Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit boek is een onmisbaar overzichtswerk over volksgezondheid en gezondheidzorg. Het is in de eerste plaats geschreven voor studenten geneeskunde en gezondheidswetenschappen. Daarnaast is het een prima naslagwerk voor iedereen die zich in zijn werk met volksgezondheid en het gezondheidszorgsysteem bezighoudt.

Leerboek volksgezondheid en gezondheidszorg geeft antwoord op vragen als: hoe gezond is de bevolking in Nederland? Waar hangt dat vanaf, en hoe kan de volksgezondheid verder verbeteren? Hoe functioneert het systeem van gezondheidszorg in Nederland qua besturing, organisatie en financiering, en hoe wordt de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg gegarandeerd? Het is de afgelopen 25 jaar onmisbaar gebleken, en is in deze negende druk volledig herzien. Het is compact, en ondersteunt studenten in hun leerproces door per hoofdstuk kernbegrippen, theorieën, methoden en feiten te benoemen. Zo ontstaat de canon van de volksgezondheid en gezondheidszorg.

Deze druk is voorzien van een uitgebreid online deel: Leerboek volksgezondheid en gezondheidszorg – praktijk over de uitvoering en organisatie van de sociale geneeskundige beroepspraktijk. Dit is geordend aan de hand van acht geneeskundige specialisaties, zoals infectieziektebestrijding en jeugdgezondheidszorg. Dit boek biedt online toegang tot het ebook, inclusief het praktijkdeel, met oefenvragen en deeplinks die verder studeren op een bepaald onderwerp mogelijk maken.

Karien Stronks is als hoogleraar public health verbonden aan de afdeling Public and Occupational Health van het Amsterdam UMC. Alex Burdorf is als hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg en hoofd van de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg verbonden aan het Erasmus MC Rotterdam. Het boek is geschreven door een groot aantal wetenschappers en professionals in de beroepspraktijk, met betrokkenheid van docenten van alle opleidingen geneeskunde in Nederland.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Het werkveld sociale geneeskunde en de opleidingen tot sociaal geneeskundige

Samenvatting
De sociale geneeskunde is het geneeskundige vakgebied met een primaire focus op de volksgezondheid en het zorgsysteem. Sociale geneeskunde bestaat uit twee domeinen: Maatschappij en Gezondheid en Arbeid en Gezondheid. Het domein Maatschappij en Gezondheid is verdeeld in verschillende subdomeinen, zoals de jeugdgezondheidszorg en infectieziektebestrijding. Artsen Maatschappij en Gezondheid werken met name binnen het wettelijk kader van de Wet publieke gezondheid bij een GGD. Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen werken in het domein Arbeid en Gezondheid. Bedrijfsartsen werken vanuit het wettelijk kader van de Arbowet, met name bij arbodiensten, maar ook als zelfstandige. Verzekeringsartsen werken binnen het wettelijk kader van (sociale) arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij het UWV of particuliere verzekeringsmaatschappijen. De medische vervolgopleiding tot arts Maatschappij en Gezondheid, verzekeringsarts of bedrijfsarts duurt vier jaar en wordt vormgegeven door te werken bij een opleidingsinstelling zoals een GGD, arbodienst of UWV in combinatie met cursorisch onderwijs bij een opleidingsinstituut zoals de NSPOH of het Radboud UMC.
Marielle Jambroes, Jeroen Croes, Marc Soethout

2. Infectieziektebestrijding

Samenvatting
Het profiel Infectieziektebestrijding (IZB) is één van de profielen van de specialisatie arts Maatschappij en Gezondheid (arts M&G). Artsen M&G IZB combineren hun medische kennis met een brede blik op de publieke gezondheid en hebben als kerntaak het voorkomen van transmissie en het onderbreken van de transmissiecyclus. De arts M&G IZB maakt een risicoschatting voor de volksgezondheid op basis van eigenschappen van de ziekteverwekker, populatiekenmerken en omgevingskenmerken. De arts M&G IZB heeft vier rollen: zorgverlener, (medisch) leider bij uitbraken, public health dokter en ‘sociaal ondernemer’. De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM coördineert de bestrijding van infectieziekten in Nederland en de daarmee samenhangende communicatie. Bij het RIVM is ook het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) ondergebracht, een kenniscentrum voor hygiëne en infectiepreventie dat richtlijnen ontwikkelt voor het publieke domein en publieksinformatie geeft.
Jan Hendrik Richardus, Aura Timen

3. Medische milieukunde

Samenvatting
Medische milieukunde is het vakgebied dat zich bezighoudt met de invloed van milieufactoren op de gezondheid. Het belangrijkste resultaat is het beschermen van de gezondheid van mensen door het beperken van de blootstelling aan schadelijke milieufactoren en het bevorderen van hun gezondheid door het vergroten van de blootstelling aan gezondheidsbevorderende milieufactoren. Veel mensen maken zich weinig zorgen over de meest riskante ziekmakers, zoals roken of ongezond eten. Mensen kunnen daarentegen wel erg bezorgd zijn als de blootstelling zo laag is dat gezondheidsschade erg onwaarschijnlijk is, zoals bij asbest in een woning. Bezorgdheid kan zelfs groot zijn over zaken waarvan de schadelijkheid helemaal niet is aangetoond, zoals de straling van zendmasten. De medische milieukunde kan mensen die zich vooral zorgen maken, helpen door een handelingsperspectief te bieden bij de belangrijkste oorzaken van hun bezorgdheid. Daarbij gaat het vaak om variabelen als vrijwilligheid en beheersbaarheid van een situatie.
Fred Woudenberg, Peter van den Hazel

4. Jeugdgezondheidszorg

Samenvatting
Jeugdgezondheidszorg (JGZ) is preventieve gezondheidszorg voor kinderen, jongeren en hun ouders. Deze zorg vindt plaats op het consultatiebureau en/of in het centrum voor jeugd en gezin (jonge kinderen), en op scholen (oudere kinderen). De zorg bestaat ten eerste uit preventieve zorg die wordt aangeboden aan individuele kinderen en gezinnen, bijvoorbeeld vaccinaties, screening, volgen van de groei en begeleiding bij schoolverzuim vanwege gezondheidsredenen. Ten tweede biedt JGZ preventieve zorg aan groepen kinderen, bijvoorbeeld door een gezonde schoolomgeving (voeding, bewegen) te creëren. Centraal in de benadering van de JGZ staat de ontwikkeling van het gezonde kind. JGZ wordt gratis aangeboden met een hoog bereik, bij jonge kinderen wordt meer dan 95 % van alle kinderen bereikt, onder verantwoordelijkheid van gemeenten. Jeugdgezondheidszorg balanceert in haar werk tussen de risico’s van problemen missen enerzijds en te veel kinderen ‘met een probleem’ labelen anderzijds. Dit balanceren komt onder andere naar voren in de maatschappelijke discussies over ADHD en over kindermishandeling.
Menno Reijneveld, Frans Feron

5. Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde

Samenvatting
Arbeidsgeneeskunde en bedrijfsgeneeskunde dragen zorg voor de (preventie van) arbeidsgebonden aandoeningen en beroepsziekten, de preventie en de begeleiding bij ziekteverzuim, en (het herstel van) iemands duurzame inzetbaarheid. De bedrijfsarts is er voor alle werkenden in Nederland. De bedrijfsarts is een BIG-geregistreerd sociaal geneeskundig specialist. In het eerste deel van het hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de (positieve) bijdrage van werk aan de (volks)gezondheid, alsmede de mogelijke negatieve gevolgen van werk voor arbeidsgebonden aandoeningen en beroepsziekten, en ziekteverzuim & arbeidsongeschiktheid. Het tweede deel gaat in op de Wet verbetering poortwachter (Wvp), ziekteverzuimbegeleiding en modellen bij sociaal-medische begeleiding. Vervolgens komen de organisatie van de bedrijfsgezondheidszorg aan bod en de rol, de taken en het inhoudelijk werk van de bedrijfsarts. In het laatste deel van het hoofdstuk wordt de arbocuratieve samenwerking besproken.
Jeroen Croes, Marjolein Bastiaanssen

6. Verzekeringsgeneeskunde

Samenvatting
Het Nederlandse socialezekerheidsstelsel biedt bescherming tegen sociale risico’s, zoals inkomensverlies door werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid. In onze participatiesamenleving is ‘meedoen naar vermogen’ uitgangspunt van onze sociale zekerheid. Verzekeringsgeneeskunde speelt binnen de sociale zekerheid een belangrijke rol als medische discipline. In Nederland is er een scheiding tussen behandeling en begeleiding/controle bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Binnen de sociale zekerheid is er onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid door een arbeidsongeval of beroepsziekte (risque professionel) en arbeidsongeschikt door een andere (buiten het werk gelegen) oorzaak (risque social). Het ICF-model biedt de verzekeringsarts een conceptueel kader om de uitingen van ziekte op de drie niveaus van mens-zijn te onderzoeken; de mens als organisme (stoornissen), menselijk handelen (beperkingen) en deelname aan de samenleving, in het bijzonder werk (participatieproblemen). Uitgangspunt van het huidige socialezekerheidsstelsel in Nederland is dat iedere burger in beginsel verantwoordelijk is voor en actief bijdraagt aan zijn eigen werk, inkomen en welzijn.
Sylvia van der Burg-Vermeulen, Han Anema

7. Forensische geneeskunde

Samenvatting
Forensische geneeskunde is een discipline die zich begeeft op de grens van de geneeskunde en het strafrecht. De forensisch arts houdt zich in de praktijk bezig met drie kerntaken. Dit zijn medische arrestantenzorg, sporenonderzoek en letselinterpretatie bij (kinder)mishandeling of een zedenmisdrijf, en lijkschouw bij een (mogelijk) niet-natuurlijke doodsoorzaak. In geval van medische arrestantenzorg is de forensisch arts behandelaar van de patiënt en is het beroepsgeheim volledig van kracht. Met toestemming van de arrestant kan informatie gedeeld worden tussen bijvoorbeeld forensisch arts en huisarts. Bij de lijkschouw en sporenonderzoek is geen sprake van een behandelrelatie en wordt gerapporteerd aan justitie. Een forensisch arts wordt geconsulteerd door een behandelend arts bij twijfel aan natuurlijk overlijden en bij vermoeden van (kinder)mishandeling. Met een lijkschouw achterhaalt de forensisch arts de aard en oorzaak van het overlijden. Bij mishandeling of een zedendelict legt de forensisch arts het letsel objectief vast en rapporteert aan justitie.
Udo Reijnders, Guido Reijnen

8. Donorgeneeskunde

Samenvatting
Lichaamsmateriaal van vrijwillige donoren is een essentieel onderdeel van de gezondheidszorg in Nederland. Het doneren van bloed voor transfusie, en van stamcellen, weefsel of organen voor transplantatie is het meest bekend. Maar er zijn ook andere toepassingen van lichaamsmateriaal, zoals de bereiding van geneesmiddelen (bijvoorbeeld stollingsfactoren en immunoglobulinen) uit menselijk bloedplasma. De donorarts houdt zich bezig met donorselectie, de afname van lichaamsmateriaal en advisering over de veiligheid en effectiviteit van toepassing van het lichaamsmateriaal. Tevens heeft de donorarts een rol in de verdeling van lichaamsmateriaal om te zorgen dat dit eerlijk en verantwoord gebeurt. Vooral voor organen en stamcellen geldt dat er een gebrek aan is. De donorarts werkt internationaal om de match tussen donor en ontvanger te vergroten. Naast medisch-technische taken (donorselectie en afname) en beleidsmatige taken (eerlijke verdeling) heeft de donorarts een rol in maatschappelijk ethische discussies over mogelijkheden en grenzen van donatie, transfusie en transplantatie.
Peter van den Burg, Ineke Tienen

9. Sociaal-medische indicatiestelling en advisering

Samenvatting
Wanneer burgers onvoldoende zelfredzaam zijn en hun omgeving hen onvoldoende kan ondersteunen, kunnen zij een beroep doen op professionele zorg en ondersteuning. Sociaal-medische indicatiestelling en advisering is onafhankelijke advisering door artsen over het verstrekken van zorg en voorzieningen. Deze advisering wordt vaak gedaan door artsen Maatschappij en Gezondheid met het profiel sociaal-medische indicatiestelling en advisering (arts SMI&A), veelal werkzaam voor een gemeentelijke afdeling Sociaal-medische advisering. Na een methodische beoordeling van medische aspecten en alle relevante factoren in leefgebieden, het zogenoemde 360 gradenonderzoek, stelt de arts een advies op met een optimale balans tussen indicatie, beschikbare voorzieningen, budget en juridische kaders. Hierbij wordt gebruikgemaakt van volksgezondheidsmodellen en medische classificaties. De belangrijkste juridische kaders zijn de Wmo, Jeugdwet, Wlz en de Participatiewet. De arts onderbouwt het advies met argumenten en houdt zich aan kwaliteitseisen. De opdrachtgever neemt op basis van het advies een besluit over het wel of niet beschikbaar stellen van de voorziening.
Lisette Kwast, Saskia van de Merwe
Meer informatie

Extras