelmatig op de agenda komen en kwesties die eigenlijk voortdurend om aandacht vragen. Zij liggen op het terrein dat met een overkoepelende term ‘spanning tussen vraag naar en aanbod van zorg’ genoemd kan worden.
J. den Dekker

Nawerk

Meer informatie