Ga naar de hoofdinhoud
Top

Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen

  • 2026
  • Boek

Over dit boek

Dit leerboek is een handreiking bij de verpleegkundige diagnostiek, mogelijke interventies en professionele omgang met mensen met psychiatrische problemen. Het is een inmiddels gerenommeerd standaardwerk voor de hbo-opleidingen tot verpleegkundige, en voor aanverwante opleidingen.

Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen sluit aan bij de alledaagse praktijk van de psychiatrische verpleegkunde en is als naslagwerk geschikt voor iedereen die professioneel contact heeft met mensen met psychiatrische problematiek.

Deze vijfde druk van het Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen is weer geheel bijgewerkt naar de meest recente wetenschappelijke en verpleegkundige inzichten. Er is opnieuw uitdrukkelijk stilgestaan bij verschillende aspecten van de moderne herstelvisie.

Het boek begint met een algemene inleiding op de geschiedenis van de verpleegkunde en op de kern van het verpleegkundig beroep. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt steeds een specifieke stoornis of doelgroep in de ggz besproken. In verschillende thematische hoofdstukken komen overstijgende onderwerpen aan de orde, waaronder seksuologie, psychiatrie en recht en forensische psychiatrie.

Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen omvat zoals in de eerdere edities bij ieder hoofdstuk casuïstiek en verdiepende links.

Aan deze druk van het boek werkte opnieuw een breed gezelschap van vooraanstaande specialisten op psychiatrisch, psychotherapeutisch, verpleegkundig en medisch terrein mee. Ieder hoofdstuk is (mede) geschreven door verpleegkundigen om het verpleegkundig perspectief goed weer te geven.

Inhoudsopgave

  1. Voorwerk

  2. 1. Inleiding op psychiatrie en psychiatrische verpleegkunde

    N. Boonstra
    Samenvatting
    De psychiatrische verpleegkunde is een relatief jong beroep. Het dateert van het einde van de negentiende eeuw, toen op verschillende plekken krankzinnigengestichten werden opgericht. De ‘krankzinnigenverpleegkundige’ was lange tijd vooral gericht op somatische zorg. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontstond een duidelijke scheiding tussen de A-verpleegkundige (voor het lichaam) en de B-verpleegkundige (voor de geest). Maar al snel werd duidelijk dat een mens niet zomaar op te delen is in losse stukken. De holistische visie deed haar intrede, waaruit later onder meer het biopsychosociaal model voortkwam, met aandacht voor biomedische, psychologische en sociale factoren. Intussen is het accent verschoven naar positieve gezondheid, herstelondersteuning en zelfredzaamheid. De patiënt heeft daarbij niet alleen meer zeggenschap, maar ook meer verantwoordelijkheid voor zijn eigen welzijn. Deze ontwikkelingen sluiten naadloos aan bij de basis van het verpleegkundige beroep. Daardoor komt er meer ruimte om te werken vanuit een brede holistische visie, waarbij de gevolgen van de ziekte op het functioneren en de identiteitsontwikkeling centraal staan. De huidige psychiatrisch verpleegkundige werkt interdisciplinair en evidence-based, is goed opgeleid en maakt gebruik van tal van hulpmiddelen, zoals zorgstandaarden, classificatiemiddelen en meetinstrumenten. Na ruim een eeuw is de psychiatrische verpleegkunde uitgegroeid tot een goed gefundeerd, zelfstandig vakgebied.
  3. 2. Oriëntatie op psychiatrische verpleegkunde

    B. Stringer, M. A. G. B. van Piere
    Samenvatting
    Hoewel de rollen en werkzaamheden van ggz-verpleegkundigen zeer divers zijn, is er altijd die gemeenschappelijke kern: de werkrelatie met de patiënt. Idealiter is die nabij, interpersoonlijk, zo gelijkwaardig mogelijk en gebaseerd op samenwerking. Bejegening is het sleutelwoord voor een goede werkrelatie. Zo is aansluiten bij de copingstrategie van de patiënt en zijn fase van herstel essentieel. Ook bij het boven tafel krijgen van de (vaak verborgen) hulpvraag luistert bejegening nauw. Hiervoor is aan de kant van de verpleegkundige een hele reeks kwaliteiten vereist. Daarom is zelfreflectie onmisbaar voor dit vak. Denk aan intervisie en feedback van collega’s, aan het trainen van gespreksvaardigheden, het ontwikkelen van empathisch vermogen, het bewaken van grenzen en het inzetten van humor als smeermiddel!
  4. 3. Persoonlijkheidsstoornissen

    A. C. Videler, B. Stringer
    Samenvatting
    Volgens de DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is sprake van een persoonlijkheidsstoornis bij ‘een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen met aanhoudende impact op het functioneren en de kwaliteit van leven en dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van betrokkene wordt verwacht.’ Dat patroon uit zich op twee of meer van de volgende terreinen: cognitie, affect, onderling contact en impulsbeheersing. Onder invloed van diezelfde DSM is de visie op persoonlijkheidsstoornissen de laatste decennia nogal veranderd. Lange tijd werd gedacht dat behandeling niet goed mogelijk was. Onderzoek maakte echter duidelijk dat de ernst van de stoornis behoorlijk kan variëren en dat behandeling, met name psychotherapie, wel degelijk zinvol kan zijn. In dit hoofdstuk wordt het begrip ‘persoonlijkheid’ toegelicht, evenals de ontwikkeling. Ook komen de verschillende persoonlijkheidsstoornissen aan bod, met bijbehorende theorieën, handvatten voor behandeling en aandacht voor de vaak uitdagende werkrelatie.
  5. 4. Autisme en ADHD

    J. van Essen, J. P. W. M. Teunisse, R. M. Brouwer
    Samenvatting
    Dit hoofdstuk gaat over twee neurobiologische ontwikkelingsstoornissen: de autismespectrumstoornis (ASS) en ADHD. Er wordt ingegaan op bezwaren tegen het woord ‘stoornis’ voor beide beelden en op kenmerken, overeenkomsten en verschillen van autisme en ADHD. Ook komt diagnostiek en begeleiding aan bod. Bij zowel ADHD als autisme ligt de oorzaak al voor de geboorte vast. De gevolgen liggen juist niet vast: in elke ontwikkelingsfase – van baby en kind tot puber en volwassene – komen autisme en ADHD op een eigen manier tot uiting. In dit hoofdstuk worden de termen autismespectrumstoornis (ASS) en autisme afwisselend gebruikt. Beide betekenen hetzelfde.
  6. 5. Angststoornissen en obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen

    I. M. van Vliet, A. J. L. M. van Balkom, C. L. Wanders
    Samenvatting
    Angst is een nuttige emotie die ons van oudsher beschermt tegen tal van gevaren. Een angststoornis daarentegen is een chronische psychiatrische aandoening die sterk beperkend kan zijn. Ook de obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen vallen hieronder. In dit hoofdstuk komen deze stoornissen aan bod, voorzien van de bijbehorende DSM-5-TR-criteria en epidemiologie. Angststoornissen, zoals de paniekstoornis, fobieën en de sociale-angststoornis, komen relatief vaak voor en kennen veel verschillende verschijningsvormen. Ze hebben vermoedelijk een erfelijke component, maar ook temperament, opvoeding en levensgebeurtenissen lijken een rol te spelen. Angststoornissen zijn over het algemeen redelijk tot goed te behandelen. De behandeling begint altijd met psycho-educatie, meestal gevolgd door een psychologische behandeling, eventueel in combinatie met medicatie, conform de landelijke richtlijnen. Vooral cognitieve gedragstherapie boekt goede resultaten. Angst- en dwangstoornissen hebben vaak een recidiverend of chronisch beloop. Daarom is er toenemend aandacht voor recidiefpreventie en herstelondersteunende zorg, meer gericht op de kwaliteit van leven mét een angststoornis dan op het ‘genezen’ ervan. Ook ervaringsdeskundigen (lotgenotencontact) worden steeds vaker ingezet.
  7. 6. Psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen en dissociatieve stoornissen

    R. P. L. Favié, C. M. Fleurij
    Samenvatting
    Psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen werden in het verleden gerekend tot de angststoornissen, maar onderzoek heeft uitgewezen dat ze veel variabeler zijn en een ander beloop hebben dan angststoornissen. Stress en traumagerelateerde stoornissen en de dissociatieve stoornissen hebben daarom in de DSM-5 een eigen hoofdstuk gekregen. Stress wordt meer en meer beschouwd als een normale reactie op een ingrijpende gebeurtenis. Het is heel persoonlijk en afhankelijk van sociale context, biologische processen en al bestaande comorbide psychiatrische problematiek of, en in welke mate, een stoornis ontstaat. Het concept van ‘positieve gezondheid’, dat niet zozeer uitgaat van ‘genezing’ maar van acceptatie en het benutten van mogelijkheden, sluit hier goed bij aan. In dit hoofdstuk gaat in op kenmerken, oorzaken, epidemiologie, diagnostiek en behandeling van deze stoornissen.
  8. 7. Stemmingsstoornissen

    B. Geerling, L. F. A. Pappijn
    Samenvatting
    Stemmingsstoornissen kunnen de kwaliteit van leven sterk beïnvloeden. De gemoedstoestand is daarbij langdurig ontregeld (niet te vergelijken met normale humeurschommelingen). Er zijn verschillende unipolaire en bipolaire varianten. Met name de unipolaire depressieve stoornis en de persisterende depressieve stoornis (dysthymie) komen veel voor. Er is een duidelijke interactie tussen stemmingsstoornissen en sociale factoren. In dit hoofdstuk is uitgegaan van de classificatie volgens DSM-5-TR en komen verschillende verklaringsmodellen aan de orde, kenmerken en symptomen, alsook de verpleegkundige interventies en begeleiding van mensen met een stemmingsstoornis. Ook is er aandacht voor bejegening, de werkrelatie en het functioneren, aangezien stemmingsstoornissen op iedereen veel impact kunnen hebben, zowel op de patiënt als op de omgeving. Er wordt ook stilgestaan bij de farmacotherapie, omdat ook hierbij een belangrijke rol is weggelegd voor verpleegkundigen.
  9. 8. Schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen

    N. Boonstra
    Samenvatting
    In de diagnostiek en behandeling van mensen met een psychotische stoornis of een verhoogd risico daarop wordt uitgegaan van het principe van klinische stadiëring. Afhankelijk van de fase waarin de patiënt zich bevindt in zijn ziekteproces, is er behoefte aan andere interventies en een verschillende intensiteit van behandeling. In de behandeling is er niet alleen aandacht voor vermindering van psychotische ervaringen, maar ook voor het verbeteren van sociale rollen en het leren leven met een psychotische kwetsbaarheid. Er is een breed scala aan interventies beschikbaar die in afstemming met de patiënt kunnen worden ingezet, afhankelijk van zijn symptomen en zorgbehoefte. De focus op sociale rollen – ook wel als ‘sociale inclusie’ aangeduid – is het uitgangspunt voor de behandeling. Iedere patiënt dient een individueel behandelplan te hebben dat hij samen met de behandelaar opstelt, vanuit shared decision-making. De naasten dienen hier zoveel mogelijk bij betrokken te worden, zodat het een breed gedragen plan betreft.
  10. 9. Eetstoornissen

    A. A. van Elburg, T. N. Berends
    Samenvatting
    In dit hoofdstuk worden de eetstoornissen anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornis en ARFID (vermijdend/restrictieve voedingsinnamestoornis) beschreven. Bij elke eetstoornis wordt een casus gepresenteerd. Vaak wordt gedacht dat eetstoornissen problemen zijn die iemand zelf kan oplossen door ‘niet zo moeilijk te doen’ en weer gewoon te gaan eten. Het gaat echter om ernstige psychiatrische stoornissen, die naast de geest ook het lichaam volledig ontregelen. Er is daarom aandacht voor diagnostiek, somatiek, medicatie en behandelvormen. Motivatie en motiverende gespreksvoering spelen een belangrijke rol in de behandeling. Ook het verpleegkundig handelen in zowel de klinische als de ambulante setting wordt beschreven.
  11. 10. Begeleiding en behandeling bij verslavingsproblematiek

    C. A. G. Verbrugge, H. Kisjes, C. A. J. de Jong
    Samenvatting
    Verslaving is geen verpleegkundige diagnose, maar de gezondheidsproblemen die ermee gepaard gaan, komen in de praktijk vaak voor rekening van de verpleegkundige. Het gaat om een veelvoorkomende, veelal chronische aandoening die lange tijd werd gezien als een persoonlijke keuze. Zo simpel is het echter niet. Net als andere psychiatrische stoornissen is verslaving een ziekte. Sluipend, initieel vaak zonder dat de gebruiker het merkt, wordt het middel de baas over de gebruiker. Regelmatig komt het zó ver dat mensen hun werk en huis kwijtraken of zelfs in de criminaliteit belanden door hun verslaving. Binnen de huidige verslavingszorg is het biopsychosociale model nog altijd leidend. Het voordeel van dit model is dat alle factoren die van invloed zijn op deze complexe aandoening aan de orde komen: de biomedische, psychologische én sociaal-maatschappelijke. Dit hoofdstuk besteedt niet alleen aandacht aan kenmerken, symptomen, aanpak en bejegening, maar ook aan de motivatie van de verpleegkundige. In de toekomst zal de verpleegkundige vooral als spil opereren in een ketenzorgomgeving, met toenemende aandacht voor preventie en zelfmanagement.
  12. 11. Neurocognitieve stoornissen

    M. G. Kat, G. F. W Bergsma
    Samenvatting
    Met de groeiende vergrijzing nemen aandoeningen als delier, dementie en geheugenstoornissen toe. Deze vallen in de DSM-5 alle onder de noemer ‘neurocognitieve stoornissen’ en kennen drie categorieën: delirium, uitgebreide en beperkte neurocognitieve stoornissen. Het gaat hierbij uitsluitend om niet-aangeboren cognitieve stoornissen, die worden veroorzaakt door neurodegeneratieve processen of bijvoorbeeld doorbloedingsstoornissen in het brein. Het delirium is in het ziekenhuis de meest voorkomende psychiatrische aandoening. Het kan op alle leeftijden optreden, maar vooral ouderen en kinderen zijn er gevoelig voor. De uitgebreide cognitieve stoornis (voorheen dementie) is de meest voorkomende psychiatrische aandoening bij vooral de oudste groep ouderen. Het betreft vrijwel altijd complexe problematiek, waarbij het van belang is om ook aandacht te hebben voor (andere) fysieke, psychische en sociale factoren, evenals voor het sociaal netwerk van de patiënt. De hulpverlening aan deze patiënten is vaak lastig, maar zeker ook interessant en uitdagend.
  13. 12. Psychiatrie, somatische aandoeningen, somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen

    J. F. van Eck van der Sluijs, M. A. G. B. van Piere, W. Garenfeld
    Samenvatting
    Lichaam en geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Psychiatrisch verpleegkundigen worden, naast de psychische aandoeningen waarvoor zij zorg verlenen, regelmatig geconfronteerd met lichamelijke klachten bij patiënten. Daarbij kan worden gedacht aan de negatieve gevolgen voor de lichamelijke gezondheid bij verslavingsproblematiek, of bij een eetstoornis. Bovendien is er een vergroot risico op lichamelijke aandoeningen bij psychiatrische patiënten, en hetzelfde geldt voor verhoogde mortaliteit. Andersom is de oorzaak van een psychiatrische stoornis regelmatig terug te voeren op een lichamelijk probleem, zoals het geval is bij een delier. In dit hoofdstuk gaat het om die samenhang tussen psychiatrie en somatiek, en komen de somatisch-symptoomstoornis (SSS), verwante stoornissen en aanhoudende lichamelijke klachten (ALK) aan de orde. De onderlinge verwevenheid tussen psychiatrie en somatiek betekent dat samenwerking met collega’s, met een andere verpleegkundige of medische achtergrond, van groot belang is.
  14. 13. Seksuologie

    J. G. Griffioen, G. G. R. Bijzitter
    Samenvatting
    Seksualiteit, in de breedste zin van het woord, speelt een centrale rol in het leven van de mens, maar het is voor veel mensen lastig om erover te praten. Dit geldt ook voor verpleegkundigen, terwijl aandacht voor seksualiteit een vast onderdeel vormt van het vak. Verpleegkundigen krijgen hier in de psychiatrische zorg regelmatig mee te maken; aandacht voor seksuele gezondheid is dan ook een verpleegkundige interventie. Psychiatrische aandoeningen hebben hun weerslag op het seksuele leven van patiënten, en omgekeerd kunnen seksuele problemen bijdragen aan psychische klachten. In 2022 is in opdracht van de Vereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (VenVN) de richtlijn ‘Veranderende seksuele gezondheid’ uitgegeven, specifiek bedoeld ter ondersteuning van verzorgenden en verpleegkundigen in de praktijk. In dit hoofdstuk komt het begrip seksualiteit uitgebreid aan de orde, alsook het belang van seks, de seksuele responscurve, seksuele disfuncties en verschillen tussen mannen en vrouwen. Daarna volgt een aantal psychiatrische aandoeningen met veelvoorkomende gevolgen voor seksualiteit. Ook is er aandacht voor do’s-and-don’ts bij het afnemen van een seksuele anamnese en het uitvoeren van sekscounseling door verpleegkundigen.
  15. 14. Slaap en slaapstoornissen

    H. C. J. P. Janssen, J. H. E. M. Stapper
    Samenvatting
    Slaap is onmisbaar om goed te kunnen functioneren. Wat we overdag meemaken, beïnvloedt de kwaliteit van de slaap; die bepaalt weer het functioneren overdag. Dit verklaart onder meer waarom slaapproblemen zo frequent voorkomen. Ook verschillende aandoeningen hebben gevolgen voor de slaap, terwijl een verstoorde slaap een psychische of psychiatrische stoornis kan uitlokken en in stand houden. Het is daarom van belang oog te hebben voor slaapproblematiek in de psychiatrie. Verpleegkundigen spelen hierin een belangrijke rol, door het afnemen van een (hetero)anamnese, het laten bijhouden van een slaap-waakkalender, en indien nodig gevolgd door aanvullend (lichamelijk) onderzoek. Vervolgens is het van belang begeleiding te bieden bij een gezonde slaap-waakhygiëne. Dit gebeurt door gebruik van de specifieke behandeltrajecten die passen bij de diverse slaapstoornissen die in dit hoofdstuk worden besproken.
  16. 15. Psychische stoornissen en zwakbegaafdheid, of een lichte verstandelijke beperking

    J. Wieland, I. Berger
    Samenvatting
    Naar schatting heeft één op de zes Nederlanders – als dit zou worden gemeten – een IQ onder 85. Verpleegkundigen moeten hun zorg kunnen afstemmen op álle patiënten, waaronder mensen met zwakbegaafdheid of een lichte verstandelijke beperking. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat zwakbegaafdheid is, welke criteria gelden voor een verstandelijke beperking en hoe een laag IQ bij patiënten kan worden herkend. Er wordt besproken hoe zwakbegaafdheid of een lichte verstandelijke beperking in kaart wordt gebracht door het testen van de intellectuele functies en het onderzoeken van de adaptieve vaardigheden. Daarnaast wordt uitgebreid ingegaan op hoe het contact, de diagnostiek en de behandeling van psychische stoornissen kunnen worden afgestemd op deze doelgroep en herstel kunnen ondersteunen. Dit begint altijd met het aanpassen van de bejegening en communicatie.
  17. 16. Psychiatrie en recht

    A. E. G. Steger
    Samenvatting
    In dit hoofdstuk staat het gezondheidsrecht centraal. De belangrijkste wetten komen aan de orde die voor verpleegkundigen in de dagelijkse uitoefening van het beroep relevant zijn. In een aantal paragrafen wordt dieper ingegaan op regelgeving met betrekking tot de zorg voor patiënten met psychiatrische problematiek. Dit hoofdstuk omvat de volgende paragrafen: Kwaliteit van zorg – Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz); Patiëntenrechten – Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd); Tuchtrecht en strafrecht.
  18. 17. Forensische psychiatrie

    F. A. J. Fluttert, W. J. Canton
    Samenvatting
    Het komt regelmatig voor dat psychiatrische patiënten in aanraking komen met justitie. Een klein deel van hen pleegt delicten en komt terecht in het grensgebied tussen psychiatrie en recht. Het Nederlandse strafrecht heeft van oudsher veel aandacht voor de verdachte; er wordt daarom ook gesproken van daderstrafrecht. Zowel de geestelijke toestand van de dader als de omstandigheden waarin het delict heeft plaatsgevonden worden meegewogen in de strafmaat en bepalen mede of er, al dan niet naast een straf, ook een gedwongen behandeling wordt opgelegd. De forensische psychiatrie houdt zich zowel bezig met het beoordelen van de psychische toestand van verdachten als met de behandeling van daders. De behandeling kan ambulant of klinisch zijn en kan op verschillende zorg- en beveiligingsniveaus plaatsvinden. Behandeling in een tbs-instelling staat het meest in de belangstelling. Bij de behandeling binnen de forensische psychiatrie staat het verminderen van de recidivekans centraal. De laatste decennia werkt een groeiend aantal, vooral sociaalpsychiatrische verpleegkundigen binnen de forensische psychiatrie, bijvoorbeeld binnen een penitentiaire inrichting, bij de reclassering of als sociotherapeut in een tbs-kliniek. Sociotherapeuten spelen een belangrijke rol in de behandeling en begeleiding binnen de forensische setting, gericht op het reduceren van het recidiverisico. Hecht teamwork en professionele distantie zijn belangrijke vereisten voor deze werkomgeving.
  19. Nawerk

Titel
Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen
Redacteuren
Marieke Clijsen
Willy Garenfeld
Marieke van Piere
Barbara Stringer
Nynke Boonstra
Copyright
2026
Uitgeverij
BSL Media & Learning
Elektronisch ISBN
978-90-368-3192-5
Print ISBN
978-90-368-3191-8
DOI
https://doi.org/10.1007/978-90-368-3192-5