Skip to main content
main-content
Top

Over dit boek

Hoewel oogheelkunde soms beschouwd wordt als een specialisme, dat op enige afstand van de geneeskunde staat, komen vrijwel alle artsen met de oogheelkunde in aanraking. Vooral huisartsen zien regelmatig patiënten met oogproblemen, maar ook veel andere specialismen hebben raakvlakken met de oogheellkunde, zoals internisten, neurologen, kinderartsen, specialisten ouderengeneeskunde, KNO-artsen, kaak- en aangezichtschirurgen en dermatologen.

Het Leerboek oogheelkunde is het gezamenlijke product van stafleden van alle oogheelkundige afdelingen van de Nederlandse academische ziekenhuizen, die zich speciaal met het onderwijs aan studenten bezighouden. Het Leerboek oogheelkunde biedt daardoor op toegankelijke en praktische wijze alle oogheelkundige informatie die een student geneeskunde nodig heeft. In deze tweede druk werden een aantal zaken bewerkt, aangepast, geactualiseerd of uitgebreid en werden enkele onduidelijkheden gecorrigeerd. De door studenten geleverde commentaren waren hierbij een grote hulp.

De opzet van deze tweede druk is ongewijzigd en start met algemene hoofdstukken anatomie en fysiologie, anamnese en onderzoek van oogheelkundige klachten. Het boek bevat verder een bespreking van de meest voorkomende oogheelkundige aandoeningen. Daarnaast is er aandacht voor een selectie van zeldzame beelden, zoals retinopathie bij prematuur geboren neonaten en infectieuze uveïtis, die de student in zijn latere loopbaan als behandelaar van patiënten met gerelateerde systeemaandoeningen moet kunnen herkennen. Tot slot wordt een overzicht gegeven van de medicatiemogelijkheden.

Het boek geeft tevens toegang tot een speciale website. Op deze website is de volledige inhoud van het boek te vinden, aangevuld met interactieve toetsvragen, instructieve video’s en aanvullende informatie zoals oogheelkundige artikelen die in het NTvG zijn verschenen.

De primaire doelgroep van de auteurs wordt gevormd door de studenten geneeskunde aan de Nederlandse faculteiten. Het Leerboek oogheelkunde biedt echter ook een makkelijk toegankelijk overzicht van de actuele oogheelkunde voor niet-oogheelkundig werkzame artsen en paramedici.

Inhoudsopgave

Voorwerk

1. Anatomie en fysiologie

Samenvatting
Aan de basis van een goed begrip van de functie van het oog en de pathogenese van oogaandoeningen ligt kennis van de anatomie. Dit eerste hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de bouw van het oog, de orbita met de adnexa en het visuele systeem. In het oog zelf kunnen verschillende compartimenten onderscheiden worden. De verschillende structuren, zoals de lens, de uvea en de retina, en hun functie komen aan de orde. Met de adnexa worden de perioculaire structuren bedoeld, de traanaanmaak en -afvoersystemen, de oogleden en de orbita met inhoud. Speciale aandacht wordt daarbij besteed aan de externe oogspieren en hun werking, de vascularisatie en de zenuwvoorziening. Tot besluit wordt een kort overzicht gegeven van de visuele banen, subcorticale structuren en de corticale anatomie. In deze laatste paragraaf komt ook de organisatie van het visuele systeem, van retina tot en met cortex, kort ter sprake.
S. M. Imhof, R. L. A. W. Bleys

2. Anamnese en onderzoek

Samenvatting
Een goed gestructureerde anamnese vormt samen met een consciëntieus uitgevoerd algemeen oogheelkundig onderzoek de basis van een rationele differentiaaldiagnose. Het eerste deel van dit hoofdstuk behandelt de speciële en algemene anamnese en de klachten die kunnen voorkomen zoals visusklachten, gezichtsveldklachten, waarnemingsklachten en pijn. Met een voorbeeld wordt aangegeven hoe oogheelkundige klachten gestructureerd uitgevraagd kunnen worden. Het tweede deel behandelt het algemeen oogheelkundig onderzoek. Het onderzoek van de visus komt uitgebreid aan de orde en daarna worden de schatting van het gezichtsveld, de beoordeling van de pupilreacties, het onderzoek van oogstand en oogbewegingen, de beoordeling van de lichtbrekende media, de fundoscopie en tot slot de oogdruk besproken. Het derde deel gaat in op een aantal aanvullende onderzoeken in de oogheelkundige praktijk, waarvan het goed is dat ook de niet-oogarts er enige kennis heeft.
L. P. J. Cruysberg

3. Klachten

Samenvatting
Dit hoofdstuk behandelt een aantal kenmerkende oogheelkundige klachten en klachtenpatronen. In tabellen wordt verwezen naar bijbehorende aandoeningen, die elders in het boek besproken worden. Pijn kan verschillend van aard zijn, afhankelijk van de oorzaak. Een acute of geleidelijke visusdaling is, net als pijn, vaak een alarmsymptoom. Ook het vervormde beeld of metamorfopsie komt ter sprake. Het rode oog is een bekend symptoom, dat door veel – al dan niet ernstige – aandoeningen veroorzaakt kan worden. Een pijnloos rood oog wijst meestal niet op een ernstige aandoening. Floaters en flitsen wijzen op veranderingen in het glasvocht; ze kunnen de aanloop zijn naar netvliesloslating (ablatio retinae). Gezichtsvelduitval kan wijzen op een aandoening van het oog zelf of op een probleem in de visuele geleiding. Dubbelzien of diplopie wijst vaak op parese van een hersenzenuw die een of meer externe oogspieren bedient.
H. Tan

4. Traumata van het oog en adnexa

Samenvatting
Traumata van het oog en de perioculaire weefsels komen veel voor. Het zijn gelukkig merendeels kleine letsels, die meestal niet tot blijvende schade leiden. Ernstige oogverwondingen zijn echter niet zeldzaam en rond de jaarwisseling worden telkens trieste records in Nederland gevestigd. In de medische wereld wordt dan ook sterk gepleit voor de afschaffing van consumentenvuurwerk. Men onderscheidt mechanische, chemische, thermische en actinische traumata. Mechanische letsels kunnen scherp (klieving van weefsel door een scherp object) of stomp (contusioneel) zijn. Bij chemische verbrandingen is een zure of basische stof de veroorzaker van het letsel en in geval van thermische traumata is dat hitte of koude. Bij actinische letsels hebben verschillende soorten straling een schadelijke inwerking op levend weefsel, waaronder de cornea, de conjunctiva en de oogzenuw. De energie waarmee geweld inwerkt is in belangrijke mate bepalend voor de ernst van een letsel en de uiteindelijke schade.
B. A. E. van der Pol

5. Refractieafwijkingen

Samenvatting
De lichtbrekende eigenschappen van het oog worden aangeduid als de refractie van het oog. Een oog dat lichtstralen zodanig breekt dat er een min of meer scherpe afbeelding op de retina ontstaat, heet emmetroop. Ligt het brandpunt vóór het netvlies spreken we van een bijziend of myoop oog en ligt het achter het oog dan is dat oog hypermetroop of (over)verziend. Naast de groei van het oog en de daardoor veranderende refractie tijdens de jeugd worden in dit hoofdstuk de verschillende afwijkende refractietoestanden (refractieanomalieën) besproken en de verschillende correctiemogelijkheden, de bril, contactlenzen en refractiechirurgie. Het meten en schatten van de refractie worden besproken. Het nauwkeurig bepalen van de refractie, refractioneren, kan subjectief en objectief gebeuren en is in beide gevallen werk voor oogarts, orthoptist of optometrist. Hoewel het geen echte refractieanomalie betreft, maar een natuurlijke afname van de accommodatie, komt de presbyopie of leeftijdgerelateerde leeszwakte eveneens aan de orde.
B. A. E. van der Pol

6. Oogheelkundige problemen op de kinderleeftijd

Samenvatting
Kinderen vormen een aparte categorie patiënten binnen de oogheelkunde. Vooral jonge kinderen vereisen een bijzondere aanpak tijdens onderzoek en behandeling; vaak is een heteroanamnese nodig. In dit hoofdstuk komen de belangrijkste oogheelkundige problemen bij kinderen ter sprake. Het visuele systeem is bij hen nog in ontwikkeling en als daarin stoornissen optreden dreigt onderdrukking van het centrale zien, amblyopie. De belangrijkste amblyogene aandoeningen zijn scheelzien (strabismus), een te groot refractieverschil tussen beide ogen (anisometropie) en deprivatie door occlusie, bijvoorbeeld door een congenitaal cataract. De verschillende vormen van strabismus worden uitgebreid besproken en refractieproblemen komen eveneens ter sprake. Daarnaast worden enkele speciale beelden behandeld, waaronder prematurenretinopathie en cerebrale visusstoornissen. In het laatste deel van het hoofdstuk komen aandoeningen aan de orde die tot specifieke problemen kunnen leiden of de visus kunnen bedreigen, zoals infecties en aangeboren afwijkingen.
N. E. Schalij-Delfos

7. Oogleden, orbita en traanwegen

Samenvatting
De oogleden, de traanwegen en in zekere zin ook de orbita worden tot de oculaire adnexa gerekend. Veel van de aandoeningen in deze structuren zijn bij inspectie waarneembaar. Dit hoofdstuk beschrijft een aantal veelvoorkomende aandoeningen van de oogleden, zoals ooglidrandontsteking (blefaritis), infecties van de ooglidklieren (hordeolum en chalazion) en verschillende standsafwijkingen. Veelvoorkomende standsafwijkingen zijn hangende oogleden (ptosis) en een naar binnen (entropion) of naar buiten (ectropion) gedraaide ooglidrand. Daarnaast besteedt het hoofdstuk aandacht aan tumoren, met name het basaalcelcarcinoom. Een belangrijk teken van orbitale problematiek is exoftalmie of protrusio bulbi, het naar voren komen van het oog door een ruimte-innemend proces in de oogkas. Met name bij de ziekte van Graves kan dit een prominent symptoom zijn. Een gevreesde intraorbitale infectie is cellulitis orbitae. Als laatste worden aandoeningen besproken van de traanafvoerwegen.
M. Ph. Mourits, R. J. H. M. Kloos

8. Conjunctiva en cornea

Samenvatting
In dit hoofdstuk komen de aandoeningen van het zichtbare oogoppervlak aan de orde, met name het bindvlies en het hoornvlies. Bindvliesontsteking (conjunctivitis) is de meest voorkomende oogaandoening na refractieanomalieën. In verreweg de meeste gevallen is het een onschuldige aandoening die vaak spontaan geneest. Voor de cornea ligt dat geheel anders. Het hoornvlies is een zeer kwetsbaar deel van het oog, dat voor de visuele functie van groot belang is. Veel aandoeningen van de cornea zijn potentieel visusbedreigend en de meeste vereisen specialistische behandeling. Van de in dit hoofdstuk behandelde specifieke ziektebeelden komt het droge-ogencomplex het meest voor. De corneachirurgie maakt een snelle ontwikkeling door; volledige of perforerende corneatransplantaties zijn inmiddels bij veel aandoeningen vervangen door gedeeltelijke of lamellaire transplantatie. Ook de refractiechirurgie komt in dit hoofdstuk ter sprake.
I. J. E. van der Meulen

9. Glaucoom

Samenvatting
Het begrip ‘glaucoom’ omvat een aantal ziektebeelden waarin de intraoculaire druk een belangrijke rol speelt. In dit hoofdstuk worden de verschillende vormen van glaucoom behandeld. Het primaire openkamerhoekglaucoom komt het vaakst voor: met een incidentie van 1 per 1000 inwoners van veertig jaar en ouder per jaar is dit in Nederland een belangrijk gezondheidsprobleem. Het veel minder vaak voorkomende gesloten kamerhoekglaucoom staat in zijn meest klassieke vorm bekend als ‘acuut glaucoom’. Congenitaal glaucoom is zeldzaam, maar zeer visusbedreigend. De zeer jonge kinderen om wie het gaat, hebben vaak opvallend grote ogen, daaraan dankt dit ziektebeeld zijn naam, ‘buftalmie’. Bij de bespreking van de diagnostiek komen de risicofactoren voor het ontwikkelen van een glaucoom ter sprake. De belangrijkste risicofactor is de oogdruk. Ten slotte worden de behandeling, medicamenteus en chirurgisch, en preventie besproken.
C. A. B. Webers

10. Cataract

Samenvatting
Cataract, het troebel worden van de ooglens die steeds grijzer, geler en tenslotte zelfs bruin wordt, is voor velen de meest tot de verbeelding sprekende oogziekte. De behandelingsgeschiedenis gaat dan ook al enkele duizenden jaren terug. De behandeling is altijd chirurgisch, de staaroperatie is de meest uitgevoerde operatie in westerse operatiekamers. In dit hoofdstuk komen de verschillende vormen van cataract aan de orde, de oorzaken en de klachten waarmee patiënten zich melden. De verschillende operatietechnieken worden genoemd en de huidige standaardmethode, faco-emulsificatie met implantatie van een kunstlens, wordt stapsgewijs besproken. De staaroperatie is een zeer succesvolle techniek, maar complicaties zijn mogelijk. Intraoculaire infectie of endoftalmitis zijn de meest gevreesde complicaties.
J. G. Bollemeijer

11. Retinale afwijkingen

Samenvatting
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste afwijkingen van het netvlies behandeld. Aan de orde komen ook de glasvochtveranderingen die in de loop van het leven bij vrijwel iedereen optreden en die bij sommigen kunnen leiden tot netvliesloslating (ablatio retinae). Maculadegeneratie, in droge of natte vorm, komt erg veel voor bij ouderen en legt een groot beslag op de oogheelkundige praktijk. Het is in westerse landen de belangrijkste oorzaak van slechtziendheid bij volwassenen. De droge vorm is niet behandelbaar, de natte vorm, die bij ongeveer 15 % van de patiënten optreedt, kan afgeremd worden met middelen die de vaatnieuwvorming remmen. Een andere veelvoorkomende, maar tegenwoordig goed behandelbare netvliesaandoening is diabetische retinopathie, waarbij de microcirculatie in het netvlies is aangetast. Naast de genoemde problemen behandelt dit hoofdstuk nog een aantal andere aandoeningen, die minder vaak voorkomen maar grote consequenties kunnen hebben.
J. E. E. Keunen, J. M. M. Hooymans

12. Uveïtis

Samenvatting
Met uveïtis wordt een groep van aandoeningen aangeduid die gekenmerkt worden door intraoculaire ontstekingen die veelal primair uitgaan van de uvea, het middenblad van het oog dat bestaat uit choroidea, corpus ciliare en het irisstroma. Men onderscheidt uveïtis anterior, uveïtis posterior en uveïtis intermedia. In geval van een posterieure uveïtis of choroiditis doet de retina vaak mee en is er sprake van een chorioretinitis. De oorzaak van een uveïtis kan infectieus of niet infectieus zijn. In het laatste geval is er sprake van een auto-immuunproces dat onderdeel kan zijn van een systeemziekte. In dit hoofdstuk worden de symptomatologie, diagnostiek en behandeling besproken van de verschillende vormen en tevens de relaties met systeemaandoeningen. Een aantal kenmerkende ziektebeelden komt aan de orde. Traditioneel worden ontstekingen van de sclera ook door uveïtisspecialisten behandeld, deze worden in dit hoofdstuk eveneens besproken.
A. Rothova, J. H. de Boer

13. Neuro-oftalmologie

Samenvatting
De neuro-oftalmologie houdt zich bezig met de neurologie van het visuele systeem. Dit hoofdstuk behandelt de afferente systemen, de efferente systemen en de delen van het autonome zenuwstelsel die betrokken zijn bij het oog, en de aandoeningen die in die systemen kunnen voorkomen. Besproken worden onder meer problemen in de oogzenuw, stoornissen van de sensibiliteit, uitval van de derde (n. oculomotorius), vierde (n. trochlearis) en zesde hersenzenuw (n. abducens) en de pupilreacties. Naast het algemene neuro-oftalmologische onderzoek en de speciële anamnese worden eveneens enkele in de neuro-oftalmologie toegepaste onderzoekstechnieken besproken, zoals gezichtsveldonderzoek en optische coherentietomografie (OCT). Naast deze fundamentele onderwerpen komt een aantal typische neuro-oftalmologische ziektebeelden aan de orde, zoals neuritis optica en de relatie met multipele sclerose, erfelijke opticopathieën, ischemische opticopathieën, compressiesyndromen, het syndroom van Horner en transiënte visusdalingen.
J. W. R. Pott

14. Visuele beperkingen (blindheid en slechtziendheid)

Samenvatting
De slechtziende of blinde patiënt vraagt een eigen benadering, die enige kennis van de revalidatiemogelijkheden en wettelijke regelingen vergt. Dit hoofdstuk bespreekt de definities van slechtziendheid en blindheid en de epidemiologie van visuele handicaps in Nederland. Vooral ouderen worden getroffen door visusbedreigende aandoeningen, met name in verzorgings- en verpleeghuizen is de prevalentie hoog. Daarna krijgt de revalidatie bij visuele problemen ruime aandacht, met de rol die zorgverleners, instellingen en patiëntenorganisaties daarbij kunnen spelen. Beknopt worden de indicatiestelling, de soms bijkomende depressieve verschijnselen, meervoudige beperkingen en autorijden bij slechtziendheid behandeld. Tot slot komen optische en elektronische hulpmiddelen aan de orde, die sterk in ontwikkeling zijn, en hulpmiddelen die dagelijkse activiteiten kunnen vergemakkelijken, zoals de blindenstok.
G. H. M. B. van Rens

15. Medicamenteuze therapie

Samenvatting
Medicatie in de oogheelkunde wordt bijna altijd toegediend in de vorm van druppels, gels of zalven. Als het toegediende middel pijn of irritatie veroorzaakt, treden beschermingsmechanismen in werking zoals verhoogde traansecretie of versterkt knipperen, die de biologische beschikbaarheid van het middel beïnvloeden. De verdraagzaamheid van het middel is in de oogheelkunde daarom van groot belang. In dit hoofdstuk wordt uitgebreid stilgestaan bij de toediening van medicatie. Daarna worden kort de verschillende groepen geneesmiddelen besproken die in de oogheelkunde worden toegepast. In bepaalde gevallen wordt ook gebruik gemaakt van systemische toediening, wat vooral bij uveïtiden nogal eens het geval is.
H. J. M. Beckers

Nawerk

Meer informatie

Extras