Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Dit leerboek is een handreiking bij de verpleegkundige diagnostiek, mogelijke interventies en professionele omgang met mensen met psychiatrische problemen. Het is een standaardwerk voor de hbo-opleidingen tot verpleegkundige met specialisatie psychiatrie, en voor aanverwante opleidingen.

Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen sluit aan bij de alledaagse praktijk van de psychiatrische verpleegkunde en is als naslagwerk geschikt voor iedereen die professioneel contact heeft met mensen met psychiatrische problematiek.

Deze vierde druk van het Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen is geheel bijgewerkt naar de meest recente wetenschappelijke en verpleegkundige inzichten. Er is nu bijvoorbeeld uitdrukkelijk stilgestaan bij verschillende aspecten van de moderne herstelvisie.

Het boek begint met een algemene inleiding op de psychiatrie en een oriëntatie op de psychiatrische verpleegkunde. Daarna worden de classificatie, kenmerken, behandeling en verpleegkundige interventies beschreven voor de belangrijkste psychiatrische stoornissen. In verschillende thematische hoofdstukken komen overstijgende onderwerpen aan de orde, waaronder psychiatrische stoornissen in de kindertijd, ouderenpsychiatrie, psychiatrie en recht en forensische psychiatrie.

Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen is toegankelijk dankzij ruime aandacht voor casuïstiek. Dit boek is ook digitaal beschikbaar met samenvattingen, verdiepende links en toetsvragen bij ieder hoofdstuk.

Aan deze druk van het boek werkte een breed gezelschap van vooraanstaande specialisten op psychiatrisch, psychotherapeutisch, verpleegkundig en medisch terrein mee.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Inleiding op psychiatrie en psychiatrische verpleegkunde

Samenvatting
De psychiatrische verpleegkunde is een relatief jong vak, dat dateert van eind negentiende eeuw, toen her en der krankzinnigengestichten van de grond kwamen. De ‘krankzinnigenverpleegkundige’ was lange tijd vooral somatisch georiënteerd. Pas na WO II ontstond een waterscheiding tussen de A-verpleegkundige (voor het lichaam) en de B-verpleegkundige (voor de geest). Maar al snel zag men in dat een mens niet zomaar op te delen is in losse stukken, en deed de holistische zijn intrede, waaruit later onder meer het biopsychosociaal model voortkwam, met oog voor biomedische, psychologische en sociale factoren. Intussen is het accent verschoven naar positieve gezondheid, herstelondersteuning en zelfredzaamheid. De patiënt (cliënt) heeft daarbij niet alleen meer zeggenschap, maar ook meer verantwoordelijkheid voor zijn eigen welzijn. De huidige psychiatrisch verpleegkundige weet zich gesteund door tal hulpmiddelen, zoals zorgstandaarden, classificatiemiddelen en meetinstrumenten, is goed opgeleid en werkt interdisciplinair en evidence-based. Na een ruime eeuw is het resultaat een goed gefundeerd, zelfstandig vakgebied.
N. Boonstra

2. Oriëntatie op psychiatrische verpleegkunde

Samenvatting
Hoewel de rollen en werkzaamheden van ggz-verpleegkundige zeer divers zijn, is er altijd die gemeenschappelijke kern: de werkrelatie met de patiënt. Idealiter is die nabij, interpersoonlijk, zo gelijkwaardig mogelijk en gebaseerd op samen-werking. Maar, en dat is zowel het interessante als het uitdagende: elke werkrelatie is uniek, zoals ook iedere patiënt én hulpverlener uniek zijn. Bejegening is het sleutelwoord voor een goede werkrelatie. Zo is aansluiten bij de copingstrategie van de patiënt en zijn fase van herstel essentieel. Ook bij het boven tafel krijgen van de (vaak verborgen) hulpvraag luistert bejegening nauw. Hiervoor is aan de kant van de verpleegkundige een hele trits kwaliteiten vereist. Ook die is maar een mens, daarom is zelfreflectie onmisbaar voor dit vak. Denk aan intervisie en feedback van collega’s, aan het trainen van gespreksvaardigheden, het ontwikkelen van je empathisch vermogen, het bewaken van je grenzen en inzet van humor als smeermiddel!
B. Stringer, M. A. G. B. van Piere

3. Persoonlijkheidsstoornissen

Samenvatting
Volgens de DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) spreek je van een persoonlijkheidsstoornis bij “een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van betrokkene wordt verwacht.” Dat patroon uit zich op twee of meer van de volgende terreinen: cognitie, affect, onderling contact en impulsbeheersing. Onder invloed van diezelfde DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is de visie op persoonlijkheidsstoornissen de laatste decennia nogal veranderd. Lange tijd werd gedacht dat er weinig aan te doen viel, omdat de oorzaak vooral werd gezocht in een onveilige hechting in de vroege jeugd. Onderzoek maakte echter duidelijk dat de ernst van de stoornis behoorlijk kan fluctueren en dat behandeling, met name psychotherapie, wel degelijk zinvol kan zijn. In dit hoofdstuk vind je uitleg over het begrip ‘persoonlijkheid’ en de ontwikkeling daarvan, komen de verschillende persoonlijkheidsstoornissen aan bod en bijbehorende theorieën, handvatten voor behandeling en verbetertips voor de vaak uitdagende werkrelatie. 
A. C. Videler, B. Stringer

4. Autismespectrumstoornis

Samenvatting
Autisme kan in allerlei gradaties voorkomen, op alle leeftijden en op elk levensterrein. Tot voor kort kende de ontwikkelingsstoornis dan ook vele namen, maar in de DSM-5 vallen die allemaal onder de verzamelnaam ‘autismespectrumstoornis’ (ASS). Evengoed blijft de diversiteit in uitingsvormen natuurlijk bestaan en zul je oude benamingen, zoals PDD-NOS en het syndroom van Asperger in de praktijk gewoon nog tegenkomen. Wat alle ASS-patiënten gemeen hebben, zijn sociale beperkingen en repeterende vormen van gedrag, zoals bepaalde rituelen, bezigheden of bewegingen. In dit hoofdstuk lees je over de (toekomstige) diagnostiek, oorzaken, verklaringsmodellen, het voorkomen en de epidemiologie van ASS. En over de betekenis ervan voor iemands (maatschappelijk) leven. Ook het klinisch beeld van ASS en de werkrelatie met een ASS-patiënt komen aan bod.
J. P. W. M. Teunisse, J. van Essen

5. Angststoornissen en obsessief-compulsieve en verwante stoornissen

Samenvatting
Angst is een nuttige emotie die ons van oudsher beschermt tegen tal van gevaren. Een angststoornis daarentegen is een chronische psychiatrische aandoening die erg beperkend kan zijn. Ook de obsessief-compulsieve en verwante stoornissen vallen hieronder. In dit hoofdstuk komen ze allemaal aan de orde, voorzien van de bijbehorende DSM-5-criteria en epidemiologie. Angststoornissen, zoals de paniekstoornis, fobieën en de sociale angststoornis, komen relatief veel voor en kennen erg veel verschijningsvormen. Ze hebben vermoedelijk een erfelijke component, maar ook temperament, opvoeding en levensgebeurtenissen lijken een rol te spelen. Angststoornissen zijn in het algemeen redelijk te behandelen. De behandeling begint altijd met psycho-educatie, meestal gevolgd door therapie, eventueel in combinatie met medicatie. Vooral cognitieve gedragstherapie boekt goede resultaten, zij het doorgaans tijdelijk. Daarom is er toenemende aandacht voor herstelondersteunende zorg, meer gericht op de kwaliteit van leven mét een angststoornis dan op het ‘genezen’ ervan. Ook ervaringsdeskundigen (lotgenotencontact) worden steeds vaker ingezet.
I. M. van Vliet, A. J. L. M. van Balkom, L. A. Berkenbosch

6. Stress, trauma en dissociatie

Samenvatting
Stress- en traumagerelateerde stoornissen werden tot voor kort gerekend tot de angststoornissen, maar onderzoek heeft uitgewezen dat ze veel variabeler zijn en een ander beloop hebben dan persoonlijkheidsstoornissen. Daarom hebben ze in de DSM-5 een eigen hoofdstuk gekregen. Daaronder vallen ook de acute en posttraumatische stressstoornis (ASS en PTSS) en dissociatieve stoornissen. Stress wordt meer en meer beschouwd als een normale reactie op een ingrijpende gebeurtenis. Het is heel persoonlijk en afhankelijk van sociale context, biologische processen en al bestaande/comorbide psychiatrische problematiek of en in welke mate een stoornis ontstaat. Het concept van ‘positieve gezondheid’, dat niet zozeer uitgaat van ‘genezing’ maar van acceptatie en het benutten van mogelijkheden, sluit hier goed bij aan. In dit hoofdstuk lees je over kenmerken, oorzaken, epidemiologie, diagnostiek en behandeling van deze stoornissen.
S. Maduro

7. Stemmingsstoornissen

Samenvatting
Stemmingsstoornissen zijn aandoeningen die de kwaliteit van leven sterk beïnvloeden. De gemoedstoestand van de patiënt is daarbij langdurig ontregeld op een manier die niet te vergelijken is met normale humeurschommelingen. Deze stoornissen vallen uiteen in diverse depressieve en bipolaire varianten. Met name de depressieve stoornis en de persisterende depressieve stoornis (dysthymie) komen veel voor. Sociale factoren spelen een belangrijke rol bij stemmingsstoornissen en andersom hebben ze vaak veel sociale gevolgen. In dit hoofdstuk is uitgegaan van de classificatie volgens DSM-5 en komen verschillende verklaringsmodellen aan de orde, kenmerken en symptomen, alsook de verpleegkundige behandeling en begeleiding van mensen met een stemmingsstoornis. Ook is er veel aandacht voor bejegening en de werkrelatie, daar stemmingsstoornissen niet alleen veel impact kunnen hebben op de patiënt, maar ook op de verpleegkundige. Bij farmacotherapie is een belangrijke rol weggelegd voor de verpleegkundige (controle van medicatie en therapietrouw, alertheid op bijwerkingen).
M. Clijsen, W. Garenfeld

8. Schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen

Samenvatting
In de diagnostiek en behandeling van mensen met een psychotische stoornis of een verhoogd risico daarop, wordt uitgegaan van klinische stadiëring. Afhankelijk van de fase waarin de patiënt zit in zijn ziekteproces, is er behoefte aan andere interventies en verschillende intensiteit van behandeling. In de behandeling is er niet alleen aandacht voor vermindering van psychotische ervaringen, maar ook voor het verbeteren van sociale rollen en het leren leven met een psychotische kwetsbaarheid. Er is een breed scala aan interventies beschikbaar dat in goede afstemming met de patiënt kan worden ingezet, afhankelijk van zijn symptomen en zorgbehoefte. De focus op sociale rollen, ook wel ‘sociale inclusie’ genoemd, is het uitgangspunt voor de behandeling. Iedere patiënt dient een individueel behandelplan te hebben dat hij samen met de behandelaar opstelt vanuit shared decision making. De familie dient hier zoveel mogelijk bij betrokken te worden zodat het een breed gedragen plan betreft.
N. Boonstra

9. Eetstoornissen

Samenvatting
Eetstoornissen zijn psychiatrische aandoeningen met ernstige gevolgen voor het lichamelijk, psychisch en sociaal functioneren. In dit hoofdstuk wordt een beeld gegeven van het werken met mensen met een eetstoornis. Eerst vanuit kennis over pathologie, dan vanuit symptomen van de verschillende subtypen en de epidemiologie. Vervolgens worden respectievelijk risicofactoren en verklaringsmodellen weergegeven. Deze verklaringsmodellen geven een handvat om het ontstaan van de pathologie te begrijpen. Het blijft echter van groot belang om de samenhang van verschillende factoren te blijven bezien. Verder komen comorbide ziektebeelden aan bod en het belang om hiermee rekening te houden in de behandeling, alsook de meest gangbare en evidence based behandelingen van eetstoornissen. Niet voor niets beginnen de paragrafen over de behandeling met motivatie en bejegening. De afstemming tussen patiënt en hulpverlener gebeurt in een veilige sfeer, met een open, niet-veroordelende houding. Tot slot worden de prognose en het beloop van de verschillende eetstoornissen beschreven.
J. A. Bloks, C. van den Brink

10. Begeleiding en behandeling bij verslavingsproblematiek

Samenvatting
Verslaving is geen verpleegkundige diagnose, maar de gezondheidsproblemen die erdoor ontstaan komen wel op zijn bordje terecht. Het gaat om een veelvoorkomende, veelal chronische aandoening die lange tijd is beschouwd als eigen keuze. Zo simpel is het echter niet. Net als andere psychiatrische stoornissen is verslaving een ziekte. Vaak zonder dat de gebruiker het merkt, wordt het middel de baas over de gebruiker. Regelmatig komt het zover dat mensen hun werk en huis kwijtraken of zelfs in de criminaliteit belanden door hun verslaving. Binnen de huidige verslavingszorg is het biopsychosociaal model nog altijd leidend. Voordeel hiervan is dat alle factoren die van invloed zijn op deze complexe aandoening aan de orde komen: de maatschappelijke, psychologische én biomedische. Dit hoofdstuk besteedt niet alleen veel aandacht aan kenmerken, symptomen, aanpak en bejegening, maar ook aan de motivatie van de verpleegkundige. In de toekomst zal deze vooral als spil opereren in een ketenzorgomgeving, met toenemende aandacht voor preventie en zelfmanagement. 
C. Verbrugge, H. Kisjes, C. A. J. de Jong

11. Neurocognitieve stoornissen

Samenvatting
Met de groeiende vergrijzing nemen aandoeningen als delier, dementie en geheugenstoornissen toe. Deze vallen met ingang van de DSM-5 alle onder de noemer ‘neurocognitieve stoornissen’ en kennen drie categorieën: delier, uitgebreide en beperkte neurocognitieve stoornissen. Het gaat uitsluitend om niet- aangeboren cognitieve stoornissen, veroorzaakt door aangetaste hersenfuncties. Het delier, in het ziekenhuis de meestvoorkomende psychiatrische aandoening, kan op alle leeftijden optreden, maar vooral ouderen en kinderen zijn er gevoelig voor. De uitgebreide cognitieve stoornis (voorheen dementie) is de belangrijkste psychiatrische stoornis onder ouderen. Het gaat vrijwel altijd om complexe problematiek, waarbij het van belang is om ook aandacht te hebben voor fysieke, psychische en sociale factoren en voor het sociaal netwerk van de patiënt. De hulpverlening aan deze patiënten is vaak lastig, maar zeker ook interessant en uitdagend.
T. M. P. P. Verdonschot, M. G. Kat

12. Psychiatrie, somatische aandoeningen, somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen

Samenvatting
Lichaam en geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als psychiatrisch verpleegkundige heb je dan ook ook regelmatig te maken met fysieke klachten. Denk aan negatieve gevolgen voor de gezondheid van een verslaving, of aan die van een eetstoornis. Sowieso is er een vergroot risico op lichamelijke aandoeningen bij psychiatrische patiënten, en hetzelfde geldt voor mortaliteit. Andersom is de oorzaak van een psychiatrische stoornis regelmatig terug te voeren op een lichamelijk probleem, zoals het geval is bij een delier. In dit hoofdstuk gaat het om die samenhang tussen psychiatrie en somatiek, en komen de somatisch-symptoomstoornis (SSS) en verwante stoornissen, en de somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) aan de orde. De onderlinge verwevenheid tussen psychiatrie en somatiek betekent dat samenwerking met collega’s met een andere verpleegkundige of medische achtergrond van groot belang is.
J. F. van Eck van der Sluijs, M. A. G. B. van Piere, W. Garenfeld

13. Seksuologie

Samenvatting
Seksualiteit, in de breedste zin van het woord, speelt een centrale rol in het leven van de mens, maar het is voor veel mensen lastig om erover te praten. Ook voor verpleegkundigen. Als psychiatrisch verpleegkundige krijg je er echter regelmatig mee te maken. Psychiatrische aandoeningen hebben veelal hun weerslag op het seksuele leven van patiënten, en omgekeerd zijn er seksuele problemen die bijdragen aan psychische klachten. In dit hoofdstuk komt het begrip seksualiteit uitgebreid aan de orde, alsook het belang van seks, de seksuele responscurve en verschillen tussen mannen en vrouwen. Daarna volgt een aantal psychiatrische aandoeningen met de bijbehorende gevolgen voor de seksualiteit. Ook is er aandacht voor do’s and don’ts bij het afnemen van een seksuele anamnese.
J. G. Griffioen

14. Slaap en slaapstoornissen

Samenvatting
Slaap is onmisbaar om goed te kunnen functioneren. Wat we overdag meemaken, beïnvloedt de kwaliteit van de slaap en die bepaalt weer het functioneren overdag. Dat verklaart onder meer waarom slaapproblemen zo frequent voorkomen. Ook verschillende aandoeningen hebben gevolgen voor de slaap, terwijl een verstoorde slaap een psychische of psychiatrische stoornis kan uitlokken en in stand houden. Het is daarom van belang oog te hebben voor slaapproblematiek in de psychiatrie. De verpleegkundige speelt hierin een belangrijke rol, door het afnemen van een (hetero)anamnese, het laten bijhouden van een slaap-waakkalender, eventueel gevolgd door aanvullend (lichamelijk) onderzoek. Vervolgens is het van belang begeleiding te bieden bij een gezonde slaap-waakhygiëne. Dat kan door middel van een van de specifieke behandeltrajecten die behoren bij de diverse slaapstoornissen die in dit hoofdstuk worden besproken. 
H. C. J. P. Janssen, J. H. E. M. Stapper

15. Psychiatrische stoornissen van de kindertijd

Samenvatting
Pas eind jaren twintig van de vorige eeuw zag men in dat kinderen geen minivolwassenen zijn en om een andere benadering vragen dan volwassenen met psychische problemen. Duidelijk werd dat je bij het werken met kinderen altijd rekening moet houden met het feit dat een kind in ontwikkeling is en in een afhankelijkheidspositie verkeert. Niet alleen het kind, maar ook zijn gezin (‘systeem’) behoeft daarom onderzoek. De kinder- en jeugdpsychiatrie is intussen een belangrijke bron van informatie voor de volwassenenpsychiatrie, doordat er steeds meer bekend is over hoe volwassen ziektebeelden zich al in de jeugd aandienen. Omdat een belangrijk deel van de problematiek zich voortzet tijdens de volwassenheid, is de insteek anno nu vooral gericht op acceptatie van en het leven met een psychiatrische stoornis, om ernstige belemmering van het functioneren van kind en gezin te voorkomen.
M. B. Hofstra, C. F. R. H. M. Klijs

16. Diagnostiek en behandeling van volwassenen met ADHD

Samenvatting
ADHD werd lange tijd gezien als een typische kinderaandoening. Uit onderzoek blijkt echter dat er ook een groot aantal volwassenen is met ADHD, of met de minder opvallende ADD-variant (vaker bij meisjes). Doordat de aandoening op een zeker moment zo in de aandacht kwam te staan en bekend werd dat erfelijkheid een grote rol speelt, herkenden volwassenen zich ook steeds vaker in het plaatje. Het goede nieuws is dat ADHD goed te behandelen valt, in de eerste plaats met medicatie (psychostimulantia), aangevuld met coaching of gedragstherapie. Voor de verpleegkundige is een belangrijke rol weggelegd in diagnostiek, behandeling en herstel. Wanneer wordt gekozen voor medicatie, zijn alertheid op bijwerkingen en kennis van zaken essentieel. Ook psycho-educatie in de vorm van informatie, tips en advies, behoort tot de verpleegkundige taken. 
J. J. S. Kooij, C. F. R. H. M. Klijs

17. Ouderenpsychiatrie

Samenvatting
Zoals de kinder- en jeugdpsychiatrie zich ontwikkelde tot een specialisme, gebeurde hetzelfde aan de andere kant van het spectrum, met de ouderenpsychiatrie. Dat is iets van de laatste decennia, en sinds 2012 is het specialisme officieel erkend. Waar kinderen zich onderscheiden door de ontwikkelingsfase, zien we bij ouderen in feite het omgekeerde proces: zij krijgen te maken met een groot aantal – biologische, psychologische en sociale – veranderingen, waardoor psychiatrische problematiek zich vaak complexer manifesteert. In de bejegening is het vanzelfsprekend van belang dat de verpleegkundige zich aanpast aan de mogelijkheden van de patiënt en aandacht heeft voor gespreksvaardigheden en omgevingsfactoren. De levensfase van de patiënt moet altijd worden meegenomen in de analyse. Daarnaast moet je als verpleegkundige alert zijn op somatische, psychologische en sociaal-systemische signalen. De kwaliteit van leven staat bij dit alles steeds voorop.
W. Garenfeld, C. van Osch

18. Psychische stoornissen en zwakbegaafdheid, of een lichte verstandelijke beperking

Samenvatting
Naar schatting is zo’n 10 tot 15 % van de wereldbevolking zwakbegaafd, met een IQ tussen de 70 en 85. Een veel kleiner deel (1–3 %) heeft een lichte verstandelijke beperking (IQ van 70 of minder). In beide gevallen is er sprake van beperkingen in intellectueel en adaptief functioneren dat al is ontstaan tijdens de jeugd. Deze kwetsbare groep is extra gevoelig voor psychische en psychosociale problematiek, zeker binnen de ggz. Ze krijgen eerder medicatie dan therapie en worden vaker onvrijwillig opgenomen. Het is dan ook van belang om deze co-morbiditeit bij psychiatrische patiënten te onderkennen. In dit hoofdstuk lees je wat een lichte verstandelijke beperking is, wat zwakbegaafdheid inhoudt en wat je als verpleegkundige kunt doen in bejegening en communicatie bij zulke patiënten. Ook specifieke aanpassingen in de dagelijkse zorg komen aan bod.
J. Wieland, P. E. Leidelmeijer, C. F. R. H. M. Klijs

19. Psychiatrie en recht

Samenvatting
In dit hoofdstuk komen de belangrijkste wetten aan de orde die van toepassing zijn op de zorg voor patiënten in de ggz. Allereerst hebben verpleegkundigen een zorgplicht tegenover hun patiënten. Aan de andere kant zijn er de patiëntenrechten die burgers beschermen tegen te snel ingrijpen door bijvoorbeeld een verpleegkundige. De regelgeving rond de zorgplicht kent twee hoofdonderwerpen die in verschillende wetten, besluiten en uitspraken naar voren komen: de autonomie van de hulpvrager en de kwaliteit van zorg. Het recht op autonomie van de patiënt is vastgelegd in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en in de vanaf 2020 geldende Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Voor de kwaliteit van zorg is er onder meer de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). En natuurlijk is er een wet om klachten en geschillen in goede banen te leiden: de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
P. J. M. Dijkmans

20. Forensische psychiatrie

Samenvatting
Het komt regelmatig voor dat psychiatrisch patiënten in aanraking komen met justitie. Een klein deel van hen pleegt zware delicten en krijgt te maken met het grensgebied tussen psychiatrie en recht. Het Nederlands daderstrafrecht heeft niet alleen oog voor het slachtoffer, maar ook voor de verdachte. Iemand die tijdens het plegen van een delict ontoerekeningsvatbaar is, kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor zijn daden, en mag volgens de wet niet worden gestraft. Wel mag hij ter behandeling gedwongen worden opgenomen. De forensische psychiatrie houdt zich zowel bezig met het beoordelen van de psychische toestand van verdachten als met de behandeling van daders in een TBS-instelling. De laatste decennia werkt een groeiend aantal, vooral sociaalpsychiatrisch, verpleegkundigen binnen de forensische psychiatrie. Bij de reclassering, of als sociotherapeut in een TBS-kliniek. Sociotherapeuten spelen een belangrijke rol in de behandeling van daders, gericht op het reduceren van recidiverisico. Hecht teamwork en professionele distantie zijn belangrijke vereisten voor deze werkomgeving.
F. A. J. Fluttert, W. J. Canton

Nawerk

Meer informatie

Extras