Skip to main content
main-content
Top

2016 | Boek | 5. editie

Medische terminologie

Anatomie en fysiologie

Auteur: G.H. Mellema

Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum

share
DELEN
insite
ZOEKEN

Over dit boek

Als je werkzaam bent in de gezondheidszorg, is kennis van de medische terminologie noodzakelijk. Voor de medische beroepen geldt dat deze kennis uiteraard tijdens de opleiding wordt geleerd. Bij alle andere beroepen (en dat zijn er nogal wat, met name in de ondersteunende beroepen) is dit niet het geval. Speciaal voor deze deze doelgroep is dit boek gemaakt. Het behandelt in vogelvlucht de belangrijkste medische termen en brengt ze met elkaar in verband.

Medische terminologie - anatomie en fysiologie is een leerboek voor doktersassistenten en medisch secretaresses in opleiding. Ook is het geschikt voor hen die werkzaam zijn bij zorgverzekeraars, de overheid, de GGD of een arbodienst, waarbij zij uit hoofde van hun functie veel te maken hebben met medische termen en worstelen met de betekenis ervan. Voor hen is deze uitgave een handig naslagwerk.

Het boek is goed zelfstandig te gebruiken, maar kent ook een vervolg in het tweede deel, Medische terminologie - Pathologie.

De auteur, G.H. Mellema, is docent aan diverse opleidingen voor onder meer medisch secretaresses. Hij is begonnen als huisarts en werkt nu bij een zorgverzekeraar.

Inhoudsopgave

Voorwerk
1. Inleiding in de medische terminologie

De medische termen die we in dit boek zullen tegenkomen, zijn vaak opgebouwd uit een aantal Latijnse of Griekse woorddelen die anatomische of fysiologische begrippen inhouden. Dit zijn begrippen die de bouw van het menselijk lichaam, respectievelijk het normale functioneren van het menselijk lichaam omschrijven. Dat lijkt ingewikkelder dan het vaak is. In ons taalgebruik kennen we ook veel andere woorden die oorspronkelijk uit het Latijn of Grieks komen, maar hiervan zijn we ons veelal niet direct bewust.

2. Opbouw van het menselijk lichaam

Al onze organen en weefsels zijn terug te brengen tot de bouwstenen waaruit ze zijn opgebouwd, namelijk de lichaamscellen. Een cel is heel klein (0,01-0,001 mm). Alleen met een goede microscoop zijn cellen te onderscheiden. Een cel is de kleinste zelfstandig functionerende eenheid van het menselijk lichaam.

3. Algemene fysiologie

Fysiologie binnen de medische wetenschap houdt zich bezig met het normale functioneren van de mens, vanaf het niveau van de cel tot op het niveau van het gehele organisme. Binnen de fysiologie zijn er diverse processen. Drie daarvan worden in dit hoofdstuk nader toegelicht.

4. Spijsverteringsstelsel

Het spijsverteringsstelsel (tractus digestivus) staat geheel in het teken van één alles bepalende functie: het opnemen van voedsel en dit zodanig bewerken (verteren) dat dit door het lichaam kan worden opgenomen. Vervolgens worden de onverteerbare bestanddelen uit het lichaam uitgescheiden (zie figuur 4.1).

5. Ademhalingsstelsel

Het ademhalingsstelsel (tractus respiratorius) omvat de luchtwegen en de longen (zie figuur 5.1). Om hun werk goed te kunnen verrichten moeten de genoemde organen ondersteund worden door een aantal spieren, de ademhalingsspieren. De longen (pulmones) worden omgeven door een longvlies (pleura). In dit hoofdstuk worden verder nog beknopt behandeld: de bloedvoorziening en op welke wijze zenuwprikkels de ademhaling aanzetten.

6. Bloedsomloop

Een volwassen mens heeft ongeveer vijf liter bloed dat voortdurend via bloedvaten door het lichaam stroomt: de bloedsomloop (tractus circulatorius). In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de bouw en functies van het hart en de bloedvaten beschreven. Tot slot wordt aandacht besteed aan de lymfe en het weefselvocht.

7. Bloed

Bloed is de vloeistof die in het bloedvatensysteem door het lichaam circuleert. Bloed bestaat voor ongeveer 55 procent uit een geelachtige vloeistof – het bloedplasma, waarin zich allerlei opgeloste stoffen bevinden – en voor 45 procent uit bloedcellen. Beschreven worden de samenstelling en functies van het bloed, waarbij ook de afweer en stolling ter sprake komen. Tot slot wordt ingegaan op de bloedgroepen, met een beschrijving van het ABO-mechanisme en de resusfactor.

8. Uitscheidingsstelsel

Het urinestelsel wordt gevormd door de nieren en urinewegen. Het zorgt voor de uitscheiding van overtollige, onbruikbare en schadelijke stoffen uit het lichaam. Het uitscheidingsproduct, de urine, bevat naast water een groot aantal daarin opgeloste stoffen.

9. Huid

De huid is het deel van ons lichaam dat het meest aan de buitenwereld is blootgesteld. Voor veel mensen geldt de huid als een zeer belangrijke parameter voor gezondheid, schoonheid en soms welvaart.

10. Beenderstelsel

Het beenderstelsel geeft stevigheid aan het lichaam. Het is opgebouwd uit been en kraakbeen. Het geheel noemen we het skelet of geraamte (zie figuur 10.4). Tussen de diverse beenderen bestaan verbindingen. Onbeweeglijke verbindingen vinden we bijvoorbeeld tussen de schedelbeenderen; beweeglijke verbindingen zijn de gewrichten

11. Spierstelsel

In hoofdstuk 2 werd het spierweefsel beschreven. In dit hoofdstuk komen de functies en bouw van de skeletspieren, de dwarsgestreepte spieren, aan bod. Tot slot vindt een opsomming plaats van de belangrijkste spiergroepen van ons lichaam en hun functies.

12. Zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit een deel dat aan onze wil gehoorzaamt en een deel dat zich niet door onze wil laat beïnvloeden. Zo gebeurt het bewegen van onze armen en benen onder invloed van onze wil, maar het ritme van ons hart kunnen we niet beïnvloeden.

13. Hormoonstelsel

De onbewuste regeling van de samenwerking tussen de organen en andere interne processen in ons lichaam, zoals de verbranding, wordt niet alleen bestuurd door het zenuwstelsel maar ook door ons hormoonstelsel.

14. Zintuigen

Een zintuig is een orgaan dat bepaalde prikkels opvangt die specifiek door dit orgaan worden waargenomen en ze vervolgens via een sensibele zenuw transporteert naar de hersenen. Daar ontstaat een directe reactie (reflex) of het bewust worden van deze prikkel.

15. Geslachtsorganen

De voortplantingsorganen van de mens, ook wel de geslachtsorganen genoemd, zijn bij de man en vrouw uiteraard verschillend gebouwd. De mannelijke geslachtsorganen hebben als taak zaadcellen (spermatozoa) te produceren (in de testikels), en deze spermatozoa via geslachtsgemeenschap (coïtus) in te brengen bij de vrouw, waarna ze contact kunnen maken met de vrouwelijke eicel en deze kunnen bevruchten.

Nawerk
Meer informatie
Titel
Medische terminologie
Auteur
G.H. Mellema
Copyright
2016
Uitgeverij
Bohn Stafleu van Loghum
Elektronisch ISBN
978-90-368-1497-3
Print ISBN
978-90-368-1496-6
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-1497-3